Stedenbouwkundig ontwerp locatie ArcusCollege afgerond, realisatie uitgesteld
In oktober 2005 was een intentieovereenkomst getekend met als voornaam doel de gemeenteraad van Heerlen een voorbereidingsbesluit te laten nemen voor de benodigde bestemmingsplanwijziging. Daaraan waren trajecten gekoppelde voor een unilocatie voor het ROC Arcus aan de Valkenburgerweg te Heerlen.
Echter moet het College nu berichten dat ze ondanks een maximale inzet en een optimale samenwerking niet geslaagd is de gemeenteraad van Heerlen te bewegen om een positief besluit te nemen. Het zal de raad in de nieuwe samenstelling zijn, die over dit onderwerp uiteindelijk tot besluitvorming zal komen.
Als uitgangspunt voor het stedenbouwkundig ontwerp van het Arcuscollege is gebruik gemaakt van het klassieke model van de universiteitscampus zoals dat in het begin van de 19e eeuw in de Verenigde Staten is ontwikkeld. Dit concept valt als volgt te karakteriseren: Een formele, centrale groene ruimte waar omheen de gebouwen van de diverse faculteiten staan. Op één van uiteinden van de meestal langwerpige centrale ruimte staat het belangrijkste, centrale gebouw van de onderwijsinstelling. De diverse gebouwen worden met elkaar verbonden door een patroon van voetpaden over de centrale campus heen. In de praktijk is gebleken dat het campusmodel ook zeer flexibel is: Door het neutrale karakter van het model is het uitstekend in staat om door de tijd heen functieveranderingen, expansie of programmatische wijzigingen (opnieuw) te accommoderen.
De campus wordt gerealiseerd in twee niveaus: Een brede, centrale groene as organiseert het complex, koppelt alle gebouwen en verbindt de Valkenburgerweg met het landschap. De as maakt gebruikt van het natuurlijke hoogteverschil van de locatie:
Vanaf de Valkenburgerweg zakt deze vloeiend naar het lagere niveau van het landschap. De groene ruimte kan door de studenten gebruikt worden om tussen de gebouwen te wandelen, maar ook om tijdens bijvoorbeeld een tussenuur te verblijven. Het hellende groene vlak wordt, wanneer men het vanuit het landgoed Terworm ziet, beschouwd als een continuering van het landschap.
Tussen de gebouwen kan het landschap de school omspoelen. De gebouwen zelf krijgen tuinen die ook voor onderwijs doeleinden gebruikt kunnen worden en het landschappelijke karakter van het complex versterken. De tuinen dragen ook bij aan het verkleinen van de korrelgrootte van de gebouwen. Belangrijk is dat op een aantal punten landschappelijke doorzichten ontstaan, ‘vizieren’, die het mogelijk maken door het gehele complex heen te kijken.
De nieuwe structuur van boomgaarden vindt aansluiting op het bestaande relict van het landgoed. Er ontstaat daardoor een grote landschappelijke eenheid die de verschillende elementen van het landschap met elkaar verbindt De zichten tussen de gebouwen door geven het complex een nadrukkelijke geleding. Deze geleding zorgt voor de soepele inbedding in de omgeving en brengt de organisatie van het college ruimtelijk tot uitdrukking.




