Langs het IJ, architectuurtochten door gebieden aan de Zuidelijke IJ-oever, Amsterdam
Dankwoord van Kees Rijnboutt bij het in ontvangst nemen van publicatie “Langs het IJ”, 14 december 2006
Sabine Lebesque belde mij op en zei: “We hebben een boekje over de architectuur langs de Zuidelijke IJ-oever gemaakt en we willen het eerste exemplaar aan jou aanbieden”. En dat gebeurt dus vandaag.
Dat woord “Boekje”, daar gaat het om, het verkleinwoord “boekje” is onzin, het is geen “boekje”, “Langs het IJ, architectuurtochten door gebieden aan de Zuidelijke IJ-oever” is een prachtig boek, stoere paperback of liever “paperbonk” in goed Nederlands. Een prachtig boek, over oude en nieuwe gebouwen, over straten en kaden, over architectuur en openbare ruimte, met mooie, intelligente essays en een interview.
Het gaat, althans het meeste, over het wonder dat zich hier de afgelopen 12 jaar, in verbluffend korte tijd dus, heeft voltrokken. In 1995 verscheen immers de strategienota “Ankers in het IJ”, en alles is daarna ontwikkeld en gebouwd. Over alles, geschiedenissen, beschrijvingen, facts and figures, wat in die essays staat ga ik het dus niet hebben, dat moet u maar lezen, het is heel erg de moeite waard.
Heel hartelijk dank dus voor al die arbeid die in dat schitterende boek is gestoken en dank voor dit cadeau.
De titel “langs het IJ, architectuurtochten door gebieden aan de Zuidelijke IJ-oever, Amsterdam ” bracht bij mij onmiddellijk de associatie met titels van boeken A.F.J. Portielje en dr. Jac. P. Thijssen naar boven, bondgenoten van mijn jeugd, vóór de komst van TV en internet, de albums van Verkade en meer van dat werk uit de tijd van “Langs ’s Heeren wegen en rivieren”. Ik moest ook meteen denken aan J.H.F. Grönloh – Nescio voor ingewijden die meer over Amsterdam schreef dan die onvergetelijke zin: “Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter”. Hij schreef ook over het Buiten IJ – lees het na – en het IJ. Het begint met “we” en “we” zijn natuurlijk Bavink, Japi en hijzelf. Hij zette er boven “En dit neem ik op, omdat ik graag zou willen dat u ook niet genoeg van Amsterdam kan krijgen”. ’t Is van 1918. Geen naam of titel.
“We zaten in den avond op ’t terras van ’t Tolhuis en keken over ’t IJ naar de stad. De elektrische lampen aan de spoorbaan branden lila in de hoogte tegen een donkerblauwe lucht. ’t Weerlichtte wat boven de drie spitse torens van de kerk aan de Haarlemmerstraat, onder de kap van ’t Centraal Station hijgde een locomotief, de tram reed brommend over de Ruijterkade, ’t water golfde verlaten koudblauw met nerveuze, korte en onnozele golfjes, maakte een zwak geluidje tegen den steenen rand van ’t terras en riekte zwakjes naar dood water.
’t Was stillig, er waren weinig menschen. Er was wat geluid, van glazen en kopjes nu en dan, de stad aan den overkant ademde zwakjes en onschuldig en weerkaatste zijn lila en gele lichten die zigzagden in ’t IJ".
Je proeft in die wonderschone taal dat je over de leegte van het IJ naar de achterkant van Amsterdam kijkt en dat achter het Centraal Station en z’n belendingen, zakenpanden, rangeerterreinen, werven en hellingen in de verte de Stad ligt. Noord bestaat dan nog nauwelijks, het Vogel- en Disteldorp zijn nog niet in aanbouw, de industrie op de noordoever van het IJ is net in opkomst.
De noordoever van het IJ is de rand, onnozel leeg, met op de grens naar het lege land, zoals Auke van de Woud het noemde, een tolhuis.
Daarom is dat wat nu in deze decennia vorm krijgt ook in historische zin uniek. De industrie, de havenactiviteiten verdwenen, verplaatst. Amsterdam heeft de kwaliteit van het IJ niet alleen ontdekt om langs te wonen, maar ook omarmd en voorzien van publieke functies: een uitbundige nieuwe kap aan het Centraal Station, met van alles en nog wat er onder, een museum, een theater, een bibliotheek en een conservatorium. En het Rijk voegde daar vorig jaar een Paleis van Justitie waarin het Gerechshof gevestigd zal worden, aan toe.
De stad heeft zichzelf en op eigen kracht en -wijze na een valse start, een subliem cadeau gegeven. Het “maken” is in volle gang aan deze zijde van het IJ, vanaf mijn balkonnetje aan het Westerdokshuis telde ik onlangs – samen met de kranen in Noord – ruim 40 bouwkranen. De ontwikkeling van Amsterdam gaat in golven, de Gouden Eeuw duurde per saldo een luttel aantal decennia, de twee, drie decennia van de thuiskomst van het IJ, onze tijd dus, noem ik voorzichtig toch maar een eeuw met een gouden rand, of naar analogie van “boekje”, een eeuw met een goudrandje, om u en mijzelf ervan te doordringen dat dit moment uniek is.
In 1998 nam ik het supervisorschap voor de Zuidelijke IJ-oever over van Tjeerd Dijkstra, hij had samen met Michael van Gessel de toon gezet. Vanaf dat moment werken Michael en ik samen, zonder ons te bekommeren over de grenzen van onze disciplines. Ik citeer hem met veel plezier: “Superviseren is ruimte laten aan verrijking en verdiepingen, en alleen ingrijpen als het planconcept geweld wordt aangedaan. Ruimte laten aan de mensen die er in procesmatige zin dan wel in ontwerpende zin geïnspireerd aan werken. Vertrouwen dat zij het ingezette ontwikkelingsproces kunnen kleuren en verdiepen.
Het is een fascinerend spel met de stad als onderwerp. De stad in zowel gebouwde vorm als in functionele vorm. Stedelijkheid is niet maakbaar. Wel is het mogelijk om ruimte te laten om stedelijkheid te laten ontstaan. Als dat gebeurt, is het een feest!"
Raamdetails van de Oosterkerk of van Huijs Afrika of van het Mövenpick Hotel, het zonlicht dat op een namiddag in de herfst de houten traptreden van het Muziekgebouw opklimt, de schanskorven langs de Oostelijke Handelskade, het restaurant dat komt op de oude spoorbrug op Westerdokseiland, de luiken van het toch bewaarde Pakhuis de Zwijger, de nieuwe liften in de Panamaknoop, de steigers in het Westerdok, en al die andere details van de gebouwen die u in “Langs het IJ” kunt vinden zijn cadeaus die bij het feest horen waar Michael over spreekt. Cadeaus die bijdragen aan de geest van de plek, genius loci van de Zuidelijke IJ-oever Amsterdam. Prachtig uitgepakt in dat nieuwe boek, een “paperbonk” van de stad Amsterdam. Nogmaals dank voor het boek en uw aandacht.
Het boek ‘Langs het IJ’ is onder meer te koop in de boekwinkel van de Zuiderkerk.




