Een gesprek tussen Arno Boon, directeur Stichting BOEi en Frederik Vermeesch

“De meeste aandacht en tijd gaat uit naar het verhaal van het erfgoed”

Voor Rijnboutt maakt het herbestemmen van erfgoed een belangrijk deel uit van de actuele ontwerpopgaven binnen het bureau. Omdat over het hoe en waarom van herbestemmen verschillend wordt gedacht, leek het ons goed ook ons licht op te steken bij andere actoren in het vakgebied. Hoe kijken zij tegen erfgoed aan? Arno Boon, directeur van Stichting BOEi in Amersfoort sprak met Frederik Vermeesch, architect-directeur Rijnboutt.

Arno: “Laat ik met een actualiteit beginnen. Gisteravond zat ik om de tafel met mensen uit de erfgoedsector omdat het Rijk het beleid op het gebied van erfgoed gaat herijken. Het huidige subsidiestelsel heeft de neiging om te verzanden in discussietjes over of iets fiscaal aftrekbaar is of niet, of het gaat om ‘onderhoud’ of ‘restauratie’, en voor je het weet ben je helemaal niet meer bezig met het grotere plaatje. Maar daar gaat het natuurlijk wel om. Ik doe dit werk nu vijftien jaar, en in die tijd is BOEi uitgegroeid tot een professionele organisatie, die monumenten koopt, restaureert en herbestemt, waarbij de meeste aandacht en tijd uitgaat naar ‘het verhaal van het erfgoed’. Om wat voor erfgoed gaat het eigenlijk en wat was daarvan de functie? Wat deden de mensen daar vroeger? Wat betekent dit erfgoed in sociaal-economisch opzicht voor de ontwikkeling van de buurt? Essentiële vragen die een antwoord behoeven, willen we het verhaal van het erfgoed kunnen doorgeven aan toekomstige generaties.”

Frederik: “Hoe maakt BOEi een dergelijke ambitie operationeel?”

Arno: “We gaan hiervoor letterlijk naar de mensen toe. In de realisatiefase van onze projecten bezoeken we iedereen in de buurt, huis aan huis, om mensen te vragen: er staat daar een oud gebouw, wat weet u daarover? Welke verhalen kunt u vertellen? We bewandelen zogezegd niet de wetenschappelijke paden, maar vangen aan op de hoek van de straat. Die gesprekken nemen we vervolgens mee in het nieuwe ontwerp.”

Frederik: “Dat is bijzonder, in die zin dat wij als bureau gewoonlijk beginnen met een cultuurhistorische waardestelling. Dat gaat gepaard aan intensief archiefonderzoek, het je verdiepen in eigenlijk alles wat je over zo’n gebouw aan documentatie kunt vinden, om daarmee inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het gebouw door de tijd heen, in specifieke bouwhistorische fasering. Om daarmee het gebouw in de vingers te krijgen.”

Arno: “Je zou er een tegenstelling in kunnen zien, waar ik denk dat het aanvullend is op wat wij doen. Het is een combinatie. In feite starten wij een project ook met het lichten van de archieven, maar voor het doorgeven van het verhaal is het van belang je te richten op wat de overlevering je aan informatie biedt. Daarin schuilt de betrokkenheid, de emotie, de beleving waarmee je het draagvlak creëert wat je nodig hebt bij het ontwikkelen van dat erfgoed en het zoeken naar een nieuwe functie. Wij stoppen als samenleving ontzettend veel gemeenschapsgeld in monumenten. Dan moet je die gebouwen ook teruggeven aan die gemeenschap, dan moet het ook iets voor de mensen zijn. Dat zegt tevens iets over onze restauratiefilosofie en herbestemmingsaanpak. Wij behoren niet tot dat deel van de sector wat elk stukje erfgoed tot de laatste snik wil bewaren. Wij stellen ons de vraag: wat is nou het belang om dit soort gebouwen in stand te houden? Dat is het plezier wat oude gebouwen of landgoederen ons geven, de sfeer van het verleden waardoor nagenoeg iedereen wordt geraakt. Daarin ligt ook het aanknopingspunt om het verhaal van vroeger te willen vertellen en door te geven.”

Frederik: “Is daarmee ‘authenticiteit’ ondergeschikt aan ‘het verhaal’?”

Arno: “Dat ligt eraan wat je onder authenticiteit verstaat. Bij BOEi geloven we in ‘keep it simple’. We proberen lokale beslissers mee te nemen naar geslaagde voorbeelden voor het verkrijgen van bestuurlijke ondersteuning. We proberen een functie te vinden die zo goed mogelijk bij het oude gebouw past – qua exploitatie- en stichtingskosten ligt dat ook voor de hand. En we gaan op zoek naar de toekomstige gebruikers en zorgen dat de investering rond komt. Je moet iedereen zien mee te nemen in het proces en hen continu je keuzes voorleggen. Wij zijn adviseur, ontwikkelaar en belegger ineen. Onze inhoud – het doorgeven van verhalen – loopt gelijk op aan het operationele vermogen hoe we dat erfgoed voor de toekomst kunnen veiligstellen. Er zijn in Nederland 10 miljoen gebouwen waarvan 100 duizend monumentale gebouwen, dan moeten er voldoende functies zijn om die ene procent te vullen. De monumenten die we onder handen hebben, kleuren heel vaak de stedelijke omgeving of het dorp waar ze staan. De kerktorentjes die je ziet vanuit het platteland hebben een krachtige symboliek. Daarin ligt hun waarde. Het vinden van een passende functie gaat overigens niet vanzelf. Het is zoeken, sleuren en trekken. Slopen is altijd het makkelijkst. Dat komen jullie in je eigen praktijk natuurlijk ook tegen.”

Frederik: “Wanneer er een nieuwe functie wordt bedacht wat niet past bij het gebouw – nog los van of het feit of het een monument is of niet – dan gaat het fout, zo heb ik persoonlijk ondervonden. Bij de herbestemming van The Bank in Amsterdam, het voormalige hoofdkantoor van de ABN Amro, ontstond het idee om er een hotel in te maken. Nu heeft dat gebouw een stramienmaat van 6 meter 30 en hoeveel hotelkamers op de wereld zijn gebaseerd op een dergelijke maatvoering? Ik denk geen enkele, want het past gewoon niet. Hou je de volle stramienbreedte aan krijg je te weinig kamers voor een sluitende exploitatie, halveer je de breedte worden de kamers te klein met het oog op de gewenste allure. Het was een goede les: als je denkt aan een nieuwe functie voor een gebouw, vraag jezelf dan eerst af of dat gebouw de basisvereisten van die functie ook herbergt.”

Arno: “Een van de goeroes van het herbestemmen van erfgoed, Peter Nijhof, heeft wel eens gezegd: “de beste herbestemming voor een monument is de eerste bestemming”. Dat was wel vóór de fase waarmee we nu te maken hebben, een periode waarin veel religieus erfgoed vrijkomt. Want wat wordt daarvan de functie? Daar ligt nog wel een uitdaging. Daarbij, kunnen we de mensen, net als bij het industrieel erfgoed het geval is, ook meekrijgen in de kwaliteit en sfeer van kerken en kloosters?

Frederik: “Een klooster is in zijn typologie wat vrijer, maar met name die kerkgebouwen zijn erg dwingend. Er zit een zekere monumentaliteit in die gebouwen, wat ook geldt voor de ruimtebeleving, en hoe hou je dat overeind? Hoe vind je daar nieuwe functies bij?”

Arno: “Die kerkgenootschappen hebben het tot het bittere eind volgehouden, maar vallen momenteel als dominostenen om. Het is een ware tsunami en de monumentenwereld is nog helemaal niet toe aan een deltaplan. Nou is het altijd de moeite waard om die kerken te laten staan, maar gezien de enorme hoeveelheid, moet je daar anders over gaan nadenken. Op dit moment is elke kerk een veldslag. De buurt komt in opstand, veel meer dan het geval is bij industrieel of agrarisch erfgoed. Er is behoefte aan een kader, op grond waarvan je kan uitleggen: die kerk wel, die niet. Nu is álles belangrijk, het ontbreekt aan een strategie. Ook hier kan het verhaal helpen, om de verschillende mogelijkheden die je hebt in beeld te brengen. Duik eens in de geschiedenis en laat zien hoe je met een monument om kan gaan, hoe je daar steeds nieuwe elementen aan kan toevoegen. Dan ontstaat er vanzelf een gesprek waarin alles niet meer zo onwrikbaar is en ook nieuwbouw gewoon kan.”

Frederik: “We hebben het nu vooral gehad over gebouwen of ensembles, maar inmiddels beginnen we als samenleving ook waarde te hechten aan landschappelijke gebieden en stedenbouwkundige structuren. Zien jullie daarin een rol voor BOEI?”

Arno: “Wij merken dat we ons steeds meer gaan bemoeien en uitspreken over wat er om dat monument heen gebeurt. Je kan het gebouw wel herbestemmen, maar als het vervolgens achterstevoren in zijn omgeving komt te staan, omdat de stedenbouwkundige het niet heeft begrepen… waar ben je dan mee bezig? Neem Ypenburg, het voormalige vliegveld in Den Haag en nu een fantastische woonwijk, waar de landingsbaan van weleer een waterbaan is geworden maar de relatie tussen het oorspronkelijke Stationsgebouw en de rest van de wijk is verdwenen. Er is verzuimd om de zichtlijnen te behouden om aan de huidige decentrale ligging van het gebouw, de oorspronkelijke centrale ligging in het gebied te kunnen aflezen. Dit zijn zaken waar wij meer invloed op willen uitoefenen.”

Frederik: “Dat vind ik buitengewoon interessant, wanneer je in termen van erfgoed gaat nadenken over landschap en stedenbouw en het dan toespitst op welke structuren je wilt bewaren voor de toekomst en wat daarvan de dragers zijn? Het speelt momenteel een rol in de discussie over landgoederen die onder druk komen te staan vanwege de toegenomen vraag naar woningen. Hoe ga je bouwen in zo’n landgoed, wat is daarbij je referentie?”

Arno: “Door onze toegenomen kennis en de daarmee samenhangende autoriteit kunnen we in het debat een grotere rol gaan spelen. Ik geloof heel erg in denken én doen. Dat je vanuit een praktijk reflecteert en dat je vanuit die reflectie sturing geeft aan je praktijk. Omdat we ook een beleggingsportefeuille hebben, kennen we de noodzaak van een goede exploitatie en die kennis is weer van nut in het voortraject van elke nieuwe opgave. Tegenover de verkokering die we hadden, lopen de kennisgebieden nu meer in elkaar over. Niet het multidisciplinaire maar het interdisciplinaire krijgt daarmee de ruimte. Ik wil niet zeggen dat we vrijer met het erfgoed moeten omgaan, maar een wat ontspannender klimaat zou van mij wel mogen.”