Duurzame gebiedsontwikkeling, iets bijzonders?

In Nederland wordt bijna alles gepland; de steden, woongebieden en landschappen waar we nu van houden zijn veelal tot stand gekomen door de ambitie van een groep professionals in het verleden. De competenties, nodig voor het werk als ontwerper in de ruimtelijke ordening worden binnen de beroepsgroep vaak als iets impliciets verondersteld. Het is onderdeel van het vakmanschap, en wordt daarom binnen ontwerpteams bijna per definitie niet besproken. In deze wereld is duurzame gebiedsontwikkeling vaak synoniem aan zoiets als: ‘gebieden tot stand te brengen waar mensen van gaan houden’. Een fantastische drijfveer, echter, vaak blijkt dat een compleet overzicht van de aspecten die de duurzaamheid in brede zin beïnvloeden niet aanwezig. Scoringsmethodieken bieden, hoe banaal misschien ook, een agenda om naar alle aspecten in samenhang te kijken.

Hoofddorp, Beukenhorst Zuid

Het meetbaar maken van ambities en resultaten op het gebied van duurzaamheid voor gebouwen is inmiddels ingeburgerd. Internationaal wordt op meerdere plekken ook gewerkt aan meetsystemen voor duurzame gebieds- en landschapsontwikkeling. Zo is er het Amerikaanse LEED (Leadership in Energy en Environnemental Design) systeem, het daar op gebaseerde SITES (Sustainable Sites Initiative) en het van origine Engelse BREEAM (BRE Environmental Assessment Method).

De Dutch Green Building Council werkt naast de reeds bestaande BREEAM-NL Nieuwbouw en BREEAM-NL Bestaande Bouw en Gebruik aan een derde instrument: het Keurmerk Duurzame Gebiedsontwikkeling. Hiermee is straks de duurzaamheidprestatie van niet slechts een enkel gebouw, maar van een heel gebied te beoordelen.

Rijnboutt is participant van de Dutch Green Building Council (DGBC) en maakt deel uit van de expertgroep Ruimtelijke Ontwikkeling. Er zijn meerdere groepen binnen de DGBC actief. Voorzitter van de Adviesgroep Gebied van de DGBC, Jeanet van Antwerpen, is erg blij dat er na een intensieve ontwikkelperiode getest kan gaan worden. In de hiervoor geselecteerde pilotgebieden worden de opgestelde criteria gebruikt om een reeds lopende of recent opgestarte gebiedsontwikkeling te toetsen. Het is proefdraaien voor de lancering van het Keurmerk Duurzame Gebiedsontwikkeling in 2011. De Grondexploitatie Maatschappij Waalsprong (GEM) heeft besloten de Citadel aan te melden voor als pilotgebied.

In het nieuwe stadsdeel Nijmegen-Noord (De Waalsprong) komen meer dan 30.000 mensen te wonen. Om aan de behoeften en comfortbeleving van de bewoners tegemoet te komen, is besloten stedelijke voorzieningen als winkels, kantoren, scholen en horeca samen te brengen in één centrumgebied, de Citadel. Rijnboutt werkt, samen met anderen, sinds 2008 als stedenbouwkundige aan deze opgave.

Het actuele masterplan voor de Citadel was bijna klaar toen het College in Nijmegen in november 2009 viel. Een jaar later kijkt de gemeenteraad, met een (groener) College opnieuw naar het Masterplan. Tijdens een werksessie met raadsleden en stakeholders blijkt een overzicht van de duurzaamheidcriteria vruchtbare gespreksstof om richting te geven aan verbeterpunten voor het vast te stellen Masterplan Citadel.

Het Keurmerk Duurzame Gebiedsontwikkeling biedt inzicht en gesprekken met participanten en belanghebbenden worden meer inhoudelijk gevoerd. Het blijft niet bij het vraagstuk van het terugdringen van energiegebruik en CO2 reductie. Toch is enige relativering op zijn plaats. Politieke prioriteiten en reeds ingenomen grondposities hebben een sturende invloed op de (on)mogelijkheden voor gebiedsontwikkeling.

In het verleden zijn wij betrokken geweest bij het ontwerpatelier voor de Bloemendalerpolder tussen Muiden en Weesp. In dit atelier werd feitelijk strategische stedenbouw ‘avant la lettre’ bedreven. Binnen een raamwerk van landschap en stad was een open programmering mogelijk. Deze gebiedsontwikkeling had een toonbeeld van integrale duurzame gebiedsontwikkeling kunnen worden. De combinatie van programma onderdelen en de randstedelijke locatie, op het grensvlak van het Groene Hart, had dit project tot een uitstekend voorbeeld gemaakt voor het Keurmerk Duurzame Gebiedsontwikkeling. Nu blijkt (NRC, 8 september 2010) dat door speculatie de grondprijzen tot ongekende hoogte zijn opgedreven. Een grote rijksbijdrage of het verder opvoeren van de dichtheid lijkt noodzakelijk om door te kunnen. Hier blijkt dat een grotere invloed van de overheid ten aanzien van grondeigendom en reële grondwaarde noodzakelijk is om überhaupt tot duurzame ontwikkeling voor volgende generaties te komen.

Met integrale gebiedsontwikkeling is veel geld gemoeid. De criteria ten aanzien van duurzaamheid in scoringsmethodieken mogen dan een prachtige checklist zijn, het beleid op regionaal en landelijk niveau geeft richting. De discussies daarover bepalen de uiteindelijke mogelijkheden. Zo is de door Tijs van den Boomen aangezwengelde discussie (NRC, 17 september 2010) over het bouwen rond en in de oude havens aan het IJ, versus bouwen in het IJmeer bij Almere zeer legitiem. Waarom veel geld per woning investeren aan infrastructuur terwijl dit niet nodig is als er verdicht kan worden op bestaande en betekenisvolle binnenstedelijke locaties? Beter is het, zoals eerder dit jaar aangegeven in een advies aan de Rijksbouwmeester, te werken aan een prachtig compact Nederland.