Toekomst van Haarlem: Op zoek naar de eigen kracht

Door: Kees de Graaf

Werksessie over de toekomst van Haarlem

Haarlem heeft veel kwaliteiten, maar kent ook flink wat manco’s en gemiste kansen. Haarlem is geliefd als woon- en cultuurstad, maar andere functies komen er soms bekaaid vanaf. Bovendien ontbreekt de urgentie om op bepaalde plekken, waarvan de kwaliteit achteruit holt, resoluut in te grijpen. Rijnboutt nodigde acht kenners van de stad Haarlem uit om te debatteren over sterktes en zwaktes, kansen en bedreigingen. Niet aan de hand van abstracte thema’s, maar door de gasten te vragen ieder een concrete plek aan te wijzen die een illustratie vormt van de opgave waar Haarlem voor staat, en die een hoge prioriteit kent. Een impressie.

Aanleiding om over verleden, heden en toekomst van Haarlem in gesprek te gaan is de organisatie van een tentoonstelling in het ABC Architectuurcentrum Haarlem in november. Na een korte aftrap van Rijnboutt-partner Richard Koek start een levendig debat, onder leiding van Jan Rutten (Ecorys Communicatie). Aan tafel: twee ontwikkelaars, twee beleidsmedewerkers, een bewonersvertegenwoordiger en vier ontwerpers, waarvan twee uit de Rijnboutt-gelederen. Ze delen één passie: werken aan de stad Haarlem. Om aan te geven hoe ze bij deze stad zijn betrokken en wat hen bevalt – of juist niet – hebben ze een plek uitgekozen die ze tijdens het debat aan de orde stellen. Op kaart levert dat vier locaties op in Haarlem-Oost en vier locaties meer verspreid over de stad. Maar voordat gebiedsgericht wordt ingezoomd, wordt eerst de stad als geheel onder ogen gezien: wat voor stad is Haarlem nu en hoe ziet de stad er in 2020 uit?

Luwte en luxe Wat is Haarlem nu? Voorzichtig, traag, zelfgenoegzaam en conservatief, wordt gezegd. Maar ook: aangenaam, ontspannen, cultureel en comfortabel. Een stad die prachtig is gelegen, maar die het ook moeilijk vindt om keuzes te maken: worden we groot(s) of blijven we klein? Delen van de stad hebben interessante kwaliteiten, maar er zijn ook stukken die verslechteren. Die moeten tussen nu en 2020 worden aangepakt, aldus de conclusie aan tafel. Daardoor kan Haarlem meer een eigen en misschien zelfs een tweede gezicht ontwikkelen, met name aan de oostkant van de stad. Ambities voor de identiteit van de stad in de toekomst zijn er genoeg: kennisstad (‘Oxford aan het Spaarne’), toeristenstad als Brugge met een trekker à la Bilbao, een stad die haar grafische roots (L.J. Coster) herontdekt en een stad die ruimte biedt aan culturele diversiteit. Groeien in ruimtelijk opzicht hoeft Haarlem niet meer per se; de toekomst is aan inbreiden, opknappen, helen, verbinden en meer samenhang aanbrengen.

Betere verbindingen Na deze eerste weging wordt Haarlem-Oost onder het vergrootglas gelegd. Hier concentreert zich de laatste tijd de vernieuwing van de stad, nadat eerder de binnenstad alle aandacht voor zich opeiste (Enschedé-terrein, Raaks, Ripperda). Oost staat voor een grote naoorlogse uitbreiding (Schalkwijk) en bedrijventerreinen (Waarderpolder), maar ook voor intiem wonen achter de Amsterdamsevaart. Ernst Damen, projectontwikkelaar bij Elan Wonen, koos de Amerikaweg in Schalkwijk als zijn plek, om aan te geven dat dit woongebied wel degelijk kwaliteiten heeft. ‘Het probleem is alleen: niemand ervaart ze. Schalkwijk kent veel mooie groene en blauwe plekken, maar die moeten veel beter zichtbaar en te ervaren zijn.’ Een mogelijke oplossing is volgens Damen om de wijk beter met de rest van de stad te verbinden en daar plekken als de vaart langs de Amerikaweg voor te gebruiken. Bijkomend voordeel is dat de 35.000 inwoners van Schalkwijk – waarvan het merendeel er zeer plezierig woont – dan meer het gevoel krijgen onderdeel te zijn van de stad Haarlem. De stad wordt er gevoelsmatig kleiner van. Damen: ‘Andersom geredeneerd wordt Schalkwijk ook interessanter voor de andere Haarlemmers. Zeker als we erin slagen aan het middengebied wijkoverstijgende functies toe te voegen.’ Ook herbestemming van leegstaande gebouwen kan hieraan bijdragen. Zo is de verhuur van het voormalige Belastingkantoor aan allerlei creatieve bedrijfjes een doorslaand succes. Het werkt als katalysator voor de verbetering van het imago van Schalkwijk. Op andere plekken in de stad (zoals het Connexxion-terrein) verdient zo’n benadering navolging, luidt de conclusie aan tafel. En: leg van te voren niet te veel vast. Geef letterlijk ruimte aan creatieve mensen en bedrijven om zich de plek eigen te maken.

Profielen versmallen Kenmerkend onderdeel van het naoorlogse Schalkwijk – kind van het modernistische stadsdenken uit die tijd – zijn de fors geprofileerde wegen die de wijk doorsnijden. Joeri Stork, programmamanager Schalkwijk bij de gemeente Haarlem, heeft het kruispunt van de Toekanweg en Europaweg uitgekozen om zijn punt te maken: ‘Kijk om je heen en je ziet een volstrekt verloren gebied. Je denkt alleen maar: hoe kom ik hier zo snel mogelijk weg.’ De meeste bewoners zijn tevreden, maar juist deze wegen en aangrenzende anonieme bebouwing dragen volgens Stork bij aan het negatieve imago van Schalkwijk. Er zou veel gewonnen kunnen worden door de profielen van de wegen drastisch te versmallen en het karakter van stadsstraten te geven. De tafel meent dat hiervoor al lang plannen zijn ontwikkeld (Schalkwijk 2000+), maar dat de politiek niet het lef heeft getoond om deze te realiseren. Een snelle rekensom wijst uit dat alleen al de Amerikaweg 10 hectare binnenstedelijke bouwgrond kan opleveren. Het is een goed idee hierover met de bewoners in gesprek te gaan. Niet op een inspraakachtige manier, maar als een verkenning van kansen. Het betrekken van de belanghebbenden in de wijk bij de visieontwikkeling voor Schalkwijk moet worden doorgetrokken naar andere stakeholders, zoals de grote bedrijven in het gebied. Partijen als Van der Valk, die er met een groot hotel zit: hoe kijken zij tegen de toekomst aan? Maar ook het Kennemer Gasthuis en de diverse kantoorgebruikers: betrek ze bij de toekomst van de wijk. Vervolgens is het zaak om de verschillende initiatieven te verbinden. Anders bestaat het gevaar dat iedereen zijn eigen ‘postzegel’ in de wijk ontwikkelt. Een regisserende, investerende rol van een hogere overheid (provincie en mogelijk zelfs het Rijk) is daarbij wenselijk.

Stagnerende plannen Iets verder naar het noorden ligt de locatie die Zeger Woudenberg, programmamanager en landschapsarchitect, heeft uitgekozen. Een prachtig laantje in Parkwijk, dat treurig doodloopt op de laad- en losplaats van het zieltogende winkelcentrum Zuiderpark. ‘Drie jaar geleden zijn er al plannen gemaakt voor dit centrum, maar er is nog steeds niets gebeurd.’ Woudenberg concludeert dat er in Haarlem veel wordt gepraat, maar weinig gebeurt. ‘Voor dit soort locaties zijn er grote ambities, maar is er ook een fors programma nodig om het benodigde geld te genereren, niet in de laatste plaats voor de grondexploitatie van de gemeente.’ Gevolg: plannen stagneren, partijen houden elkaar in een wurggreep en de buurt kijkt tegen een steeds verder verloederend winkelcentrum aan. De Verelendung is echter nog niet zo groot dat er werkelijk urgentie ontstaat om in te grijpen. Een overkoepelend probleem, zo constateert de tafel, is dat gemeenten (ook Haarlem) in de ‘goede tijd’ grondexploitaties hebben opgesteld, die er in het nieuwe tijdsgewricht niet meer ‘uit’ kunnen. Afwaardering lijkt onvermijdelijk, net zoals vastgoedeigenaren de waarde van hun bezit neerwaarts moeten bijstellen, en dan opnieuw vanaf nul beginnen. Een andere suggestie is om dit soort gebieden bestemmingsvrij te maken, waarna ‘van onderop’ een transformatieproces op gang kan komen. Voor een gemeente betekent dit een compleet andere manier van werken – alleen de brandweer zou nog enige eisen mogen stellen – maar het kan voorkomen dat een winkelcentrum als dit nog verder afglijdt.

Hoefijzer om de stad Op steenworp afstand noordwaarts staat de Boschtoren: de keuze van Haarlems stadsbouwmeester Max van Aerschot. De afgelopen tijd was hij druk bezig om een nieuwe ruimtelijke agenda voor Haarlem op te stellen: ‘Een kwestie van eerst goed ontvlechten. Niet alleen ruimtelijk, maar ook organisatorisch. Een gemeente is vanouds sectoraal georganiseerd; daar kun je niet veel mee bij het opstellen van een samenhangende visie voor de stad.’ De Boschpoort staat volgens Van Aerschot op een plek waar significant kan worden ingegrepen in het stelsel van doodlopende oost-west wegen. Dit door het verkeer hier noordwaarts af te leiden en via een hoefijzer weer terug te leiden via de west- en zuidkant van de stad. In het verlengde hiervan kan een betere verbinding tussen de Waarderpolder en Schalkwijk worden gemaakt, als nieuwe ruggengraat van Haarlem-Oost. Wonen vindt in Schalkwijk plaats, de Waarderpolder is de plek voor nieuwe vormen van werkgelegenheid. In diverse gremia, van gemeente tot provincie en Rijksoverheid, wordt hierop inmiddels gestudeerd. Aan tafel wordt vrij krachtig beargumenteerd dat wonen en werken, met name in de Waarderpolder, juist gemengd zouden moeten worden. De functiescheiding die Van Aerschot in zijn presentatie suggereert, wordt aansluitend ook door hem zelf genuanceerd. Op een hoger schaalniveau denkt Van Aerschot aan de lijn Amsterdamse Poort/Haarlem – Haarlemmerpoort/Amsterdam. ‘Vanouds is dit een zeer belangrijke lijn in de regio, van de kust naar het hart van de hoofdstad. Die kunnen we repareren.’ De tafel reageert instemmend op het idee om op deze manier de binnenstad uit te breiden, door de omliggende wijken aan te helen en te repareren. De Amsterdamse Buurt heeft bijvoorbeeld veel potentie, maar door het verkeersgeraas blijft de buurt buiten beeld. Voor de Waarderpolder geldt hetzelfde; ook hier kan een interessante transformatie plaatsvinden. Juist omdat Haarlem als woon- en cultuurstad zo aantrekkelijk is, zullen hier ondernemers terecht komen die hechten aan een goed leefmilieu. Een vraag die onbeantwoord blijft is of de stad zelf hier programmatische keuzes in moet maken. Sommigen vinden van wel, zoals Leiden bij het station voor een biomedisch cluster heeft gekozen. Anderen pleiten meer voor een spontaan en organisch proces, waarbij hooguit enkele ‘trekkers’ worden binnengehaald. Duidelijk is in ieder geval dat een andere stedelijke verkeersafwikkeling kansen biedt voor dit deel van de stad.

In pyjama over straat De keuze van Arda Gerkens van bewonerscommissie De Remise Haarlem, leidt tot een discussie over het imago van de stad, volgens velen - zoals eerder opgemerkt - zelfgenoegzaam, saai en conservatief. Maar volgens Gerkens is het culturele klimaat van Haarlem niet altijd zo behoudend geweest. 'In de jaren tachtig kon je, bij wijze van spreken, in pyjama over straat en keek niemand ervan op.’ Woningbouwproject De Korrels aan de Schotersingel staat wat haar betreft voor een mooie verbinding van oud en nieuw. ‘Hier is gedurfd met nieuwe materialen en mooie details gewerkt. Het heeft veel weg van de ambachtelijke manier van bouwen die we in Haarlem goed kennen, maar die in recente projecten, zoals op het Droste-terrein, buiten beeld is geraakt.’ Hoe kan ervoor worden gezorgd dat toekomstige projecten ook de kwaliteit van De Korrels krijgen? En dat Haarlem onderscheidend durft te zijn qua architectuur? De crisis wordt in dit verband als positieve factor beschouwd: de behoudzucht onder de ontwikkelaars verdwijnt, omdat de consument niet meer alles klakkeloos afneemt. Bovendien is de woningmarktpositie van Haarlem nog steeds uitstekend. Dat geeft de gemeente de kans om extra eisen te stellen ten aanzien van de kwaliteit van stedenbouw en architectuur. Daarmee kan Haarlem in breder cultureel opzicht haar eigen identiteit versterken. In het Patronaat, de Philharmonie en de Toneelschuur vinden al geruime tijd activiteiten plaats die anders zijn dan in andere steden; die eigenheid kan nog verder versterkt worden.

Een beetje netjes graag Haarlem mag dan veel te bieden hebben, er zijn ook plekken waar men het nadrukkelijk heeft laten lopen. Dat is althans de conclusie van Marc Hanou, beleidsadviseur bij de provincie Noord-Holland, over het Pim Muliersportpark aan de uiterste noordwestkant van de gemeente. ‘Haarlem is een schitterende stad, er is heel veel, maar dit is niet netjes gedaan. Honderdduizenden mensen komen hier jaarlijks naar honkbal kijken, maar de openbare ruimte ziet er niet uit.’ Volgens Hanou had het plan in deze vorm nooit zo gerealiseerd mogen worden en daarvoor krijgt hij steun van de anderen aan tafel. Er ontbrak een kaderstellend beleid op een hoger schaalniveau voor dit soort voorzieningen, zo wordt gereconstrueerd. Daardoor kunnen incidenten ontstaan, met jammerlijke gevolgen. De plannen die Van Aerschot momenteel ontwikkelt moeten in deze lacune voorzien. Met daarbij de belangrijke aanbeveling dat Haarlem kritischer moet worden in wat de stad wel en niet accepteert.

Over de weg heen Aan het slot van de rondgang door de stad laat Ton van Oosten, directeur van Cradle of Development, zien hoe de verkeersafwikkeling ook op microniveau de kwaliteit van de stad kan bepalen. ‘De kruising van de Zijlweg en Leidschevaart is nu een enorme plak asfalt en vormt een barrière tussen binnenstad en aangrenzende wijk. Door die te slechten, kan het fijnmazige en het authentieke van de Zijlstraat over de weg heen worden getrokken.’ Zo krijgt de omliggende wijk, aldus Van Oosten, een echte kwaliteitsimpuls, terwijl tegelijkertijd de binnenstad wordt uitgebreid en de totale stad stedelijker wordt. Een pleidooi dat anderen onderschrijven: waarom moet het alleen in de binnenstad interessant en aantrekkelijk zijn, zorg ook elders voor leven in de brouwerij. De gemeente zou daarbij vooral een faciliterende rol moeten spelen en waar mogelijk – zoals nu is gebeurd door er de dienst Publieke Werken te vestigen – zelf de levendigheid moeten versterken, vervolgt Van Oosten. De overheid is als grote vastgoedeigenaar (Rijksgebouwendienst, provincie, gemeente) sterk in de stad aanwezig. Daarmee heeft de gemeente volop gelegenheid om met haar vastgoedportefeuille strategisch ontwikkelingen te sturen. Bijvoorbeeld door leegkomende publieke gebouwen het genoemde predikaat ‘bestemmingsvrij’ te geven en de markt uit te dagen met interessante ideeën te komen. Het imago van Haarlem als stad met een traditioneel sterke grafische sector zou een ankerpunt kunnen vormen voor allerlei bedrijven in de creatieve sfeer, die in een stad als Amsterdam lastig een plek kunnen vinden.

Zo eindigt een rondgang langs zeven locaties, waarbij elke plek aanleiding was voor meer overkoepelende bespiegelingen. Bespiegelingen waaruit duidelijk blijkt dat een nieuwe tijd aanstaande is, waarin op een andere manier aan stadsontwikkeling zal worden gedaan: kleiner, organischer, meer gemengd en beter inspelend op wat er aan bestaande kwaliteiten aanwezig is. De gemeente is daarbij niet meer de allesbepalende partij, maar zal veel meer in coalitieverband met andere partijen optreden. Dat is voor iedereen wennen, maar de huidige crisistijd biedt voor alle partijen volop kansen om een en ander goed te doordenken.

Genodigden voor het gesprek: Ernst Damen: Elan Wonen, projectontwikkelaar Gerrie Blok: Ymere, regiodirecteur Haarlem Joeri Stork: gemeente Haarlem, programmamanager Schalkwijk Zeger Woudenberg: bureau Stedelijke Ontwikkeling, programmamanager en landschapsarchitect Max van Aerschot: gemeente Haarlem, stadsbouwmeester Arda Gerkens: bewonerscommissie De Remise Haarlem; voormalig Tweede-Kamerlid SP Marc Hanou: provincie Noord Holland, beleidsadviseur Ruimtelijke Inrichting Ton van Oosten: Cradle of Development, directeur