zoekresultaten

Warmoesstraat

Amsterdam

Rechtbank

Zutphen

AaBe Fabriek

Tilburg, Piushaven

Post Utrecht

Utrecht, Neude

Inspiratie uit erfgoed

24 juni 2019

Verslag openingsavond Dag van de Architectuur Als opening voor de Dag van de Architectuur vond op vrijdag 14 juni in het Utrechtse stadhuis een lezingenavond plaats over drie interessante renovatieprojecten in de Domstad. Die van het inmiddels heropende Stadhuis, de recent afgeronde transformatie van Nijenoord en de nog in gang zijnde verbouwing van Post Utrecht. Lees hier het uitgebreide verslag van Maurice Hengeveld van deze dag.

Vergunningstraject bij herbestemming Erfgoed

01 februari 2019

“Als je het over de uitgangspunten eens bent, dan is de rest bijna een invuloefening” Een nieuwe functie inpassen in een Rijksmonument lijkt voor veel opdrachtgevers een complexe opgave. Als je de ingrepen op een weloverwogen en gefundeerde wijze onderbouwt, blijkt het vergunningstraject vaak makkelijker te doorlopen dat gedacht. Aldus Senior Ontwerper Erfgoed Karianne Vandenbroucke. Ze geeft regelmatig lezingen over het maken van een overtuigend ontwerp en het doorlopen van het vergunningstraject bij herbestemming van een monument. De herbestemming van het voormalige Hoofdpostkantoor aan het Neude te Utrecht en het voormalige hoofdkantoor van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal 225 in Amsterdam, zijn goede voorbeelden waarin Rijnboutt haar expertise met herbestemming van erfgoed heeft kunnen toepassen. Cirkelvormig proces De rode lijn voor het hele proces van een vergunningstraject is voldoende vooroverleg met alle partijen en het vastleggen van uitgangspunten met de opdrachtgever en monumentenzorg. Karianne: “In theorie is de voortgang van een project vanaf het verkrijgen van de opdracht tot het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning rechtlijnig. In werkelijkheid is het vaak een cirkelvormig proces, waarbij je regelmatig een paar stappen terug moet omdat er veel partijen invloed hebben op het proces en het ontwerp. Als je hier vantevoren al rekening mee houdt en hier ruimte voor houdt in je eigen proces, geeft dat veel minder onverwachte vertraging en frustratie achteraf.” Eisen en uitgangspunten Nog voordat er wordt ontworpen, onderzoekt Rijnboutt wat voor dit monument de kenmerken en karakteristieken zijn die ze wilt behouden en versterken. De kernwaarden van zowel het Hoofdpostkantoor als van het hoofdkantoor van De Telegraaf zijn niet alleen de imposante positie in het straatbeeld en de bijzondere details in interieur en exterieur. Vooral dat in het eerste kwart van de twintigste eeuw voor dit soort binnenstedelijke diensten en industrie een nieuwe, eigen typologie werd ontwikkeld en hoe deze tot uiting komt in het ontwerp van het gebouw is een belangrijke erfgoedwaarde. Naast de kernwaarden van het bestaande gebouw worden de belangrijkste eisen voor het nieuwe programma vastgesteld samen met de opdrachtgever. Er wordt onderzocht waar deze eisen en het bestaande gebouw elkaar versterken en waar ze elkaar juist in de weg zitten. Karianne: “Als je het over deze uitgangspunten eens bent met de belangrijkste partijen, dan is de rest van het ontwerp bijna een invuloefening.” Welstand en de regio Wanneer met de uitgangspunten in nauw overleg met de opdrachtgever een voorlopig ontwerp gemaakt is, bespreekt Rijnboutt dit ontwerp met bijvoorbeeld Welstand en belangenorganisaties in de regio. Als alle partijen het eens zijn over de grote lijnen van de ingrepen, is het ontwerp klaar voor indiening en zal het formele vergunningstraject makkelijker doorlopen worden. Aansprekend pand Olaf Nieuwenhuis van Kroonenberg Groep herkent deze werkwijze van Rijnboutt. Kroonenberg Groep en Rijnboutt hebben samen al verschillende complexe herbestemmingsopgaven gedaan, zoals The Bank aan het Rembrandplein te Amsterdam. Daarnaast heeft Kroonenberg Groep ervaring met het herontwikkelen van diverse winkelcentra en grote en kleine retailpanden in verschillende winkelgebieden door heel Nederland, ook met toevoeging van nieuwe functies als bijvoorbeeld wonen. “Het voormalige hoofdkantoor van De Telegraaf in Amsterdam staat op een hele mooie plek in het centrum en is een groot, zelfstandig volume. Vanaf de bovenste verdieping heb je een geweldige uitzicht over de stad,” vertelt Olaf Nieuwenhuis van Kroonenberg Groep. “Het staat in een bijzonder gebied en heeft vanwege zijn historie en erfgoedwaarde een karakteristieke uitstraling, wat Kroonenberg Groep aanspreekt. Omdat in het interieur door vorige eigenaren al veel monumentale onderdelen verwijderd waren, is er aanleiding en ruimte om goede en moderne kantoren te creëren. Dat net de oorspronkelijke trappenhuizen nog wel aanwezig zijn, sluit aan bij het mooie monumentale karakter van het pand en zal de gebruiker hopelijk stimuleren wat vaker de trap te nemen dan de lift.” Uitdagend vergunningstraject “De grootste uitdaging in het vergunningstraject was het creëren van de koppeling met ons bezit aan de Kalverstraat 28, ook een monument. Uit onderzoek dat Rijnboutt van tevoren had gedaan naar beide panden en het gebied daartussen, bleek dat er vanuit de geschiedenis een goed argument naar voren kwam om deze koppeling mogelijk te maken, namelijk dat de betreffende perceelgrens altijd diffuus was. Door een zorgvuldige aanpak en goede begeleiding van het proces hebben wij voor deze koppeling en de hele herbestemming een vergunning verkregen. In mijn ogen is het vergunningstraject uiteindelijk dan ook meegevallen. Beslistrajecten bij de gemeente heb je niet zelf in de hand, zij willen en moeten tenslotte ook een zorgvuldig proces doorlopen. Kroonenberg Groep realiseert ontwikkelingen voor de lange termijn, die goed zijn voor de eigen omgeving en daardoor ook voor de stad. Je zit ondanks verschillende ideeën over doorlooptijden uiteindelijk dus vaak op een lijn. Met de herbestemming van Nieuwezijds Voorburgwal 225 wordt een pand hergebruikt dat vanuit de historie in basis goed gebouwd is: dat is altijd een duurzame invulling van een pand en van een plek.”

Wie is de nieuwe erfgoedprofessional?

13 november 2018

Albany Business College, New York, begin 20e eeuw. Bron: Flickr Steeds luider klinkt de roep om een ‘nieuwe erfgoedprofessional’ die zich tegenover de ‘oude erfgoedprofessional’ positioneert. Daarvan bestaat een beeld van een norse en starre bouwtechnicus die potentiële herbestemming van monumenten in de weg staat vanwege de conservatieve manier van werken. Deze ‘oude erfgoedprofessional’ denkt sectoraal en wilt het liefst een stolp over al wat oud is. De erfgoedprofessional als alleskunner De nieuwe erfgoedprofessional daarentegen zet erfgoed in als factor voor een herbestemming van een gebouw, of liever zelfs als vector voor de herontwikkeling van steden en landschappen. In artikelen en op congressen en symposia worden de eigenschappen van deze nieuwe erfgoedprofessional besproken. Het blijkt een duizendpoot te zijn: jong van geest, creatief aangelegd en in staat om out of the box te denken. Een flexibele houding is belangrijk, evenals bevlogenheid en doorzettingsvermogen. Hij of zij bezit technisch inzicht in erfgoed en constructieve kennis van nieuw toe te voegen onderdelen. Maar ook inzichten in marktwaarde van huidige én nieuwe toestand, investeringskosten en de slagingskans van stedelijke inpassing van nieuwe functies in de omgeving. Naast deze technische en financiële kennis, zijn de vereiste soft-skills niet te onderschatten: de erfgoedprofessional is een ervaren projectmanager, communicatief vaardig en kan het verhaal van het erfgoed en de herbestemming overtuigend vertellen én verbeelden. Hij of zij is tegelijkertijd in staat goed te luisteren en alle belangengroepen te woord te staan en hun wensen te integreren in het project – van vergunningverlenende instanties tot buurtbewoners. De kennis van wet- en regelgeving is zo diepgaand, dat hij of zij in staat is de grenzen van regels op te zoeken zonder daadwerkelijk gaten in de wet te hoeven gebruiken. En niet te vergeten is hij of zij natuurlijk in staat om de waarde van het erfgoed – tastbaar of immaterieel – juist in te schatten door gedegen kennis van geschiedenis, architectuur en stedenbouw, en deze waarde voortreffelijk af te wegen tegen functionaliteit en wensen ten aanzien van het nieuwe programma. En vergeet duurzaamheid niet! Kortom, er wordt gevraagd om een zeer breed geschoolde generalist. Met specialisten naar een hoog niveau Over deze combinatie van eigenschappen die de nieuwe erfgoedprofessional moet bezitten wordt uitgebreid gesproken. Minder breed is de discussie hoe wij studenten opleiden om tot dergelijke generalistische erfgoedprofessionals? Wat moet een afgestudeerde architect / projectmanager / erfgoeddeskundige / bouwhistoricus / journalist / jurist / bedrijfskundige weten en kunnen om voorbereid te zijn op de praktijk? Als ik voor een herbestemmingsproject met een team rond de tafel zit, verwacht ik dat iedereen rond die tafel kennis en ervaring inbrengt en elkaar zo aanvult. Ik verwacht van projectgenoten kennis en ervaring op een specifiek vakgebied, zodat vanuit hun specialistische kennis een samenwerking op hoog niveau ontstaat. Je kunt alleen een integraal project maken als iedereen een even waardevolle bijdrage levert op zijn of haar eigen vakgebied. Hoe hoger de kwaliteit van die individuele bijdragen, hoe hoger de kwaliteit van het eindresultaat. Dat veronderstelt natuurlijk wel dat iemand in dat team aan die tafel als specialisme projectleiding heeft. Ik heb het dan niet over de wat smal gedefinieerde rol van de projectmanager, die meestal vooral oog heeft voor budget en planning. Ik heb het over een echte teamleider, die zorg draagt voor een goede samenwerking binnen het team en de visie op de opgave en kwaliteit van het eindresultaat voor ogen houdt– waarvan het halen van budget en planning slechts onderdelen zijn. Deze specialist heeft waarschijnlijk meer dan de anderen notie van de inhoud van de verschillende vakgebieden, maar hoeft deze niet te beheersen. De dirigent van een symfonieorkest hoeft niet alle instrumenten te kunnen spelen om te weten hoe ze samen klinken. De dirigent is ook niet alleen bezig met het droog instuderen van een bepaald stuk voor een zekere datum. Hij of zij zorgt er voor dat het samenspel van het orkest een hoger niveau bereikt dan de simpele optelsom van het werk van individuele, zeer kundige musici. Leer studenten een vak In antwoord op de vraag hoe onze studenten op te leiden pleit ik voor meer specialisatie, ofwel: leer studenten een vak. Een brede basis is belangrijk, maar laat studenten ook voldoende de diepte in gaan, zodat ze echt weten waar ze het over hebben en ervaring in het eigen vakgebied opdoen. Leer de student te zien waar zijn of haar kennis ophoudt, wanneer hulp te zoeken en bij wie. Laat de student daarom kennis maken met andere vakgebieden, maar alleen om voldoende notie op te doen van andere vakgebieden om te weten wat deze in potentie bijdragen; niet met de pretentie na deze kennismaking daadwerkelijk verstand te hebben van het andere vakgebied. Leer de student kritisch te luisteren en te kijken, door te vragen en nieuwe informatie op gedegen wijze te verwerken, zonder daarbij de waarde van de eigen bijdrage te verwaarlozen. Geef de student voldoende zelfvertrouwen dat hij of zij gelooft in de kwaliteit van die eigen bijdrage en voldoende moed om wanneer nodig, star vast te houden aan de eigen overtuiging, soms tot op het norse af. Karianne Vandenbroucke is senior ontwerper erfgoed bij Rijnboutt (Amsterdam), opgeleid als ingenieur-architect aan Universiteit Leuven met een Master of Science in Conservation of Monuments and Sites van het Raymond Lemaire International Centre of Conservation. Ze werkte o.a. bij architectenbureau Fritz en Rappange&Partners architecten en als restauratiearchitect bij Vereniging Hendrick de Keyser. Karianne brengt bij Rijnboutt kennis en ervaring in bij het begeleiden en opleiden van medewerkers die te maken hebben met gebouwd erfgoed.

Rijnboutt geselecteerd door het Ministerie van Maak!

17 augustus 2022

Stel je voor dat we op een duurzame en verantwoorde manier 10.000 woningen toevoegen aan Middelburg, hoofdstad van de provincie Zeeland op het prachtige schiereiland Walcheren. Het gebied telt momenteel zo’n 25.000 woningen, drie erfgoedlocaties en veel landbouw, recreatie en natuur. Wat wordt ons verhaal? Rijnboutt is als een van de honderd deelnemers geselecteerd door het interministeriële Ministerie van Maak!, een intiatief van de Internationale Architectuur Biennale Rotterdam (IABR), MANN en ZUS.   Het Ministerie van Maak! heeft honderd ontwerpers en experts opgeroepen om hun collectieve kennis en verbeeldingskracht in te zetten om tot nieuwe ontwerpen voor Nederland te komen. Hiermee wil ze een bijdrage leveren aan de radicale verbouwing van Nederland en concrete oplossingen bieden voor het woningtekort, de energietransitie en de gevolgen van klimaatverandering. Bovendien spoort het Ministerie van Maak! aan tot reflectie op de manier waarop de bestaande overheidsstructuren hiermee omgaan. 1 miljoen extra klimaatbestendige woningen Het hoofddoel van het Ministerie is in een ruimtelijke benadering de oplossing voor verschillende maatschappelijke uitdagingen samen te brengen, denk aan: de consequenties van klimaatverandering, bodemdaling, de zeespiegelstijging, de stikstofproblematiek en de energietransitie. Concreet wil het Ministerie op een verantwoorde manier aan de woningbouwopgave van 1 miljoen extra klimaatbestendige woningen te werken. Daarnaast is het zaak oplossingen te vinden voor conflicterende regelgeving en de behoefte aan alternatieve samenlevings- en financieringsvormen. Een visie voor de uitbreiding van Middelburg Als een van de honderd geselecteerde deelnemers van het Ministerie van Maak kijken we ernaar uit om bij te dragen aan concrete oplossingen voor hedendaagse problemen, zoals het woningtekort, klimaatverandering, de energietransitie en de waterschaarste (en soms -overvloed). Iedere deelnemer heeft een testlocatie toegewezen gekregen en zal voor zijn locatie een ontwerp van 10.000 woningen maken. Wij gaan aan de slag met een visie voor de uitbreiding van Middelburg. We gaan voor een gemengde stad waar voor iedereen een plek is, waar gewoond én gewerkt wordt, waar ruimte is voor mens en dier. De gemengde stad is niet alleen integraal en inclusief in gebruik, maar is ook duurzaam in de breedste zin van het woord: energiezuinig, gezond, natuurinclusief en circulair. Onze persoonlijke fascinatie voor water en de invloed daarvan op het welzijn en de mogelijkheden van een stad, komt zeer goed van pas bij deze locatie. De grootste maquette van Nederland Onze ruimtelijke oplossing voor Middelburg wordt verbeeld in zowel een maquette als een video. Van het Ministerie van Maak ontvangen we een Test Kit met daarin alle benodigdheden. Het geheel aan ruimtelijke oplossingen van alle deelnemers wordt samengebracht tot de grootste Nederlandse maquette ooit. Deze zal van 14 oktober – 13 november 2022te zien zijn tijdens de tiende editie van de architectuurtentoonstelling van de Internationale Architectuur Biennale Rotterdam. Meer info: www.ministerievanmaak.nl Afbeeldingen: © IABR, ZUS en MANN

Rijnboutt als BIM-expert

15 juni 2022

Rijnboutt staat bekend als een vooruitstrevende en betrouwbare BIM-partner voor opdrachtgevers, adviseurs en aannemers. Maar we hebben als bureau hogere ambities: we willen een hoge kwaliteit en betrouwbaarheid bieden én aanjagers zijn van onderzoek en innovatie.   Onze BIM-modellen dienen in veel projecten als een onmisbaar ontwerpinstrument, een bron voor betrouwbare en nauwkeurige informatie. Het zorgt voor het waarborgen van de kwaliteit en voor een goede communicatie voor zowel het bureau zelf als voor de ontwerppartners, opdrachtgevers en bouwpartners met wie we nauw samenwerken. “Daar ligt onze kracht: wij hebben veel kennis en (technische) expertise in huis om meer uit de digitale bouwmodellen te halen en waardevolle data aan te bieden aan opdrachtgevers in het ontwerpproces”, zegt architect-partner Maarten Castelijns. “Door samen met de ontwerppartners een integrale BIM-aanpak op te zetten, kunnen we gerichter sturen en in een vroeg stadium betrouwbare informatie leveren. Dat levert meer focus op in het gesprek met de opdrachtgever en zorgt dat we nog krachtiger en efficiënter kunnen ontwerpen dan in de traditionele projecten. Daarnaast kunnen we opdrachtgevers meenemen die niet bekend of onervaren zijn met BIM. Ook kunnen we ontwerppartners die de BIM-ambitie nastreven erbij betrekken.” Compact BIM-team Om de ambitie waar te maken hebben we een compact BIM-kernteam samengesteld waarin Maarten Castelijns en BIM-manager Max Both, samen verantwoordelijk zijn voor de borging van de kwaliteit en betrouwbaarheid van BIM binnen het bureau. Zij worden ondersteund door twee gespecialiseerde BIM-experts: architect Dario Sposini zorgt voor de innovatie en integratie van het ontwerp en technisch ontwerper Lennart Brink voor de technische fase en de interne kwaliteit. Samen zijn ze verantwoordelijk voor de interne scholing van zowel de ontwerpers als de technici op het gebied van BIM via de Rijnboutt Academy. Rijnboutt is onlangs al begonnen met een serie korte per kwartaal terugkerende trainingen. De in een kennisdatabank opgeslagen informatie wordt op een laagdrempelige en toegankelijke manier met alle medewerkers gedeeld. Zo neemt de kennis over de breedte van het bureau toe en leggen we de kennis van BIM niet meer bij één persoon, maar zorgt het dat er meer BIM-verantwoordelijken met affiniteit en kennis van BIM binnen het bureau samenwerken. Het kernteam zorgt daarnaast voor de nodige BIM-structuur en projectgerichte sturing. Vanaf de start van elk project kan het ontwerpteam zodoende samenwerken volgens heldere en per project specifieke BIM-afspraken die zijn vastgelegd in een BIM-protocol voor nieuwbouw, herbestemming en erfgoed. “BIM kun je zien als een groot organisch model. De mogelijkheden zijn eindeloos; je kunt het zo uitgebreid maken als je wilt, maar je moet focussen en keuzes maken in wat voor welk project relevant is,” zegt Max. Vanaf de ontwerpfase Max is binnen het kernteam ook gesprekspartner voor externe partijen en verantwoordelijk voor het onder de aandacht brengen van BIM bij opdrachtgevers, adviseurs en aannemers en het maken van heldere afspraken. Omdat elke ontwerpopgave waar wij aan werken uniek is, is een specifieke BIM-aanpak nodig die goed aansluit op de wensen en eisen van een opgave. Het kernteam haakt aan bij elk project zodat BIM in elke fase de gewenste aandacht krijgt. We passen BIM dan ook het liefst toe vanaf het eerste conceptuele schetsontwerp tot aan de allerlaatste schroef in de realisatie – of het nu een stedenbouwkundig, architectonisch of interieurontwerp betreft. “De grootste pijler van BIM is het creëren van een snelle manier om betrouwbare informatie te leveren in de ontwerpfase. Want juist in die periode kunnen er veel onzekerheden zijn waardoor een plan later niet haalbaar blijkt te zijn en je weer opnieuw naar de tekentafel moet. Dat kost veel tijd en geld. Het werkt effectiever voor beide partijen, voor ons en de opdrachtgever”, zegt Max. Maarten vult aan: “Doordat we in een vroeg stadium meer informatie hebben, kan de opdrachtgever de opbrengsten en kosten veel specifieker definiëren waardoor de onzekerheden kleiner worden.” “Dat is ook vaker de duidelijke wens van grote ontwikkelaars en beleggers die op een steeds vroeger moment die informatie willen”, weet Max.  Creativiteit en experiment “We willen de potentie van BIM gebruiken om er het meeste uit te halen”, zegt Dario. “In het ontwerpproces is de tijd altijd beperkt. Maar als je weet wat de doelen en de behoeftes zijn en hoe je het proces eenvoudiger en sneller kan krijgen zonder dat de kaders van het model je in je mogelijkheden en creativiteit beknot, kan BIM als dienend middel fungeren. Het kan eraan bijdragen dat we tijdens de ontwerpfase niet onnodig tijd verspillen maar juist extra vrijheid en tijd creëren voor het design, creativiteit, research en experiment in het ontwerp. De uitdaging is om dat in balans te brengen”, zegt hij. “We willen de technisch ontwerpers en de architect-ontwerpers laten samenwerken zodat ze op dezelfde manier naar de waardes van BIM kijken. Dat zal de kwaliteit van een project ten goede komen”, vult Lennart aan. Vernieuwing en innovatie In de ambitie om voorop te lopen hechten we grote waarde aan vernieuwing en innovatie binnen het BIM-werkveld. Naast onderzoek in samenwerking met het Atelier Rijksbouwmeester naar een verregaande integratie van erfgoedinformatie in BIM-modellen van bestaande monumentale gebouwen, het BIM-loket en de BNA, ondersteunt Rijnboutt Open BIM waarbij de software het mogelijk maakt om IFC’s (universeel uitwisselbare bestandsformaten) te genereren. Hierdoor kunnen bestanden worden samengevoegd en kan en er goed worden samengewerkt. Binnen Rijnboutt krijgen BIM-experts over de breedte van het bureau de mogelijkheid aan onderzoek en ontwikkeling te doen. Zo kunnen ze de BIM-standaarden in de modellen aanscherpen en experimenteren met de nieuwste technologieën, zoals parametrisch ontwerpen en circulair bouwen. Van papierarchitectuur naar digitaal De wisselwerking tussen de analoge en digitale in- en output is een integraal onderdeel van het ontwerpproces. “Ondanks dat het tot nog toe een vrij 2D-gedreven platform is, verschuiven we steeds meer van papierarchitectuur richting 3D-modellen”, weet Lennart. “We integreren beiden door het gebruik van 3D-visualisaties, Augmented Reality, Virtual Reality en 3D-prints vanuit het BIM-model.” Lang niet alle architecten kunnen dat: Rijnboutt heeft de expertise om een gebouw zeer gedetailleerd te modelleren in 3D vanaf het SO, zodat IFC-bestanden kunnen worden uitgewisseld. Vanaf het VO worden hier bouwkundige elementen aan toegevoegd zoals vloeren, wanden en daken. Vanaf dit moment kunnen betrokken partijen zoals adviseurs actief met ons mee ontwerpen en eventuele knelpunten in een vroeg stadium oplossen. De digitale wereld wordt hiermee tastbaarder en concreter, je kunt een heel stedenbouwkundig plan beleven vanuit vogelvlucht en vanaf het straatniveau. Het realistische en goed doordachte ontwerp kunnen we vervolgens afstemmen met de aannemers. Stedenbouwkundig BIM-model We willen de mogelijkheden van BIM verder verbreden bij het opstellen van een stedenbouwkundig plan, waar ontwerpbeslissingen een grote impact hebben op de verdere uitwerking. “Betrouwbare informatie vanuit een stedenbouwkundig BIM-model wordt nog maar zeer beperkt toegepast maar kan goed helpen om hier in een vroeg stadium meer grip op de ontwikkeling te krijgen. Up-to-date informatie uit het BIM-model tijdens het ontwerpproces kan worden geïntegreerd zoals digitale zonne- en schaduwanalyses, windhinder, geluidsbelasting, waterretentie en verkeersanalyses, maar ook de hoeveel groen ten opzichte van stenen bij natuur-inclusief bouwen. Dit kan met name voor opdrachtgevers en gemeentes heel interessant zijn”, zegt Maarten, “en helpt ons duurzame, inclusieve en wendbare steden te ontwikkelen.”   Tekst: Viveka van de Vliet Foto’s: Kees Hummel BIM model Rokin Amsterdam: Rijnboutt

Vooruitkijken naar de toekomst

06 januari 2022

Deze titel is ontleend aan het nieuwe coalitieakkoord waarbinnen de start moet worden gemaakt aan een nieuw Nederland. Want hoewel ik me realiseer dat 75% van wat er nu al gebouwd of aangelegd is, er over 30 jaar nog steeds is, zal ons land ook onherkenbaar veranderd moeten zijn. Weerbaarder, duurzamer, inclusiever en gezonder. Veel belangrijke keuzes die decennialang zijn uitgesteld, zullen nu gemaakt moeten worden.   Veel opgaven zijn al urgent, en met een mogelijke toename van ons inwoneraantal tot 20 miljoen in 2050 kan er niet langer worden gewacht. Nu al deelt lang niet iedereen mee in de welvaart van Nederland. Nu al ervaren we de problemen van klimaatverandering in de wateropgave en het natuurbehoud. En nu al kampt ons land met vraagstukken van afnemende leefbaarheid door de milieudruk van verkeer, industrie, landbouw en consumptie. Allemaal opgaven die zich niet vanzelf oplossen. De ontwikkeling van de stad is allesbehalve een gezonde ontwikkeling geweest. Vervuiling, overbelasting, verkeer, pandemieën, uitstoot van stof, lawaai en stank, alles hoopte zich in de stad op. Zelfs na het succes van de modernistische scheiding ging dat door. Maar het tij begint te keren. De aandacht voor gezondheid, welzijn en geluk neemt toe. Ons vak van stedenbouw en architectuur ontbeert daarvoor echter nog veel kennis of meetinstrumenten. Het is veel meer dan alleen groen toevoegen. Het gaat over materialen, over beweging, over vervoersstromen, over zingeving, binnenklimaat, speelruimte. Laten we de lat altijd zo hoog mogelijk leggen en leren van onze zoektocht. Als samenleving staan we in relatie tot gezondheid voor een aantal grote maatschappelijke vraagstukken. Zo neemt de vergrijzing toe, stijgen de zorgkosten, groeit de kloof tussen lage en hoge sociaaleconomische groepen en staan we oog in oog met de gevolgen van klimaatverandering. In de stedelijke leefomgeving komen deze vraagstukken bij elkaar. En juist de stad zelf is ook volop in ontwikkeling. Als motor voor economische ontwikkeling groeit de stad en trekt zij meer en meer inwoners, forensen en bezoekers aan. Naar verwachting woont in 2050 ongeveer 70% van de wereldbevolking in de stad. Ook in Nederland blijven steden de komende jaren uitbreiden en verdichten. De genoemde maatschappelijke uitdagingen vallen daarmee samen met de groei van steden. En dat brengt ons tot de vraag hoe we de stad op de korte en lange termijn leefbaar kunnen houden voor haar inwoners. De gezonde stad Veel aspecten van de hedendaagse stad hebben een negatieve invloed op onze gezondheid. De groei van fastfoodketens en thuisbezorging maakt het bijvoorbeeld mogelijk om een gezond voedingspatroon in te ruilen voor goedkope en gemakkelijke, maar ongezonde keuzes. Ook lichamelijke inactiviteit is een zorg van deze tijd. Een actieve leefstijl wordt bepaald niet gestimuleerd door onze grotendeels geautomatiseerde leefomgeving. Bovendien is naar buiten gaan en jezelf door de stad verplaatsen ook geen onverdeeld genoegen. Veel steden kampen nog met mobiliteitsproblemen die zich uiten in files, drukte in openbaar vervoer, met fijnstof gevulde lucht en onveilige fietsroutes. In een stedelijke omgeving is het een uitdaging om de gezondheid van bewoners en bezoekers te beschermen en een gezonde leefstijl te stimuleren. Wereldwijd gezien scoren Nederlandse steden relatief goed als het gaat om gezondheid. De levensverwachting van onze stedelingen is relatief hoog en het aantal jaren dat men in goede gezondheid leeft ook. Dat willen we graag zo houden, ook als de steden in dichtheid groeien. We moeten dus zoeken naar de kansen voor steden om hun fysieke omgeving verder te optimaliseren ten gunste van de gezondheid. Want de Gezonde Stad is immers geen status quo; zij creëert en verbetert juist voortdurend haar fysieke en sociale omgeving. Onze alledaagse omgeving is een integraal onderdeel van gezondheid en speelt een fundamentele rol bij hoe gezond we zijn, als individu en als gemeenschap. Door de verwachte stedelijke groei is het een flinke opgave om onze steden fysiek zo in te richten dat een bijdrage wordt geleverd aan de gezondheid van de bewoners. Een extra uitdaging ligt er voor de wijken waar veel mensen met een lager inkomen en lagere opleiding wonen. De opgave is hier om de fysieke omgeving gezonder te maken, samen met de bewoners. En voor steden die krimpen is het de uitdaging om voorzieningen die bijdragen aan de gezondheid te behouden. Ook in de wetenschap staat gezonde verstedelijking en een gezonde leefomgeving in de belangstelling. Waar onderzoek naar het bevorderen van gezond gedrag zich tot eind jaren negentig voornamelijk op de individuele aspecten richtte (Hoe motiveer je mensen om gezond te leven?), staan de laatste 15 jaar juist kenmerken van de omgeving waarin mensen leven sterk in de belangstelling (Hoe maak je de gezonde keuze ook de makkelijke keuze?). Dergelijk onderzoek laat zien dat de buurt waarin je woont samenhangt met hoe gezond je bent en of je er een gezonde leefstijl op na houdt, óók wanneer rekening wordt gehouden met de demografische samenstelling van buurten. Ongelijkheid in gezondheid is hiermee ook geografisch een belangrijk thema. Hoe komt het dat mensen in de ene buurt gemiddeld tien jaar minder lang leven dan mensen in de andere buurt? Deze kwestie is ook voor beleidsmakers van groot belang. Gezonde steden zijn fiets- en voetgangersvriendelijk, veilig, duurzaam en klimaatbestendig, hebben gezonde gebouwen en zijn soms ook ‘rafelig’. Niet alles is bestemd en er is letterlijk ruimte over voor spontaan gebruik. Om rekening te houden met de behoeften van de toekomst, kunnen steden bijvoorbeeld zorgen dat ze voldoende groene ruimte bieden in de directe nabijheid van woningen, hitte stress tegengaan en verleiden tot bewegen. Ze kunnen weerbaar worden tegen bijvoorbeeld klimaatverandering. Al deze zaken zijn meetbaar en te monitoren. Steden moeten ook oppassen voor zeldzame en onvoorspelbare gebeurtenissen (zoals de huidige Corona-pandemie) die levens kunnen kosten en hun ontwikkeling kunnen vertragen. Dit betekent dat ze voldoende veerkrachtig moeten zijn. Gezonde ontwikkeling betekent dat aan de huidige eisen wordt voldaan zonder het potentieel voor toekomstige generaties inwoners in gevaar te brengen. De brede definitie van ‘gezondheid’ betekent dat de meting ervan verschillende dimensies moet weerspiegelen. Een gezonde stad is: • een stad die in een gezonde gebouwde omgeving voorziet: ruim, hygiënisch, respect voor cultureel erfgoed • een stad waarin je op een gemakkelijke en gezonde manier door de stad kan bewegen: fietsvriendelijk, voetgangersvriendelijk, dekkend OV netwerk, verkeersveilig • een stad die een gezonde buitenruimte creëert om in te spelen en te verblijven: buitenspelen, met groen om in te spelen, creëren van luwe plekken, zichtbaar groen • een stad die gericht is op een gezond milieu: luchtkwaliteit, geluidsoverlast en hittestress • een stad met een gezonde gemeenschapszin en ruimte voor sociale interactie: veiligheid, ontmoeting, verleiding tot bewegen links: Arcadis, Gezonde Stad Index, 2020 (in dit geval gemeten voor Nijmegen) rechts: Gehl Institute, Inclusive Healthy Places, 2018   De gezonde stad is ook slim De focus van onderzoek ligt op een tegelijk slimme en gezonde stad. Slim, omdat we de kwaliteit van onze leefomgeving centraal stellen. Slim, omdat we afval scheiden en als grondstoffen hergebruiken. Slim, omdat we ons vervoer efficiënter inrichten en onze huizen duurzamer bouwen. Gezond, omdat we geen uitlaatgassen meer willen in de stad. Gezond, omdat we de stad groener maken. Gezond, omdat onze moderne steden uitnodigen tot meer bewegen en ontmoeten. In de slimme en gezonde stad staan bewoners centraal en is het goed wonen, bewegen, werken en ontspannen. Het gaat niet alleen over groener, duurzamer en digitaler; maar ook over de vraag hoe inwoners met elkaar en met de overheid omgaan. Hoe we overlegstructuren inrichten. Die ontwikkeling is een gezamenlijk proces waarin de stad steeds meer vorm krijgt. Voorzieningen zoals medische zorg, onderwijs, transportsystemen en nutsvoorzieningen kunnen met elkaar worden verbonden via een netwerk van sensoren, internet en innovatieve technologische apparaten. Maar met nieuwe technologie alleen krijg je nog geen slimme en gezonde stad. Ook inwoners gaan zich anders gedragen. Zij wekken zelf hun energie op, delen auto’s, leasen hun kleding en interieur en zetten geen vuilnis meer buiten, maar handelen in grondstoffen. De 21ste eeuw vraagt om nieuwe coalities, om grote en kleine initiatieven van overheid, maatschappelijke organisaties, marktpartijen en kritische en betrokken mensen uit alle lagen van de samenleving die zich willen en kunnen inzetten voor een slimme, duurzame en inclusieve samenleving. Tekst: Richard Koek

Post Utrecht in Duits tijdschrift colore (Brillux)

13 december 2021

De bijzondere transformatie van Post Utrecht – waarbij een voormalig postkantoor is getransformeerd in bibliotheek, winkels en horeca – was reden voor een uitgebreid artikel in het Duitse tijdschrift colore van verfmerk Brillux. Bart Kellerhuis van Zecc Architecten en onze collega en erfgoedspecialist Karianne Vandenbroucke vertellen over de omgang met erfgoed en welke ingrepen er zijn gedaan in dit historische rijksmonument. Lees het volledige artikel:

Volgende stap voor karakteristieke en creatieve stadsbuurt Backer+Rueb in Breda

24 november 2021

De realisatie van het creatieve district Backer+Rueb komt steeds dichterbij. Niet alleen is vorige week de anterieure overeenkomst getekend door gemeente Breda en gebiedsontwikkelaar Amvest, ook is onlangs een uitgebreide ontwikkelingsvisie gepresenteerd in de vorm van een boek. Backer+Rueb wordt een bruisende stedelijke buurt met volop ruimte voor werken, horeca aan de kade en andere publieke voorzieningen.   In opdracht van Amvest en in samenwerking met de gemeente Breda heeft Rijnboutt het stedenbouwkundig plan ontworpen en het beeldkwaliteitplan opgesteld. Karres en Brands is verantwoordelijk voor de visie op de openbare ruimte. Met onze gezamenlijke plannen wordt Backer+Rueb onderdeel van het Creative District van Breda. De hele buurt ademt het industriële verleden en wordt gekleurd door kunst, cultuur en creativiteit. Het krijgt kenmerkende zachte, groene binnengebieden en stevige, meer publieke randen. Bijzondere historie In de jaren ’60 van de vorige eeuw was Backer en Rueb een levendig fabriekscomplex en één van de grootste werkgevers van de stad. Meer dan 1400 werknemers maakten er stoommachines, roltrappen en paternosterliften, ketels en allerhande andere machines. Van het destijds imposante bedrijfscomplex resteren nog enkele kenmerkende hallen. Met de herbestemming wordt het gebied weer volledig tot bloei gebracht. Van industrieel erfgoed tot nieuwbouw Backer+Rueb wordt een veelzijdige buurt van circa 500 woningen waarvan de bestaande fabrieksbebouwing de basis vormt. Het Backer en Rueb-kantoor en de hallen zijn de identiteitsdragers van het gebied en worden ook onderdeel van de publieke ruimte. De gebouwen worden opgewaardeerd tot creatieve uitwisselingsplekken door toevoegingen, doorsnijdingen en veranderingen. Ook de nieuwbouw draagt kenmerken van de industriële bebouwing, met bijzondere dakvormen, gebouwcomposities met stapeling van elementen, overstekken en forse maten. De kade aan de haven is een wandelgebied en biedt ruimte aan horeca en terrassen. Over de haven komt een definitieve brug gemaakt die de beide oevers met elkaar verbindt. De stedelijke opzet, het groene karakter en de verwevenheid met de culturele uitingen zorgt voor een levendige en aantrekkelijke nieuwe stadsbuurt. Groen, gezond en stoer In Backer+Rueb wordt het industriële karakter door de inrichting van de openbare ruimte versterkt. Het terrein wordt zo groen mogelijk en autoluw ingericht. Verharding komt alleen daar waar dit noodzakelijk is. Aan de westzijde komt een industrieel openbaar park terwijl de kade langs de haven een stoer karakter krijgt met robuuste inrichtingselementen en bijpassende beplanting. Het groen en water zorgen voor een gezonde leefomgeving en leveren een bijdrage aan klimaatadaptatie. Op weg naar een mooi eindresultaat Na het afronden van het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitplan volgt een nieuwe fase. Karres en Brands werkt de openbare ruimte verder uit. Onze collega Desirée Eggink beoordeelt in haar rol van superviserend stedenbouwkundige de plannen van de architecten en begeleidt hen richting het CRK (commissie ruimtelijke kwaliteit). In deze hoedanigheid adviseert ze of de plannen binnen de kaders van het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan passen. Naar verwachting wordt in 2022 het bestemmingsplan en de eerste omgevingsvergunning aangevraagd. Lees de volledige Ontwikkelingsvisie hieronder:   Meer informatie: www.backerenrueb.nl Visietekening en axo duurzaamheid: Rijnboutt Plantekening: Karres en Brands

De kerk als het huis van de stad

29 oktober 2021

Met de prijsvraag ‘Sublieme Schoonheid | Sublieme Duurzaamheid’ deden de Rijksbouwmeester en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in samenwerking met Architectuur Lokaal eerder dit jaar een oproep voor het verduurzamen van iconische stadskerken. We zijn uitgedaagd om te ontwerpen aan nog niet bestaande oplossingen die bijdragen aan de verduurzaming van deze iconische kerkgebouwen. Samen met Crimson Historians and Urbanists en Arup zijn we als een van de negen teams geselecteerd om een visie te schrijven. Helaas heeft onze visie niet geleid tot het winnend ontwerp. We delen met trots onze bijdrage en ideeën hoe de kerkruimte opnieuw een betekenisvolle plaats kan krijgen in stad en gemeenschap.   Alle teams konden kiezen uit drie urgente thema’s die werden aangereikt. Wij zijn aan de slag gegaan met het thema ‘Binnenruimte: klimaat, gebruik en comfort’. In ons voorstel zien we de kerk als de plaats waar de stad samenkomt. Waar altijd iets te doen is – markten en beurzen, shows en terrassen. De deuren gaan open en het stadsleven stroomt binnen. De grenzen tussen het kerkplein en de kerkvloer vervagen en samen wordt het één programmeerbaar oppervlak. Daarnaast stellen we voor de kerk te openen door een onafhankelijk functionerend glazen volume met een eigen entree toe te voegen, een gebouw-in-een-gebouw alleen van buiten de kerk bereikbaar, waarin diverse binnenactiviteiten een plaats krijgen. Bij de eindpresentatie van de prijsvraag is een magazine gepubliceerd met alle negen voorstellen. Lees hieronder een samenvatting van onze visie:   Over de prijsvraag 37 multidisciplinaire ontwerpteams, bestaande uit professionals uit de ontwerpdiscipline, de duurzaamheid- en de erfgoedexpertise, reageerden op de openbare oproep om de opgave vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. De jury nodigde negen teams uit om een visie op de opgave te ontwikkelen. Vervolgens selecteerde de jury drie teams (één team per ontwerpthema) en vroeg de ontwerpteams om hun visie uit te werken tot een ontwerp. Tijdens Dutch Design Week 2021 zijn de drie winnende ontwerpen gepresenteerd, gemaakt door de teams van COUP, ABT en Braaksma en Roos Architecten. Jury De jury bestond uit Floris Alkemade, Rijksbouwmeester (voorzitter), Susan Lammers, directeur Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Willem Jan de Hek, dominee Protestantse Wijkgemeente Jacobikerk Utrecht, Christien Meindertsma, kunstenaar en ontwerper, Laetitia Ouillet, directeur Strategic Area Energy, TU Eindhoven en Patty Wageman, vertegenwoordiger Grote Kerken Overleg. Lees het volledige magazine Sublieme Schoonheid | Sublieme Duurzaamheid. Ook de negen ingediende visies zijn te downloaden. Schilderij: Pieter Saenredam, Interieur van de St-Bavokerk in Haarlem (1648). Meerdere opties voor een glazen volume: optie 1 (links) gezien van buitenaf, optie 2 (rechts) gezien van binnenuit

Architectenweb Podcast

03 september 2021

Deze week ging Michiel van Raaij voor zijn nieuwste podcast op Architectenweb in gesprek met Frederik Vermeesch, architect en creatief directeur van Rijnboutt.   Of het nu gaat om de vernieuwing van een buurt, van een centrumgebied of een monumentaal gebouw – voor Frederik vormt de context altijd het startpunt van het ontwerpproces. En aangezien iedere context anders is, varieert het gebouwde resultaat ook sterk – van zeer minimalistisch tot zeer gedecoreerd. Het ontwerp moet passen op zijn plek.   » Beluister de podcast via Architectenweb of lees hieronder een samenvatting.   Als bureau werkt Rijnboutt op verschillende schaalniveaus, van gebouwen via ensembles tot stedelijke gebieden. In veel van die opgaven speelt erfgoed een rol, vertelt Vermeesch in de podcast. Bij de vernieuwing en verdichting van de Lodewijk van Deysselbuurt in Amsterdam West houdt het bureau vast aan de bestaande strokenbouw, en wordt een karakteristiek deel van de buurt behouden, maar krijgt de nieuwbouw veel duidelijker voor- en achterzijden, wordt het parkeren deels ondergronds opgelost en krijgt de bestaande strip met voorzieningen een impuls. Bij de transformatie van het terrein van Backer+Rueb in het noorden van Breda worden de bestaande industriële gebouwen ingezet om creatieve bedrijvigheid voor het gebied te behouden en aan te vullen met gemeenschappelijke voorzieningen voor de nieuwe buurt waar in totaal zo’n 450 woningen worden gerealiseerd. Rijnboutt heeft een indrukwekkend trackrecord als het om de renovatie en transformatie van monumentale gebouwen gaat. Zo transformeerde het bureau de voormalige Citroën Garage in Amsterdam Zuid – oorspronkelijk ontworpen door Jan Wils – tot kantoorgebouw. In deze eerder gepubliceerde video licht Vermeesch het ontwerp daarvan toe. Vorige zomer, middenin de coronacrisis, opende aan de Neude in Utrecht ook de nieuwe stadsbibliotheek. In de podcast vertelt Vermeesch hoe hij met zijn team hieraan ontworpen heeft. Om het voormalige hoofdpostkantoor geschikt te maken voor zijn nieuwe functie waren stevige ingrepen nodig. Maar door een strategie van ‘blending’ toe te passen sluiten de ingrepen, en het nieuwe bouwdeel, aan op het karakter van het imposante Art Deco-gebouw. Een heel andere opgave waar Rijnboutt aan werkt betreft de vernieuwing van winkelgebieden, of centrumgebieden zoals Vermeesch ze liever noemt. Winkelen zal altijd blijven bestaan, stelt hij, maar de gebieden waar dat gebeurt zullen een diverser programma krijgen, met ook ruimte voor leisure, voor zorg, voor werken, enzovoorts. Met de komst van Hudson’s Bay naar Nederland heeft Rijnboutt een aantal jaar intensief gewerkt aan de realisatie van nieuwe warenhuizen daarvoor. Vermeesch ervoer het als een waardevolle periode. De snelheid waarmee die nieuwe gebouwen gerealiseerd moesten worden, vroeg van de ontwerpteams om processen die normaal gesproken achter elkaar komen, nu parallel te doorlopen. Het faillissement van Hudson’s Bay heeft Vermeesch als pijnlijk ervaren. Met het bureau werkt hij ondertussen alweer aan de transformatie van de gebouwen. De flagship store aan het Rokin in Amsterdam wordt getransformeerd tot hoofdkantoor van fintechbedrijf Adyen. Dankzij het flexibele casco van het voormalige warenhuis is het bedrijf er gelukkig goed in te huisvesten, stelt Vermeesch. Het restaurant op de bovenste verdieping wordt voor Adyen nu ingericht als café/restaurant waar door hun medewerkers ook de hele dag gewerkt kan worden. Gekoppeld aan de vestiging van Hudson’s Bay in het centrum van Amstelveen heeft Rijnboutt ook een parkeergarage ontworpen met daar bovenop het eigenzinnige woongebouw Up Mountain. Omdat het woongebouw bovenop een parkeergarage gebouwd is, heeft het een stalen draagconstructie gekregen op een vierkant grid van tien bij tien meter. Dat levert unieke open plattegronden op en – dankzij de getrapte bouwvorm – ook enorme terrassen.

Op weg naar het Nationaal Holocaust Namenmonument – deel II

07 juli 2021

In september opent het Nationaal Holocaust Namenmonument in Amsterdam van opdrachtgever het Nederlands Auschwitz Comité naar het ontwerp van architect Daniel Libeskind. In aanloop daar naartoe publiceren we een drietal artikelen over onze rol als coördinerend en uitvoerend architect bij de realisatie van dit bijzondere project. Hierbij waren tal van externe adviseurs betrokken, zoals de constructeur, metselwerkspecialist, rvs-specialist en het restauratiebouwbedrijf. Rijnboutt was de tekenpen van alle betrokken partijen. “Wij spreken de taal van iedereen”, vertelt senior projectcoördinator Paul Beijeman.   “Omdat het Nationaal Holocaust Namenmonument noch een kunstwerk noch een gebouw is, konden wij en veel betrokken adviseurs en specialisten niet putten uit ervaring”, vertelt Beijeman. “Daarom heeft Rijnboutt als spin in het web een belangrijke rol gespeeld. Wij maakten de vertaalslag van het jargon van de specialisten naar een taal die begrijpelijk is voor onder andere de opdrachtgever en de gemeente.” Speciaal ontwikkelde bakstenen Enkele specialisten, waaronder constructeur IMd Raadgevende Ingenieurs, werden gevraagd vanwege eerdere goede ervaringen in de samenwerking met Rijnboutt, maar baksteenfabrikant Rodruza bood zichzelf aan als leverancier van gratis bakstenen voor het monument. Voor dit project ontwikkelden ze een baksteen met een specifieke kleur, maat en samenstelling. Die stenen moesten aan hoge – esthetische – kwaliteiten voldoen. Voor het adviseren en controleren van de bakstenen en het metselwerk werd Adviesbureau Vekemans ingeschakeld. Paul Beijeman: “Samen met Harrie Vekemans hebben we alle bakstenen gekeurd. Er zijn meerdere partijen stenen voor nodig geweest om tot een definitieve selectie te kunnen komen, want het luistert heel nauw.” De stenen mochten niet te klein of te groot zijn, niet te donker of te licht van kleur en geen oneffenheden bezitten die gevolgen konden hebben voor het juist graveren van de 102.000 namen van Nederlandse slachtoffers van de Holocaust – Joden, Sinti en Roma – die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen. Vekemans ging ook op zoek naar een partij die de namen, geboortedata en de leeftijden van de slachtoffers in de bakstenen kon graveren. Er zijn verschillende testen gedaan, onder andere bij Energieonderzoek Centrum Nederland in Petten. Uiteindelijk zijn de gegevens door Reijnders graveer & lasertechniek stuk voor stuk met een robotarm op de 102.000 stenen gelaserd, een proces dat ruim vijf maanden duurde. Tijdrovend, complex karwei met precisie uitgevoerd “Omdat het monument geen standaard gebouw is, werd besloten om een aannemer toe te voegen aan het ontwerpteam: er werd een shortlist van vier aannemers opgesteld die we een pitch hebben laten doen”, vertelt Beijeman. Koninklijke Woudenberg, dat gespecialiseerd is in herbestemming, renovatie, restauratie en onderhoud van cultureel erfgoed, zoals kerken, monumenten en beeldhouwwerken, is gekozen vanwege deze kennis en ervaring. Het restauratiebouwbedrijf heeft het labyrint van 72 muren met namen met de grootst mogelijke nauwkeurigheid opgemetseld. Van tevoren is exact berekend hoe de stenen in kleine bundels worden verwerkt, zodat elke steen op de vooraf bepaalde positie in het monument kon worden geplaatst. Alle namen die het Nationaal Auschwitz Comité uit verschillende databases heeft verzameld, zijn op alfabetische volgorde gelegd. “Dat was een enorme puzzel”, vertelt Beijeman, “Omdat de eerste steen uit het alfabet links bovenin begint in verticale rijen, maar het metselwerk uiteraard links onderaan start en horizontaal wordt gemetseld. Deze zeer ingewikkelde logistieke klus heeft meerdere personen vele maanden werk bezorgd.” Voor het metselen van de bakstenen is een speciale lijmtechniek gekozen, zodat de muren decennialang schadevrij overeind kunnen blijven staan en eventuele ontbrekende of verkeerd gespelde namen vervangen kunnen worden. Omdat er nog steeds namen of correcties bijkomen, is tevens besloten een reserve-namenwand te realiseren.  Hebreeuwse verwijzing en bijzonder lichtontwerp Het monument draagt vier objecten van spiegelend roestvaststaal; Hebreeuwse letters לזכר die samen het woord ‘in memoriam’/ ‘in herinnering aan’ weergeven. De bakstenen in combinatie met de sterk reflecterende geometrische vormen van de stalen letters, leggen een verbinding tussen het Amsterdams verleden en het heden. Op de plek waar de bakstenen muren en de metalen vormen elkaar kruisen, zit een smalle leegte waardoor de letters lijken te zweven. Er was geen ervaring met het werken met spiegelend vlak rvs en ook niet elk bedrijf is in staat zulke unieke elementen te maken. We kwamen terecht bij het bedrijf AIP partners, dat over de hele wereld kunstprojecten realiseert met dit materiaal en ervaring heeft met de bewerkingen op dit hoge uitvoeringsniveau. Omdat het berekenen van het rvs een aparte expertise is, werd ABT als tweede specialist erbij gevraagd. Paul Rohlfs, projectmanager bij het Nationaal Auschwitz Comité, vertelt hierover: “Het voltooien van de spiegelstalen bovenconstructie was een zeer bijzondere mijlpaal. Temeer als je bedenkt hoeveel voeten het in aarde heeft gehad. Met het verwezenlijken van Libeskind’s ontwerp hebben we met alle partijen mogelijk gemaakt wat op momenten onmogelijk leek.” Voor het geheel moest vervolgens een lichtontwerp worden gemaakt. “Daarvoor hadden wij Ulrike Brandi Licht voorgesteld, met wie we aan het Damrak hebben samengewerkt. Zij heeft veel ervaring met het uitlichten van schouwburgen en monumenten”, weet Beijeman, “En ook Studio Libeskind was heel enthousiast over haar.” Tot slot heeft Rijnboutt het landschapsontwerp gemaakt, een uitwerking van de door Libeskind gewenste sfeer, en geadviseerd over bomen, planten en het maaiveld. In de uitvoering is nauw samengewerkt met directievoerder Pieter van den Berge van Aumento om ervoor te zorgen dat het eindresultaat van alle eerder genoemde specialisten gewaarborgd werd. Het Nationaal Holocaust Namenmonument vormt nu het meest actuele tastbare archief van de Nederlandse slachtoffers van de Holocaust; achter elke naam schuilt een omgekomen persoon die eindelijk een plek ter nagedachtenis heeft gekregen. “Vergeten zijn ze niet en nooit zullen ze vergeten worden”, aldus Jacques Grishaver, voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité. Beijeman: “Mooi om te zien dat alle betrokken partijen zich gedurende het proces bewust zijn van de waarde en beladenheid van dit project. Tot en met het leggen van de laatste steen wordt er met uiterste zorgvuldigheid aan gewerkt.” Tekst: Viveka van de Vliet Foto’s monument: Kees Hummel Foto van bouw: Dirk Spits

“Opstappen is best verfrissend”

23 juni 2021

Het kwam voor velen als een totale verrassing in het maandagochtendoverleg: het vertrek van algemeen directeur Bart van der Vossen. Vijfentwintig jaar lang was hij een verbindende factor binnen Rijnboutt; nu gaat hij zijn maatschappelijke ambities buiten het kantoor verkennen. Hij laat het bureau met een gerust hart achter: “Ik ben Rijnboutt niet, Rijnboutt is zichzelf.”   Toen hij ging studeren was het een twijfelpunt: medicijnen of bouwkunde? “Ik heb vaak gedacht was ik maar huisarts geworden,” zegt Bart van der Vossen lachend. “Dan wordt je expertise tenminste erkend, althans door de meeste mensen. Als architect moet je voortdurend knokken voor erkenning van het vakmanschap en je positie bevechten. En het lastige is dat architecten nog steeds niet zo goed zijn in lobbyen.” Een blik op zijn staat van dienst als architect, partner en algemeen directeur bij Rijnboutt, wekt de indruk dat het hem toch aardig gelukt is. Ideale opdracht Vijfentwintig jaar Rijnboutt; hoe loop je daar in een uurtje doorheen? Van der Vossen praat liever over processen dan resultaten. Op verzoek noemt hij twee projecten die hem na aan het hart liggen. De eerste is de Ontmoeting in Amstelveen, een complex met een gevarieerde mix van woningen voor 55-plussers en zorg- en welzijnsvoorzieningen voor een breder publiek. Een samenwerking met aannemer De Nijs, midden in de financiële crisis. Van der Vossen: “Dat was de ideale opdracht in een gekke tijd. Toen we gingen pitchen in 2007 kwamen er voor ons twintig mannen in pak de deur uit: een enorm consortium van beleggers en financiers. En toen kwamen wij, Winfred de Nijs en ik. Winfred stond persoonlijk garant met zijn eigen jaarrekening die hij over tafel schoof. We wonnen, en hebben in de uitvoering op geen enkele manier op kwaliteit ingeleverd. Dat was het goede aan de kredietcrisis: alleen de mensen die echt moeite en energie in het realiseren van een project stopten kregen het voor elkaar.” Integrale teams Een “ideaal Rijnboutt-project” van recentere aard is de Kop van Cruquius in Amsterdam: de transformatie van een oud industriegebied naar gevarieerde woonwijk. Rijnboutt raakte er op een argeloze manier bij betrokken, maar dat groeide uit tot iets veel groters: een integrale opdracht van ontwikkelaar Amvest. “We kregen het stedenbouwkundig ontwerp, de gebouwen en het landschapsontwerp van de openbare ruimte en de daktuinen. Dat betekent een multidisciplinaire aanpak in integrale ontwerpteams, helemaal zoals we het graag willen. De gemeente ging vrij rigide om met het ontwikkelkader, dat hebben we ter discussie gesteld. Vervolgens hebben we samen stap voor stap een nieuw raamwerk gemaakt. Het wordt denk ik een heel mooie openbare plek, waar je lekker kunt eten in de avondzon en een minifestival kunt organiseren. En dan is het woonprogramma ook nog heel breed; alles zit erin.” Leermeester Terug naar het begin. Hij belandde in 1996 bij de Architectengroep – de voorloper van bureau Rijnboutt – onder de hoede van Kees Rijnboutt. “Kees was een mooie leermeester, ik heb heel veel van hem geleerd. Na zijn Rijksbouwmeesterschap heeft Kees iets bijzonders gedaan voor het vak. Hij begon workshops gebiedsontwikkeling te organiseren, waarbij hij alle verschillende disciplines die daarbij komen kijken met elkaar aan tafel zette. Dat was vrij nieuw.” Het plantte een zaadje dat uitgroeide tot een overtuiging over het belang van interdisciplinair samenwerken. “Ik had in mijn opleiding nooit met landschapsarchitecten gewerkt; bij Rijnboutt ontmoette ik Peter Lubbers. Ik stond versteld toen die zich frank en vrij met de stedenbouw en architectuur begon te bemoeien, hij ging zonder gêne over de scheidslijnen van de vakgebieden heen. Ik vond dat heel erg inspirerend. Door landschapsarchitecten vanaf de start te laten meewerken in het ontwerpteam, ontstaat meer rijkdom en gelaagdheid in de plannen.” Zinderend Die vruchtbare samenwerking met andere bloedgroepen is een terugkerend thema in het verhaal van Van der Vossen. Hij is blij dat ze bij Rijnboutt landschapsarchitecten, stedenbouwers én architecten in kantoor hebben. Hij is er trots op dat er onder zijn leiding een cultuur is gecreëerd waarin iedereen elkaar scherp houdt en inspireert. Die werkgemeenschap vindt hij het mooiste aan het bureau. Hij beschrijft de opluchting toen ze weer mensen konden aannemen na de financiële crisis: jonge schoolverlaters. “Toen begon Rijnboutt weer te bruisen, het was echt fantastisch om te zien wat voor ontwerpkracht daaruit voortkwam. Alles wat met duurzaamheid en gezond leven te maken heeft is vol op de agenda gezet. Er is nu een waanzinnig levendige en diverse groep mensen die elkaar voortdurend beïnvloeden, die er verschillende ontwerpopvattingen op nahouden en continu bevragen waar we mee bezig zijn. Dat heeft iets moois dynamisch.” Als aanvoerder van die club vond hij het belangrijk om iedereen een stem te geven, ook de nieuwkomers: “Jonge mensen hebben heel veel ideeën, op het moment dat ze die ook mogen ventileren, gaat het zinderen.” Leren luisteren Zonder in managementtaal te vervallen, vertelt Van der Vossen hoe hij een visie op leidinggeven heeft ontwikkeld in de loop der jaren. In de Comenius Leiderschapsleergang die hij volgde aan de Rijksuniversiteit Groningen realiseerde hij zich pas dat hij goed was in het aansturen van professionals. “Die hebben een intrinsieke motivatie om goede dingen te maken. Daarmee hebben ze niet zo veel management nodig, maar wel leiding. Je zou het een soort bescheiden of dienend leiderschap kunnen noemen.” Hij heeft een analytisch oog, ziet wat de kwaliteit van mensen en producten is, laat ze graag zelf beslissen. En hij kan rust in een organisatie brengen. “Ik heb in de jaren bij Rijnboutt heel goed leren luisteren. Mijn grootste valkuil is mijn ongeduld, daar werden bij mijn afscheid nog veel grappen over gemaakt. Ik heb geleerd om langer te wachten, dat levert meer op.” Tegelijkertijd roemde creatief directeur Frederik Vermeesch de gave die Van der Vossen ontwikkeld heeft om vertraagd een mening vormen, waardoor er ruimte ontstaat voor anderen om in te stappen en deel te zijn van het proces. Van der Vossen: “Dat gaat over Socratische gespreksvoering. Je mening uitstellen en zo lang mogelijk vragen blijven stellen om daarmee tot de kern van de zaak te komen. Ontwerpgesprekken moeten een dialoog zijn en géén debat. Anders kom je niet verder.” Stedenbouwer De lol zit voor hem vooral in het complexe proces dat voorafgaat aan de daadwerkelijke realisatie van een gebouw. “Je hebt architecten die een oeuvre opbouwen, die vooral oog hebben voor het eindproduct. Ik beleef meer plezier in het traject ernaartoe.” Collega Jan van Grunsven heeft weleens gezegd dat Van der Vossen eigenlijk meer een stedenbouwer is dan een architect. “Dat vind ik een compliment,” zegt Van der Vossen. “Ik ben ook helemaal geen estheet. Neem nou Zonnehuis Theresia, een woonzorggebouw dat ik heb ontworpen in Ouderkerk aan de Amstel. Dat is geen spectaculair ontwerp, maar wel heel zorgvuldig gemaakt in overleg met de gebruikers. De zorgverleners die daar werken zeggen dat ze het een supergoed gebouw vinden. Dan ben ik tevreden.” Hij gaat graag even kijken of de gebouwen waaraan hij gewerkt heeft goed gebruikt worden, om te checken of wat op papier bedacht is ook echt werkt. Iets wat je volgens hem vaak al kunt zien aan de buitenkant: wat goed onderhouden wordt, zit meestal wel goed. Dood in de pot Twee jaar geleden begon het te knagen. De verantwoordelijkheid voor een kantoor van negentig mensen begon zwaar te voelen. Hij heeft moeite met de verharding en commercialisering van de woningmarkt. Met het feit dat aannemers steeds vaker de uitvoeringstekeningen maken. Dat noemt hij de dood in de pot. “We moeten ervoor waken dat architecten straks alleen nog maar de gevel tekenen, en dat daarachter altijd een standaard woningplattegrond zit.” Hij merkte dat hij zijn werk als supervisor van Over-Amstel en voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam en het Ruimtelijke Kwaliteitsteam Waalsprong in Nijmegen leuker begon te vinden dan het werk voor kantoor. Niet alleen omdat hij daar invloed kan uitoefenen op de kwaliteit, maar ook vanwege de bredere scope en de interdisciplinaire samenwerking. “Ontwerpers zijn toch een beetje fanaten. De mix met andere bloedgroepen maakt het rijker.” Ansichtkaart Tijdens de Comenius-leergang analyseerde hij de vraag die hem bezighield: wil ik tot mijn pensioen bij Rijnboutt blijven of wil ik het loslaten? Dat het dat laatste is geworden kwam voor velen als een schok. “Ik vond het wel lastig dat het door corona zo stil was op kantoor. Normaliter had ik iedereen allang bij het koffieapparaat verteld wat er speelde. Ik heb alle medewerkers een ansichtkaart gestuurd met een persoonlijke boodschap.” Op zijn website staat te lezen dat hij zich in de toekomst als directeur of bestuurder wil inzetten voor een maatschappelijke organisatie. Dat betekent niet de sector verlaten, maar er een maatschappelijker invulling aan geven, als directeur van een woningcorporatie of erfgoedinstelling bijvoorbeeld. Maar het kan nog alle kanten op – niet te snel beslissen, weet hij uit ervaring. Een maand na zijn afscheid heeft hij een prima gevoel over zijn vertrek. “Wat ik heel erg aan Rijnboutt ga missen zijn de mensen die me zeer dierbaar zijn. Maar voor de organisatie is het best verfrissend als een leider opstapt. Dat brengt vernieuwing, dat zie je nu al gebeuren. En ik ben Rijnboutt niet, Rijnboutt is zichzelf. Die organisatie stáát gewoon, ze hebben mij helemaal niet nodig.” Tekst: Willemijn de Jonge Foto’s: Ineke Oostveen Visualisatie Kop van Cruquius: Rijnboutt en Zes x Zes

Nieuw directieteam en management voor Rijnboutt

27 mei 2021

Frederik Vermeesch en Renée Liefting vormen per mei 2021 de nieuwe directie van Rijnboutt. Vermeesch wordt creatief directeur en Liefting vervult de rol van zakelijk directeur. Ook is er een managementteam opgericht, bestaande uit communicatiemanager Janneke Griep,  HR manager Wietske Huisman en operationeel manager Willeke Vester. Frederik Vermeesch (1976, rechts op foto) kwam in 2000 als architect bij de architectengroep en werd in 2006 partner bij Rijnboutt. Als creatief directeur richt hij zich op de inhoudelijke strategie, de bureaucultuur en de identiteit en samenstelling van het multidisciplinaire bureau. “Samen met het team wil ik een inhoudelijke koers varen met een scherpe blik op wat er in de samenleving speelt. Dat is uitdagend: klimaatadaptatie, het bevorderen van biodiversiteit en de overgang naar een circulaire economie zijn belangrijke onderwerpen. Maar ook maatschappelijke thema’s zoals de gevolgen van de online samenleving, vereenzaming, kansenongelijkheid, segregatie en sociale verdringing zijn urgent. Al deze vraagstukken komen samen in onze steden, binnensteden en perifere centrumgebieden. En daar staat Rijnboutt sterk en hebben we impact. Met een breed netwerk, onderscheidende kennis en ervaring op het gebied van erfgoed en duurzaamheid, en overtuigende ontwerpkracht. Ik ben vereerd dat ik leiding mag geven aan een fantastisch team van stedenbouwkundigen, architecten, landschapsarchitecten en technici. Ons doel is helder: een aantrekkelijke, gezonde leefomgeving waar iedereen zichzelf kan zijn en de kans heeft zich te ontwikkelen.” Renée Liefting (1965, links op foto) richtte in 2005 met drie mede-partners Rijnboutt op. Daarvoor werkte ze bij de architectengroep waar ze in 2002 benoemd werd tot directielid. Als zakelijk directeur is zij onder meer eindverantwoordelijk voor de bureauorganisatie, kwaliteit, offertes & contracten, financiën en ICT. “Als zakelijk directeur sta ik voor de professionaliteit van Rijnboutt. Met een ISO-gecertificeerd kwaliteitssysteem voor een hoogstaand product en een efficiënt proces. Met een goede samenwerking met uitvoerende partijen om dubbel werk in de keten te voorkomen. En met ‘gereedschap’ dat voortdurend in ontwikkeling is. Waren we ooit één van de eerste Nederlandse ontwerpbureaus die projecten op grote schaal met BIM uitwerkten, nu verkennen we volop de mogelijkheden van geautomatiseerd en parametrisch ontwerp in stedenbouw en architectuur.” Een nieuw managementteam voor de dagelijkse aansturing Om de directie van het groeiende bureau te ondersteunen is er een managementteam aangesteld dat de dagelijkse aansturing van de bureauorganisatie voor zijn rekening neemt. Janneke Griep (1982, foto links) is sinds eind 2019 als communicatiemanager verantwoordelijk voor de communicatiestrategie en coördinatie van de interne en externe communicatie van Rijnboutt. Met een team van (freelance) specialisten brengt zij het bureau, de teamleden en de projecten voor het voetlicht. Als HR manager geeft Wietske Huisman (1981, foto midden) sinds 2018 vorm aan het vertalen van de strategie van het bureau naar het personeelsbeleid. Daarbij focust ze zich op het optimaliseren van een inclusieve organisatiecultuur, persoonlijke en vakinhoudelijke ontwikkeling en recruitment. Willeke Vester (1962, foto rechts) versterkt het team van Rijnboutt sinds februari 2021. Als operationeel manager creëert ze samen met het team de randvoorwaarden om een project goed te kunnen uitvoeren. Tevens ondersteunt zij de directie bij het maken van honorariumvoorstellen en contracten. Willeke werkte hiervoor op diverse managementposities bij o.a. MVRDV, Royal HaskoningDHV en VHP. Beeld: Ineke Oostveen

Karianne Vandenbroucke en Marleen van Driel benoemd tot associates

19 april 2021

Per 1 april zijn senior architect erfgoed Karianne Vandenbroucke (l) en senior architect duurzaamheid Marleen van Driel (r) benoemd tot associate. Door de benoeming van de twee associates wil Rijnboutt ruimte maken voor verdere ontwikkeling van de vakdisciplines erfgoed en duurzaamheid. Samen met de partners en collega-associates zetten Karianne en Marleen zich in voor de strategische ontwikkeling en de groei van de portefeuille van ons multidisciplinaire ontwerpbureau.   Karianne Vandenbroucke “De verduurzaming van cultureel corporatiebezit wordt de komende jaren een interessante opgave. De cultuurhistorische waarde zit hem vooral in de dierbaarheid van de wijken en moet daarom op stedenbouwkundig niveau worden opgepakt. De verduurzaming en het up-to-date brengen van het comfort spelen zich juist af op gebouwniveau, in de individuele woning. Het is een seriematige, maar ook een heel persoonlijke opgave en gaat tegelijkertijd over cultuurhistorische en maatschappelijke verduurzaming. Alles komt hier samen en de noodzaak is hoog.” Sinds haar aanstelling bij Rijnboutt in 2016 werkte Karianne onder meer aan Post Utrecht aan de Neude in Utrecht en het voormalige hoofdkantoor van de Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Met haar werk aan deze projecten en de dialoog die ze met het team voert over herbestemming, levert Karianne een belangrijke bijdrage aan de expertise van Rijnboutt op omgang met erfgoed en identiteit. Uit de verschillen en overeenkomsten tussen de herbestemmingsprojecten bij Rijnboutt en haar eerdere ervaring als restauratiearchitect bij Vereniging Hendrick de Keyser haalde zij de inspiratie voor haar boek ‘Mag dit weg’, dat in 2020 verscheen. Karianne zet zich in voor onderwijs op het raakvlak van architectuur en erfgoed. Zo geeft ze gastlezingen aan verschillende onderwijsinstellingen, is ze bestuurslid bij de ErfgoedAcademie en doceert ze sinds januari 2021 aan de TU Delft Bouwkunde bij de sectie Heritage & Design. Marleen van Driel “Niet eerder werd de noodzaak van een duurzaam ruimtegebruik in Nederland zo gevoeld. De gevolgen van klimaatverandering, de energietransitie, de nieuwe woningschaarste, de transformatie naar een circulaire maatschappij, spreken voor zich. Elke bouwopgave is relevant. Als groot, multidisciplinair ontwerpbureau hebben we de kracht en kennis om ons tot deze maatschappelijke urgentie te verhouden. Daar wil ik me met het hele team volledig voor inzetten.” Sinds 2019 neemt Marleen het team van Rijnboutt mee in de mogelijkheden om duurzaam te ontwerpen met de nadruk op kwaliteit, uitvoerbaarheid en verbinding. Zo werkt ze onder meer aan Merwede in Utrecht en presenteerde ze in 2020 een toekomstvisie voor Panorama Lokaal Julianadorp. Naast haar werk aan projecten is Marleen redactielid van Rijnboutt Magazine. In 2020 verscheen de twaalfde editie ‘Een nieuw klimaat. Later is nu’. Marleen doceert sinds enkele jaren aan de TU Delft Bouwkunde voor de ontwerpstudio EXTREME Architecture. Eerder heeft ze bij Benthem Crouwel Architekten ruime ervaring opgedaan met complexe opgaven. Foto’s: Ineke Oostveen

Mag dit weg: food for thought in het ontwerpproces

16 maart 2021

Misschien is het wel het mooiste compliment dat Karianne Vandenbroucke, senior erfgoed specialist bij Rijnboutt, dit jaar kreeg over haar boek Mag dit weg : Onlangs vertelde Rüdiger Meissner, docent en afstudeercoördinator aan het Saxion Next in Deventer, haar dat hij Mag dit weg gebruikt als handboek voor de ontwerpateliers herbestemming, waar studenten zich tijdens de opleiding Interior Design & Styling in drie semesters bezig houden met uiteenlopende herbestemmingsopgaven. De studenten van het eerste en tweede leerjaar maken een bouwhistorische quickscan zoals omschreven in de methodologie van het boek. En bij de ontwerpopdracht in semester 5 worden de studenten in tweetallen uitgedaagd verschillende schetsontwerpen te maken volgens de vier ontwerpprincipes ‘kopie – contrast – contact – connectie’, waarna het best passende schetsontwerp wordt uitgewerkt tot en met definitief ontwerp. Op vrijdag 12 maart gaf Karianne een lezing over haar boek binnen de reeks gastlezingen voor de afstudeerders van de richting Interior Design & Styling. Ook de eerste- en derdejaars studenten sloten online aan en de lezing werd opgenomen voor de tweedejaars studenten die op dat moment een ander college volgden. De kleine voordelen van het online lesgeven. Karianne wil met haar boek de ontwerper een onderzoekende houding aanleren. En waar kan je dan beter beginnen dan bij de opleidingen? Aan de hand van het project Post Utrecht heeft Karianne laten zien wat verschillende erfgoedwaarden kunnen zijn, hoe je hieruit kernwaarden destilleert en hoe je deze integreert en versterkt met je ontwerp. Ook de vier ontwerpprincipes werden toegelicht aan de hand van Post Utrecht. Niet alleen door de ontwikkeling van het ontwerp van de uitbreiding toe te lichten, waarin een connectie is gemaakt met de bestaande architectuur. Maar ook door te laten zien dat elders in het project bepaalde elementen bewust als kopie, als contrast of in contact met het bestaande gebouw zijn ontworpen. Een van Karianne’s speerpunten is dat je óók bij een contrast erop bedacht blijft dat je iets toevoegt aan het gebouw. Dat je de betekenis ervan versterkt. Een contrast kan een goed principe zijn voor een ingreep als het een betekenisvol en intelligent contrast is. Het is betekenisvol wanneer het een functie heeft, wanneer het bewust aandacht vraagt om bijvoorbeeld een toegang te duiden of het oog omhoog te leiden. Het is intelligent wanneer het daadwerkelijk contrasteert met dit bepaalde gebouw. Het had dus niet op een willekeurige plek kunnen landen, maar alleen op deze plek past het en heeft het betekenis. Docent Rüdiger reageert na de lezing verheugd: “De afstudeerders waren allemaal super enthousiast! Het was ook een prachtig verhaal. De studenten hebben hiermee ‘food for thought’ gekregen voor hun eigen ontwerpproces.”

Veel geduld en een lange adem

12 maart 2021

Op donderdag 11 maart gaf Mattijs Rijnboutt een presentatie aan studenten van de opleiding Heritage & Design van de TU Delft. De presentatie maakte deel uit van een reeks van lezingen gegeven door o.a. prof. Wessel de Jonge (leerstoel Heritage & Design) en Robert Bakker (Redevco). Deze reeks belicht thema’s als de toekomst van retail, de betekenis van erfgoed voor een projectontwikkelaar en de rol van de architect als het gaat om transformatieopgaven.   Aan de hand van het project Catharinasteeg en Aalmarkt in Leiden gaf Mattijs de studenten een inzicht in de complexiteit van een grootschalige herbestemming in een historische binnenstad. Hij liet zien dat dit mogelijk is als er duidelijke keuzes gemaakt worden en dat het belangrijk is om tijdens het gehele proces ontwerpbeslissingen goed te onderbouwen en te verantwoorden. Een grondige analyse van de historie en de context zijn hiervan een wezenlijk onderdeel. Veel geduld en een lange adem zijn onmisbaar om een complex project als deze tot een goed einde te brengen. Het ontwikkelingstraject van het winnen van de prijsvraag tot oplevering duurde in het geval van Catharinasteeg en Aalmarkt maarliefst 9 jaar. Reden genoeg om flexibel in te kunnen blijven inspelen op ontwikkelingen in de veranderende markt en maatschappij. En open en veelvuldige communicatie is van essentieel belang tijdens het gehele proces. Inspirerende lezing “Mattijs’ woorden “The Aalmarkt project really was an open heart surgery of the city of Leiden” slaan de spijker op de kop, gezien de complexiteit van het project. Het vervolg “To be a surgeon, first you have to be a detective” benadrukt de belangrijke parallelle werking tussen onderzoek en ontwerp bij erfgoedopgaven. Dit kwam in deze inspirerende lezing maar al te goed naar voren. Bedankt namens alle studenten!”, aldus Vincent Versluijs, oud-stagiair bij Rijnboutt en student Heritage & Design aan TU Delft. Over het project In de historische binnenstad van Leiden lag tientallen jaren ‘Het Gat van Van Nelle’: een verpauperd expeditieterrein, dat was ontstaan door de sloop van een koffiefabriek aan de Aalmarkt. De gemeente Leiden schreef in 2009 een prijsvraag uit om dit monumentale gebied in ere te herstellen en een waardevol onderdeel te maken van het winkelgebied er omheen. Met grote, moderne winkelruimten. Samen met a.s.r. real estate won Rijnboutt de competitie met een stevige ingreep: het creëren van een nieuwe straat: ‘de Catharinasteeg’ en het aanleggen van een nieuwe brug: ‘de Catharinabrug’. Zo werd het gebied niet alleen verbonden met de winkelstraten in de directe omgeving, maar met alle winkelzones in de binnenstad, aan beide kanten van de Oude Rijn. Er ontstond voor het eerst een logische winkelroute door het gehele centrum van Leiden. Om het gebied ook na sluitingstijd levendig te houden, zijn er 21 diverse woningen gerealiseerd. En heeft het een eigen, intiem hart gekregen: ‘Het Catharinahof’. Met cultuur, horeca en terrassen. Het project won o.a. de NRW Jaarprijs 2018 en de ICSC ‘Regeneration’ Award 2019.

Gebruikte stenen in Breda

18 januari 2021

Op dinsdag 19 januari gaat de aflevering van de tv-serie ‘Gebruikte stenen’ van Omroep Brabant over de geschiedenis en herbestemming van voormalig fabrieksterrein Backer+Rueb in Breda.   Voor de tv-serie ‘Gebruikte stenen’ sprak Hannelore Struijs in een eerdere uitzending (22 december 2020) Mattijs Rijnboutt over de herbestemming van de AaBe Fabriek in Tilburg, in de uitzending van 19 januari 2021 bezoekt ze een van de weinige industriële complexen die herinneren aan de industriële periode van Breda: het bedrijventerrein Backer+Rueb. Hier staan nog enkele bewaard gebleven productiehallen en het kantoor van de voormalige NV Machinefabriek Breda die als industrieel erfgoed na de sluiting een tweede leven krijgen. Binnen die herontwikkeling heeft Rijnboutt een centraal gelegen stadswijk voor ogen met appartementen en gezinswoningen, werkruimtes voor diverse (creatieve) bedrijven, groene daken, horeca en terrassen aan de kade, bomenrijke lanen, pleinen en publieke ruimtes die de levendigheid en de bedrijvigheid van toen weer tot bloei brengen. In de uitzending bezoekt Leonore Reijnen van opdrachtgever en ontwikkelaar Amvest een van die enorme productiehallen die straks een publieksfunctie krijgt en gaat Onno van der Heijden, stedenbouwkundige van de gemeente Breda, terug in de rijke industriële geschiedenis van deze wijk. Bekijk de aflevering van Gebruikte Stenen op 19 januari om 17.54 uur op Omroep Brabant.

Gebruikte stenen in de AaBe Fabriek

21 december 2020

Op 22 december gaat de aflevering van de tv-serie ‘Gebruikte stenen’ van Omroep Brabant over de herbestemming van de AaBe Fabriek in de Piushaven in Tilburg. Mattijs Rijnboutt neemt de kijker mee door de voormalige wollen-dekenfabriek AaBe die als winkelcentrum de spil vormt in de ontwikkeling van een nieuwe dynamische stadswijk. Verspreid over Brabant vind je heel veel industrieel erfgoed zoals oude bedrijfsgebouwen en voormalige fabrieken voor de textiel- en metaalindustrie en voor de productie van meel, melk en cacao. Soms zijn ze zo vervallen dat ze worden gesloopt, andere panden krijgen na sluiting een tweede leven. Voor de tv-serie ‘Gebruikte stenen’ spreekt Hannelore Struijs in Brabant met erfgoeddeskundigen, architecten en bouwkundigen over de herbestemming van erfgoed. Mattijs vertelt in deze uitzending over de uitdaging om de vervallen en jarenlang leegstaande voormalige wollen-dekenfabriek AaBe in Tilburg te herbestemmen en uit te breiden. Hij wandelt door het winkelcomplex waar voorheen de productiehallen waren van het rijksmonument uit de jaren dertig. Hij toont de kijker hoe bij de transformatie bewust de link met de rijke historie is behouden. Zo speelt de voormalige fabrieksgang nu de hoofdrol als levendige winkelpassage die oud- en nieuwbouw met elkaar verbindt en is het oorspronkelijke vervallen stalen sheddak vertaald in een modern industrieel zaagtanddak. De gesloten fabriekshallen zijn getransformeerd tot een open en sfeervol winkelgebied met horeca. Samen met de pleinen die tussen de monumentale en nieuwe gebouwen zijn gecreëerd, vormen ze een nieuwe bestemming in de regio Tilburg. Bekijk de aflevering hieronder. Het item over de herbestemming van de AaBe fabriek start op 6:53.

Rijnboutt Magazine #12 Bronnen

25 oktober 2020

Hieronder een overzicht van de bronnen gebruikt in de artikelen van Rijnboutt Magazine #12 Een ander klimaat. Later is nu. Voorwoord Bernard Hulsman, “We leven in buitengewoon revolutionaire tijden.” Interview met Floris Alkemade, NRC Handelsblad, 16 juni 2020 Interview Marieke van Doorninck – “Dit is niet ambities stapelen, het is werken aan de ideale stad” De Amsterdamse scheggen zijn grote aaneengesloten groengebieden die vanuit het buitengebied, zoals het Gooi en de Kennemerduinen, diep de stad in steken. Voorbeelden zijn de Amstelscheg, de Brettenzone, Waterland, het Amsterdamse Bos en Diemerscheg. Bron: amsterdam.nl Artikel Paul Kingsnorth – De mythe van de vooruitgang Paul Kingsnorth en Dougald Hine, “The Manifesto”, dark-mountain.net “De beschaving voorbij. Paul Kingsnorth”, VPRO Tegenlicht, 16 december 2018 Artikel Kirsten Hannema – De ontbrekende schakel in de kringloopgedachte zijn wíj Het sociologenpanel, “Sociologen: Compensatie lagere inkomens cruciaal voor slagen energietransitie”, socialevraagstukken.nl, 4 juni 2019 “Mensen maken IBA: Joost vertelt over Superlocal”, iba-parkstad.nl, 14 februari 2018 Kirsten Hannema, “Moderne gebouwen in Afrika moeten niet lijken op Westerse wolkenkrabbers. Júíst niet”, de Volkskrant, 2 december 2019 Artikel Antonia Weiss – Mens, ga tuinieren Ibtihal Jadib, “Ik scharrel deze stille dagen maar wat rond in afwachting van een sobere ramadan,” de Volkskrant, 1 mei 2020 Nate Gabriel, “The Work That Parks Do: Towards an Urban Environmentality” in: Social & Cultural Geography 12/21, maart 2011 Panorama Julianadorp Bart Tromp, “De wonderlijke terugkeer van de wijkgedachte”, Het Parool, 29 maart 2007 Interview Matthijs Bouw – Het ontwerpproces als kralenketting: Matthijs Bouw en ONE Architecture The Big U Metropoolregio Amsterdam: “Resilience by Design” (2020), YouTube-kanaal Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, 20 april 2020 Artikel Richard Koek – Mobiliteit en gezondheid voor de toekomst van de stad Het College van Rijksadviseurs hield in 2014 met NL-Fietsland een krachtig pleidooi om de keuze uit alternatieven voor mobiliteit te vergroten. Het recent bijna vastlopen van de wegcapaciteit en railcapaciteit en de toenemende drukte op fietspaden wijst uit dat dat pleidooi nog onverminderd nodig is, wat in het voorjaar van 2020 leidde tot “Naar een schaalsprong op de fiets” van hetzelfde CRa. Dit beleid wordt door steeds meer steden geconcretiseerd; als voorbeeld: Meerjarenplan Fiets 2017-2022, Amsterdam.nl Thalia Verkade, “We gaan steeds sneller, maar komen geen seconde eerder thuis (en dat is een groot probleem)”, De Correspondent, 1 juni 2018 Jos Gadet, “Deze crisis laat zien dat we vol in moeten zetten op de openbare ruimte”, gebiedsontwikkeling.nu, 21 april 2020 “Elektrische deelmobiliteit in stedelijke gebiedsontwikkeling”, agendastad.nl

Positieve recensies voor ‘Mag dit weg’

22 oktober 2020

Collega Karianne Vandenbroucke illustreert in ‘Mag dit weg’ aan de hand van drie actuele herbestemmingen van jonge monumenten het belang van de relatie tussen erfgoed en de directe omgeving. “Door mijn eigen kennis en ervaring te vertalen en in een werkbare methodiek samen te vatten, probeer ik een brug te slaan tussen de erfgoedwereld en de nieuwbouwwereld”, zegt ze erover. Sinds ‘Mag dit weg’ dit voorjaar verscheen, kreeg het boek van onze Senior Architect Erfgoed niets dan positieve reviews in diverse vakmedia. Die willen we natuurlijk graag delen.   Volgens recensent Hilde Remøy is het boek een aanrader voor iedere architect en (gebieds-) ontwikkelaar. In haar recensie op het platform gebiedsontwikkeling.nu zegt ze: ‘Het boek geeft goede handvatten voor architecten, ontwikkelaars, initiatiefnemers en anderen die geïnteresseerd zijn in het herbestemmen van bestaand vastgoed en erfgoed. Het beschrijft stapsgewijs hoe het gebouw te benaderen, beschrijven, evalueren, hoe een nieuw ontwerp te ontwikkelen, en hoe dit samen te brengen tot een herbestemming binnen alle kaders en wetgeving. Door gebruik van veel voorbeelden wordt het verhaal duidelijk overgebracht, zeker ook aan architecten en ontwikkelaars die niet dagelijks in aanraking komen met de erfgoedpraktijk.’ NUL20 schrijft: ‘Mag dit weg? Als het aan erfgoedspecialist Karianne Vandenbroucke ligt niet. In dit handboek wil zij naast vakgenoten ook architecten en stedenbouwkundigen een methodiek aanreiken om een gefundeerd besluit te nemen of een gebouw wel weg kan, weg mag of liever weg moet. Leerzaam.’ ROMagazine concludeert: ‘Haar eigen praktijkervaringen en opvattingen over herbestemmingsprojecten staan centraal bij de drie exemplarische voorbeelden. Zij heeft deze vertaald in een werkbare en realistische methodiek waarmee ze een brug wil slaan tussen de erfgoed- en nieuwbouwwereld. Daarin is zij goed geslaagd.’ Op Bol.com krijgt het boek maar liefst de maximale vijf sterren: ‘Must have. Dit boek moet iedereen die professioneel of anderszins met monumentaal vastgoed te maken krijgt aanschaffen!’ Geen recensie, maar ook zeer goed beoordeeld zijn verschillende drukbezochte webinars en lezingen die Karianne over haar boek gaf bij onder andere de ErfgoedAcademie. Meer lezen? » Bekijk en bestel het boek

Van monumentaal postkantoor naar multifunctionele bibliotheek.

29 juli 2020

Al in de zomer van 2017 begonnen de voorbereidingen voor de transformatie van het voormalige Utrechtse postkantoor aan de Neude tot Post Utrecht, een multifunctioneel gebouw met daarin een bibliotheek van 9500 vierkante meter, een theater, filmzaal, open podium, stadsstudiehuis, laboratorium voor 21st century skills en diverse vergader- en werkruimten. In het gebouw zijn ook een grote fietsenstalling, een aantal winkels, waaronder boekhandel Broese, en twee horecagelegenheden gerealiseerd.   Hoewel de Utrechtse bibliotheek al sinds 1998 op zoek was naar een nieuwe plaats voor de centrale bibliotheek, omdat het gebouw aan de Oudegracht steeds minder voldeed, was het zeker niet vanzelfsprekend dat het postkantoor verbouwd zou worden tot bibliotheek. Zeker in verband met de hoge kosten. Nadat de eigenaar van het pand, a.s.r. real estate, een plan had ingediend dat wel binnen de financiële gemeentelijke kaders paste, maakte de gemeente Utrecht in juni 2015 bekend dat definitief was besloten dat de centrale vestiging van de Bibliotheek Utrecht naar het oude postkantoor aan de Neude zou verhuizen. Twee architectenbureaus Omdat de verbouwing een enorme klus was, werden twee architectenbureaus ingeschakeld: Rijnboutt (Frederik Vermeesch en Mattijs Rijnboutt) zorgde voor de herbestemming van het pand; dat wil zeggen de verbouwing van het casco en de uitbreiding aan de Oudegracht. Zecc Architecten (Bart Kellerhuis en Marnix van der Meer) werd gekozen voor het ontwerpen van de inrichting. Rijnboutt veranderde een aantal zaken drastisch: voorheen was eigenlijk alleen de monumentale hal voor het publiek toegankelijk. In het nieuwe gebouw staat het volledige pand ter beschikking van het publiek. Architect Frederik Vermeesch: ‘In een aantal gezamenlijke workshops hebben we gekeken of het programma in het gebouw zou passen. Dat leverde positieve resultaten op. En ook de gesprekken op basis van het voorlopig ontwerp met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke Commissie Welstand en Monumenten Utrecht verliepen zeer bemoedigend.’ Met het eerdere voorlopig ontwerp als uitgangspunt maakte Rijnboutt een vlekkenplan, compleet met impressies die lieten zien welke ingrepen nodig waren om in het gebouw (zo’n 12.000 m2) een moderne bibliotheek onder te brengen. Die gaat tot de mooiste ter wereld behoren. Dat komt door de centrale hal, die volgens Vermeesch van wereldniveau is. ‘Die hal is schitterend. In ons ontwerp vormt hij de centrale publieke ontmoetingsplaats, een overdekt stadsplein met ruimte voor evenementen, horeca, leestafels, een plek waar mensen kunnen afspreken, elkaar kunnen ontmoeten. De hal is publieker geworden dan hij ooit geweest is.’ De stille achterzijde van het postkantoor aan de Oudegracht onderging een metamorfose. Door het ontwerp van Rijnboutt werd het een levendige voorkant, met een transparante glazen gevel. Vermeesch: ‘Hier vind je winkels op de begane grond, en op de tweede verdieping een brasserie met uitzicht op het water, en een auditorium voor tweehonderd mensen. Het gebouw heeft dus twee belangrijke zijden, zowel aan de Neude als aan de Oudegracht.’ Publieke functie terug Vermeesch vindt het fantastisch dat het monumentale gebouw een belangrijke publieke functie heeft teruggekregen als cultureel hart van de stad. ‘Een moderne bibliotheek is iets heel anders dan de klassieke boekenbibliotheek. Kijk maar naar de nieuwe bibliotheken van Birmingham, Amsterdam of Almere. Dat zijn ontmoetingsplekken voor jong en oud, arm en rijk, studenten en werkenden. Daar hoort een bepaalde architectuur bij: open, transparant, ruimtelijk. Het was voor ons de uitdaging die kwaliteiten in dit klassieke gebouw te realiseren. Dat is overigens een verdienste van Crouwel; de ruimtelijkheid van zijn ontwerp maakte een tweede leven voor dit gebouw mogelijk.’ Samenwerking Nadat het werk er voor Rijnboutt opzat, was het de beurt aan Zecc Architecten. Zecc tekende voor het ontwerpen van de inrichting. Volgens Bart Kellerhuis, directeur bij Zecc, een enorme eer: ‘Van een dergelijk project kun je natuurlijk alleen maar dromen. Het is voor ons helemaal geweldig omdat ons bureau ook gevestigd is in Utrecht.’ Bij het woord ‘inrichting’ moet nog wel een kanttekening geplaatst worden, het gaat niet alleen om specifieke zaken als het plaatsen van boekenkasten, maar ook over zaken als doorbraken, ornamenten, lichtinval. Ten dele was er dus ook overlap met het werk van Rijnboutt. De samenwerking verliep echter uitstekend en beide bureaus vulden elkaars visies goed aan. Kellerhuis: ‘We hebben uiteraard veelvuldig overleg gehad en onze visie hoe je met oude en nieuwe elementen omgaat, lag dicht bij elkaar.’ Fotografie: Kees Hummel Copyright Bibliotheekblad / www.bibliotheekblad.nl

De werf wordt weer van Muiden

08 juni 2020

Wonen aan de Vecht, op een scheepswerf waar het industriële verleden nog voelbaar aanwezig is. Binnenkort kan dat op een unieke plek middenin de historische kern Muiden, want nu de eeuwenoude Schoutenwerf niet meer wordt gebruikt voor het bouwen en onderhouden van boten en schepen wordt het werfterrein getransformeerd naar een bijzondere leefomgeving. Rijnboutt werkt sinds 2018 samen met Hosper (openbare ruimte) aan het integrale ontwerp voor deze locatie. Vandaag start de verkoop van dit bijzondere project met in totaal 51 werfwoningen, appartementen en penthouses.   Lange tijd is het gebied afgesloten geweest, ontoegankelijk voor publiek. Met de transformatie wordt de werf weer van Muiden. Rijnboutt heeft de historische context zorgvuldig onderzocht om er op een vanzelfsprekende maar eigentijdse manier bij aan te kunnen sluiten. De drie monumentale panden in de Hellingstraat worden zorgvuldig gerenoveerd en als artefact van een voor de locatie zo kenmerkend verleden zal de werfmuur langs de Hellingstraat behouden blijven. Achter deze werfmuur worden de nieuwe woningen opgenomen in een aantal appartementengebouwen en stadshuizen die onderling verschillen maar duidelijk familie van elkaar zijn. Het terrein als geheel ademt de industriële sfeer van de scheepswerf die het was en maakt gelijktijdig onmiskenbaar deel uit van het historische Muiden. Bart van der Vossen, architect en algemeen directeur Rijnboutt, over het project: “Erfgoed staat volop in de belangstelling. Bij Rijnboutt geloven we in het principe ‘behoud door ontwikkeling’. De transformatie van scheepswerf naar woongebied is een belangrijke culturele opgave, niet alleen met het oog op de geschiedenis van Muiden maar ook in het belang van een duurzame toekomst.“ De woningen zijn ontworpen voor een optimale beleving van de omgeving met zicht op het Muiderslot, de Vecht en de kleurrijke Herengracht. De werf wordt opnieuw ingericht met haaks op de Vecht aangebrachte belijningen in het plaveisel die herinneren aan de hellingbanen voor schepen. Een groene strook met bomen en beplanting geeft rugdekking aan de wandelaars die de oeverkant willen opzoeken. De strook aan het water is een verwijzing naar de maritieme wereld, met houten vlonders en boten. Door toevoeging van een ondergrondse parkeergarage wordt de werf autoluw en hoofdzakelijk een plek voor wandelaars die er genieten van de passerende bootjes.

Plannen toekomstbestendige Van Deysselbuurt bekend

03 juni 2020

De Lodewijk van Deysselbuurt in de westelijke tuinsteden van Amsterdam is dringend toe aan vernieuwing. De buurt heeft de laagste leefbaarheidsscore van Amsterdam, woningen voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd en de openbare ruimte heeft nauwelijks nog gebruikskwaliteit. Rijnboutt ontwerpt in opdracht van Rochdale aan een stedenbouwkundig plan, geënt op de tuinstadgedachte van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP), dat noodzakelijke vernieuwing en verdichting mogelijk maakt. Zo wordt de Van Deysselbuurt een prettige, gemengde en toekomstbestendige Amsterdamse buurt.   In zijn essay ‘De toekomst van Nederland’ benoemt rijksbouwmeester Floris Alkemade de huidige buitenwijken van steden expliciet als het speelveld waar onze toekomst vorm zal krijgen en waar we samen kunnen werken aan steeds urgentere uitdagingen zoals klimaatadaptatie, energietransitie en het creëren van een inclusieve samenleving: “Door erop verder te bouwen, onze buitenwijken gelijkwaardige kwaliteiten te geven als onze binnensteden, door een emancipatie van de periferie.” De Van Deysselbuurt in Amsterdam Nieuw West is zo’n buitenwijk. En de opgave kon niet treffender verwoord worden. Verdichten in stedelijk erfgoed (AUP) De Van Deysselbuurt is een mooi voorbeeld van de buurtopzet volgens de tuinstadgedachte van het AUP. De verkavelingsstructuur van het AUP is dan ook de stedenbouwkundige taal waarbinnen de verdichting plaatsvindt. De verbindingen met de overige buurten (de Lodewijk van Deysselstraat, de Van Moerkerkenstraat en de Burgemeester van Leeuwenlaan) worden als ‘lange lijnen’ behouden en in hun karakteristiek versterkt. Deze lange lijnen definiëren stroken, of velden, die bestaan uit verschillende stempels – een zich repeterende compositie van hoog- en laagbouw. Binnen deze stempels wordt verdicht. In het zuiden, langs de Burgemeester Röellstraat, die wordt omgevormd tot een volwaardige stadslaan, wordt sterk verdicht. Naar het noorden van de buurt toe, waar de buurt grenst aan het park rond het Jan de Louterpad, steeds minder. Herdefiniëren van de openbare ruimte Ook de openbare ruimte en het groen in de Van Deysselbuurt zijn volgens de regels van het AUP geordend en kennen een duidelijke hiërarchie: van privétuin, straatgroen en plantsoen tot park. Dit geeft de buurt zijn huidige, groene karakter – een kwaliteit die in het plan van Rijnboutt wordt behouden. Echter, is het gebruik van het groen sinds het ontwerp en de realisatie van het AUP sterk veranderd, zijn overgangen verrommeld en is, door het stijgende autogebruik, de druk op de openbare ruimte sterk toegenomen. Dit vraagt om een herdefinitie van de openbare ruimte. Het groen wordt toegankelijker, aantrekkelijker en krijgt gebruikswaarde voor verschillende doelgroepen, van jong tot oud; de hiërarchie in de openbare ruimte wordt hersteld en duidelijker leesbaar. Hiertoe worden straatprofielen aangepast en groenstructuren verbeterd. De openbare ruimte wordt geactiveerd door in te zetten op actieve en bewoonde plinten. En hoewel er nog steeds uitgebreid op straat wordt geparkeerd, zal de auto minder dominant zijn in het straatbeeld. Lodewijk van Deysselstraat als dé levensader Centraal in de buurt is én blijft de Lodewijk van Deysselstraat de identiteitsdrager en lokale verdeler van bewoners in de buurt. Door haar kenmerkende en monumentwaardige bebouwing te behouden, zal deze straat ook in de toekomst het verhaal vertellen van de buurt. Dat neemt niet weg dat de Lodewijk van Deysselstraat in haar karakteristieken versterkt wordt. In ruimtelijke zin: de te handhaven gebouwen worden gerenoveerd en krijgen actieve plinten met wonen en voordeuren aan de straat en er worden kleine plantsoenen toegevoegd met o.a. speelplekken voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën. De karakteristieken worden ook in programmatische zin versterkt: de straat zal allerlei buurtgerelateerde voorzieningen faciliteren. Zoals een buurthuis, een co-working café, een buurttheater, een wasbar of een zorgpunt en plekken voor zzp’ers. Integraal verduurzamen Bij een toekomstbestendige buurt is integrale duurzaamheid onmisbaar. Het stedenbouwkundig plan bevat daarom ook duurzaamheidsmaatregelen op het vlak van klimaatadaptatie, energietransitie, circulariteit, mobiliteit, ecologie en sociale duurzaamheid. Bomen, groen en minimale verharding dragen bij om hittestress in de zomer te verminderen, regenpieken op te vangen en water vertraagd af te voeren. De te transformeren bebouwing wordt verduurzaamd als antwoord op de energietransitie. Circulariteit komt tot uitdrukking in de inrichting van de openbare ruimte, in een materialen-paspoort van de nieuwbouw en hergebruik van materialen van de te slopen bebouwing. Ten behoeve van de verdichtingsopgave wordt een specifieke mobiliteitsvisie ontwikkeld: flexibele parkeergarages, deelconcepten en aanleg van laadpalen bieden uitkomst. De ecologische waarde van het groen is, als onderdeel van het groene Amsterdam West en de grote groenstructuren in het stadsdeel, van groot belang. Dit komt tot uiting in natuur inclusief bouwen en in de keuze van beplanting als integraal onderdeel van het ontwerp van de bebouwing en de openbare ruimte. Sociale duurzaamheid is een belangrijke doelstelling van de vernieuwingsplannen. Door het verbeteren van de huidige sociale woningbouwvoorraad en het toevoegen van nieuwe woningtypologieën, wordt de buurt voor de huidige bewoners verbeterd en worden nieuwe doelgroepen aangetrokken. Hiermee wordt de Van Deysselbuurt een gemengde en toekomstbestendige buurt. Participatie en planning Om buurtbewoners en omwonenden in staat te stellen om te reageren op de plannen voor de buurt werden er op 19 mei online bijeenkomsten georganiseerd door Rochdale en de gemeente Amsterdam. De gemeente neemt binnenkort een besluit over het vernieuwingsplan. In de tussentijd werkt Rijnboutt samen met de gemeente Amsterdam en Rochdale aan de verdere uitwerking van de plannen ten behoeve van de investeringsnota. Deze dient vastgesteld te worden door de gemeente. Meer over de plannen op www.deysselbuurt.nl.

In de taxi met…

02 juni 2020

In ‘In de taxi met…’, een initiatief van het Nationaal Restauratiefonds, wordt Karianne Vandenbroucke, Senior Architect Erfgoed bij Rijnboutt, geïnterviewd door Pierre van der Gijp over haar recent uitgekomen boek ‘Mag dit weg’ en de complexe vraagstukken die komen kijken bij de herbestemming van een monument. “Ik denk in de komende paar jaren mensen wat langer stil gaan staan bij wat ze waardevol vinden in tegenstelling tot al dat vluchtige.” – Karianne Het boek is gepubliceerd op 7 mei 2020. Bestel hier een exemplaar.

Mag dit weg – een methodiek voor herbestemming

07 mei 2020

Herbestemming van erfgoed is niet langer voorbehouden aan restauratiespecialisten. Dit dankzij de nieuwe Omgevingswet, die gebouwen niet langer beschouwt als zelfstandige objecten maar als onderdeel van een groter geheel. Ook voor menig architectenbureau is herbestemmen de dagelijkse praktijk. Waar het echter vaak aan ontbreekt, is een werkbare methodiek. Karianne Vandenbroucke, Senior Architect Erfgoed bij Rijnboutt, biedt in haar boek ‘Mag dit weg’ houvast. Aan de hand van drie actuele herbestemmingen van jonge monumenten illustreert zij het belang van de relatie tussen erfgoed en de directe omgeving: Post Utrecht – het voormalige hoofdkantoor voor PTT aan de Neude te Utrecht, The Garage – de voormalige Citroëngarage aan het Stadionplein te Amsterdam en het voormalige hoofdkantoor van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam “Door mijn eigen kennis en ervaring te vertalen en in een werkbare methodiek samen te vatten, probeer ik een brug te slaan tussen de erfgoedwereld en de nieuwbouwwereld.” Nieuwsgierig? Op A.ZINE lees je de inleiding. Het boek is o.a. verkrijgbaar via nai010.

Ontwerp blaast nieuw leven in hallen Backer+Rueb

06 mei 2020

Samen met het naastgelegen Klavers Jansen en Electron vormt Backer+Rueb het Creative District van Breda. De bestaande fabriekshallen en het kantoor worden met doorbraken, aanbouwen en spectaculaire toevoegingen op het dak de identiteitsdragers van het gebied. De centrale hal wordt een overdekte publieke ruimte die de Speelhuislaan verbindt met de kade en ruimte biedt aan exposities en events. In de gemengde stedelijke buurt met zo’n 450 woningen is volop ruimte voor werken, horeca aan de kade en andere publieke voorzieningen. De autoluwe en groene buurt aan de Mark en Belcrumhaven ademt het industriële verleden en wordt gekleurd door kunst en design. In opdracht van Amvest en in samenwerking met de gemeente Breda ontwerpen Rijnboutt en Karres en Brands aan het stedenbouwkundig plan en ontwerp openbare ruimte. In mei 2020 start de online participatie.   Industrieel verleden Van de destijds imposante machinefabriek Backer+Rueb resteren nog enkele kenmerkende delen. De drukte, levendigheid en bedrijvigheid van toen leven nu al op met tijdelijke programmering. Met de herbestemming wordt het gebied weer volledig tot bloei gebracht. Gelegen tussen de Speelhuislaan en het water van de Belcrumhaven en de Mark wordt de hoofdstructuur van Backer+Rueb bepaald door de drie zones met industrieel erfgoed: de westelijke hal, de Backer en Ruebhal en de zone met Electron. Het industriële karakter wordt daar door de inrichting van de openbare ruimte versterkt. In de twee tussengebieden krijgt de openbare ruimte een zo groen mogelijk karakter en wordt het informele dwaalmilieu verstrekt. De ruimte bij de rivier de Mark en de westelijke hal wordt ingericht als openbaar park. Sterk gemixt Appartementengebouwen begeleiden de verlengde Speelhuislaan die met bomen en een groene inrichting een voorzetting wordt van de aangename route vanaf het station. Nieuwe bouwblokken en stroken staan haaks georiënteerd op het water en refereren aan de historische structuur en gebruik van het gebied. Het informele en groene dwaalgebied daartussen met een samenspel van pleinen, straten en stegen biedt verrassende doorkijkjes. Appartementen staan schouder aan schouder met stadswoningen en werkgebouwen. Aan de kade benadrukt de dansende daklijn het levendige karakter van de zonovergoten plek. Het slentergebied met terrassen krijgt een stoer karakter met robuuste inrichtingselementen afgewisseld met groen. De relatie met het water krijgt op verschillende punten vorm door het verlagen van de kadewand of het plaatsen van lagergelegen steigers. Een beeldbepalende brug over de haven verbindt beide oevers. Zoveel mogelijk groen Backer+Rueb wordt een autoluwe wijk waarbij het fiets- en voetgangersverkeer wordt gestimuleerd. Auto’s bevinden zich onder de grond in twee parkeergarages voor bewoners en bezoek. Alleen voor bevoorrading, afvalinzameling en hulpdiensten loopt er een route over de kade. De inrichting van de openbare ruimte is gericht op het stimuleren van ontmoeting en interactie. Naast de formele horecaterrassen zijn op diverse locaties informele, collectieve voorzieningen voor de bewoners voorzien zoals speelplekken, picknickbanken en kanohelling/-stalling. De buurt is klimaatadaptief en natuurinclusief. Door de inrichting met veel groen is het ook in warme periodes aangenaam. Regenwater wordt afgekoppeld en zo lang mogelijk vastgehouden in het gebied. Het proces van afkoppeling, buffering en afvoer van regenwater wordt zoveel mogelijk zichtbaar gemaakt in de openbare ruimte. De nieuwe gebouwen hebben een eigen kleurstelling en materialisering die in samenhang met de groen ingerichte openbare ruimte de bestaande fabrieksgebouwen een podium geeft. Er zijn plekken voor reuring en voor rust, en alles daar tussenin. Participatie en planning Amvest en de gemeente Breda informeren en raadplegen de omwonenden en belangstellenden online over het plan. Het ontwerp wordt toegelicht op www.backerenrueb.nl. Ideeën, vragen en reacties worden tot eind mei opgehaald met een uitgebreide enquête. Op drie avonden in mei en juni kunnen mensen in webinars met de plannenmakers van gedachten wisselen. Zij kijken welke ideeën mee kunnen worden genomen in de plannen of bij de uitwerking. Daarna wordt het ontwerp voorgelegd aan het College van B&W van Breda. Er volgt een aanvraag voor een bestemmingsplan en het stedenbouwkundig ontwerp wordt stapsgewijs uitgewerkt in concrete bouwplannen en architectuur. Naar verwachting zijn de eerste woningen en werkruimtes in 2023 gereed.

Mag dit weg

17 december 2019

Een werkbare methodiek voor herbestemming door erfgoedspecialist Karianne Vandenbroucke   Herbestemming van erfgoed is niet langer voorbehouden aan restauratiespecialisten, maar behoort tegenwoordig tot de dagelijkse praktijk van menig architectenbureau. Waar het in die praktijk aan ontbreekt, is een werkbare methodiek. Hoe breng je de vakinhoudelijke invalshoek (cultuur- en bouwhistorie) en de operationele aanpak (bouwprogramma en gebiedsontwikkeling) samen? Hoe zorg je dat de kernkwaliteiten van een pand en de beoogde functie elkaar aanvullen en versterken – en knelpunten intelligent worden opgelost? Karianne Vandenbroucke werkt sinds 2016 als erfgoedspecialist bij Rijnboutt. Wat begon als het aanreiken van ontbrekende kennis, mondde uit in een persoonlijke zoektocht om haar wetenschappelijke oriëntatie en jarenlange ervaring in traditionele restauratieprocessen aan te laten sluiten op de pragmatiek en het tempo van een commerciële bouwpraktijk. De methodiek voor herbestemmen van erfgoed die in dit boek beschreven wordt, is ontwikkeld in een dialoog tussen de auteur en haar collega’s. Aan de hand van drie casussen wordt het belang van de relatie tussen erfgoed en de directe omgeving geïllustreerd. Alle drie actuele herbestemmingen van jonge monumenten in een veranderde stedelijke context: Post Utrecht – het voormalige hoofdkantoor voor PTT aan de Neude te Utrecht, The Garage – de voormalige Citroëngarage aan het Stadionplein te Amsterdam en het voormalige hoofdkantoor van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam Met het oog op de nieuwe Omgevingswet, die gebouwen niet langer beschouwt als zelfstandige objecten maar als onderdeel van een groter geheel, is deze publicatie even actueel als onmisbaar. Mag dit weg verschijnt mei 2020 bij nai010 uitgevers.

Transformatie voormalige Citroëngarage genomineerd voor Geurt Brinkgreve Bokaal 2019

12 november 2019

De transformatie van de voormalige Citroëngarage, een project van Rijnboutt in opdracht van Bouwinvest, is genomineerd voor de Geurt Brinkgreve bokaal. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt aan het beste initiatief op het gebied van herontwikkeling of renovatie van Amsterdams erfgoed. Het winnende project wordt op 12 december bekend gemaakt. In opdracht van Bouwinvest Real Estate Investors maakte Rijnboutt een ontwerp voor het herbestemmen van de garage naar een state-of the-art multifunctionele omgeving voor werk en verblijf. Een bijzondere opgave, want de voormalige Citroëngarage is een jong rijksmonument (1962) dat tot een ensemble van vijf gebouwen aan het Stadionplein hoort. Alle vijf destijds ontworpen door architect Jan Wils. Het project vormt een benchmark voor de herbestemming van jonge monumenten. “Het monument is als het ware herijkt”, vertelt architect Frederik Vermeesch. “Diepgaand architectuurhistorisch onderzoek toonde aan waar de werkelijke monumentale waarde in zat en vervolgens hebben we ambitieuze keuzes gemaakt. Zo zijn er vides aangebracht in de kern van het gebouw om de kantoren te voorzien van noodzakelijk daglicht. En de ooit zo gesloten plint opent zich nu op verschillende plekken naar het plein, waardoor de dialoog tussen het gebouw en de omgeving is geïntensiveerd.“ Tegelijkertijd is er goed gekeken naar hoe de iconische Citroëngarage ooit bedacht was. Kenmerkend zijn de grote doorlopende glazen puien met minimale kozijnprofielen van staal. Geen probleem voor een onverwarmde werkplaats, maar voor de nieuwe bestemming moest de thermische kwaliteit drastisch verbeterd worden. Vermeesch: “Tal van onzichtbare maatregelen zorgen ervoor dat er een uitstekend binnenklimaat is ontstaan, terwijl we het karakter van de gevel konden behouden. Ook zijn de borstweringen ontdaan van de in de loop der tijd aangebrachte golfplaten en voorzien van glasmozaïek, in lijn met Wils’ ideeën.” Onder de nieuwe naam ‘The Garage’ biedt het kantoorgebouw nu onderdak aan een multifunctionele mix van horeca, voorzieningen en creatieve bedrijven. De karakteristieke hellingbaan, die jaren geleden toegang bood naar de showroom waar de Citroën occasions stonden opgesteld, fungeert nu als het centrale, verbindende element tussen de verdiepingsvloeren en de publieke ruimte. Verschillende ontmoetingsplekken op de hellingbaan bieden er ruimte voor flexwerken, overleg en kennisdeling. The Garage maakt deel uit van The Olympic Amsterdam, het gebied rondom het Stadionplein: een nieuwe bruisende, dynamische bestemming. Hier komen bewoners, ondernemers, Amsterdammers, sporters en toeristen samen. Bas Jochims, Director Dutch Office & Hotel Investments bij Bouwinvest: “Hierbij gaat het nadrukkelijk niet alleen om de afzonderlijke gebouwen, maar om de cohesie ertussen en het creëren van een plek waar mensen graag verblijven. The Garage is hier een uitstekend voorbeeld van”. Over de Geurt Brinkgreve bokaal De Geurt Brinkgreve Bokaal is een onderscheiding die de Gemeente Amsterdam jaarlijks toekent aan het beste initiatief op het gebied van herontwikkeling of renovatie in de bestaande (woning)voorraad, waardoor een gebouw door het hergebruik wordt ‘teruggegeven’ aan de stad en de buurt.

Visie Schoutenwerf Muiden

04 september 2018

Wonen aan de Vecht, op een scheepswerf waar het industriële verleden nog voelbaar aanwezig is, zonder af te dingen op comfortabele luxe: in 2021 kan dat in Muiden. Nu de eeuwenoude Schoutenwerf niet meer wordt gebruikt voor het bouwen en onderhouden van boten en schepen, is er plek voor 52 bijzondere woningen. Het ontwerp van de nieuwe appartementen en stadshuizen sluit op een eigentijdse manier aan bij de historie van deze middeleeuwse vestingstad. De geschiedenis van Muiden De geschiedenis van Muiden kent markante momenten die hebben geleid tot markante bouwwerken. De locatie aan de Vecht, langs een van de belangrijkste en oudste handelsroutes van Nederland, bracht het stadje voorspoed. Maar het meermalen verschuiven van die handelsroute, en de ligging in het grensgebied tussen het Sticht en het opkomende graafschap Holland, zorgde ook voor conflicten. Dat leidde rond 1300 tot de bouw van het Muiderslot; in de 16e eeuw kwam daar een aarden stadswal omheen als onderdeel van de Nieuwe Hollandse waterlinie. In de 17e eeuw bloeide de handel met verre werelddelen op. In die periode vestigden nieuwe bedrijven zich in de stad: zoutziederijen, brouwerijen en scheepswerven. De Schoutenwerf stamt uit die tijd. De oudst bekende kaart van Muiden van rond 1560 laat een overzichtelijke plattegrond zien, die duidelijke overeenkomst vertoont met de huidige situatie. Nog altijd wordt het ruimtelijk karakter van Muiden gedomineerd door het uit de middeleeuwen stammende stratenpatroon, dat doorsneden wordt door de Vecht. Het zwaartepunt van de stad ligt aan de oostkant van de rivier, met het Muiderslot, de Nicolaaskerk en de Grote Kerk. Hier kent de verkaveling met achterstraat en dwarsverbindingen een hogere dichtheid dan in het westelijke deel. Kenmerkend voor het westelijk deel zijn de tot aan de Vecht reikende achtererven: de tuinen ten zuiden van de brug en de scheepswerven ten noorden ervan. Voortborduren op de historie De transformatie van de Schoutenwerf naar een woongebied betekent een nieuwe fase in de ontwikkeling van Muiden. Waar eeuwenlang schepen zijn gebouwd, wordt nu plek gemaakt voor wonen. Aan de basis van de bestemmingsplanwijziging ligt een stedenbouwkundige visie, aangevuld met een Beeldkwaliteitsplan (BKP), die beide door de gemeente zijn geaccordeerd. Het BKP schrijft een zorgvuldige omgang met de lokale geschiedenis voor, omschrijft kaders voor de gewenste bebouwing, maar laat ook ruimte voor interpretatie. Rijnboutt heeft de historische context zorgvuldig onderzocht om er op een vanzelfsprekende manier bij aan te kunnen sluiten. Fijnmazige variatie De architectuur van traditionele vestingstadjes als Muiden wordt gekenmerkt door het gebruik van een beperkt aantal materialen en bouwtechnieken, die worden toegepast in een grote verscheidenheid aan bouwtypen. In de straten in de oude kern is geen huis hetzelfde. Uniek is het middeleeuwse stratenpatroon, met de aaneenschakeling van gevels direct aan de straat. Huizen en gevelwanden verschillen in kleur, ze zijn gemetseld of gepleisterd in een schakering van allerlei tinten rood, bruin en soms wit. Sommige zijn voorzien van een natuurstenen plint. Ook de daken vertonen veel variatie: er zijn platte daken, puntdaken, schilddaken of mansardekappen, die afwisselend bedekt zijn met rode, donkerrode of oranje gebakken dakpannen. De daklijsten, goten, raamopeningen en voordeuren verschillen van elkaar qua positie, hoogte en kleur. Ondanks deze verscheidenheid zijn de gebouwen duidelijk familie van elkaar; ze hebben een gemeenschappelijke identiteit. Grote gebaren Tegenover het fijnmazige, gedifferentieerde patroon in de historische woonwijken staat de scheepswerf: een terrein met een industriële sfeer, dat in architectonisch opzicht een heel andere taal spreekt. Hier is in de loop der eeuwen grootschaliger gebouwd, in een veel grovere korrel. Functionele, robuuste loodsen, met de grote scheepsloods als markant baken. Het gebied is geometrisch van opzet, monumentaal in expressie, met een eenduidig grid en eenduidige tektoniek: stalen kaders, donker of licht geverfd, met invullingen van sober roodbruin metselwerk. Hier zie je blinde gevels naast gevels met geopende vlakken, grijze daken van golfplaat of zink en diepgroene of -blauwe schuifwanden. Een beeldbepalend element op de werf is de lange zijgevel van een loods langs de Hellingstraat, die sinds mensenheugenis identiteit geeft aan het smalle straatprofiel. De uniformiteit van het metselwerk van deze ‘werfmuur’ met de strenge repetitie van ramen is niet alleen monumentaal maar ook eigenzinnig: de muur vormt een opvallend contrast met de sterk gevarieerde gevelwanden elders in de oude kern. Eigentijdse interpretatie Vanuit de historische verkenning zijn nieuwe ontwerpen ontstaan voor 52 gevarieerde stadshuizen en appartementen. Rijnboutt heeft er bewust voor gekozen de geschiedenis niet letterlijk te kopiëren, maar daar op een eigentijdse manier bij aan te sluiten met een consistente architectonische benadering. De werf is altijd ‘anders’ geweest dan de rest van Muiden en was tegelijkertijd nauw met de stad verbonden. Zowel het eigenzinnige industriële verleden van deze specifieke plek als de stedelijke samenhang met de hele oude kern waren belangrijke uitgangspunten bij het ontwerp. Werfmuur Als artefact van een voor de locatie zo kenmerkend verleden, wil Rijnboutt de werfmuur langs de Hellingstraat behouden. Wellicht vraagt de huidige staat van de muur erom hem af te breken en daarna weer steen voor steen op te bouwen, maar de essentie is dat de muur blijft. De muur wordt niet verlaagd, wel mogelijk in noordelijke richting iets verlengd. Om de erachter liggende woonlocatie goed toegankelijk te maken en de zichtrelatie met de Vecht vanuit de Hellingstraat te versterken, worden plaatselijk openingen in de muur gemaakt, waarachter steegjes naar het waterkant leiden. De kozijnen van de ramen in de werfmuur worden verwijderd en de openingen optioneel hier en daar dichtgemetseld; de bestaande repetitie van ramen blijft bestaan. Appartementengebouwen Het industriële karakter van de werfmuur en de grote scheepsloods zijn leidend voor de verdere uitwerking van de appartementengebouwen. Maatvoering, materiaal en bouwwijze borduren hierop voort. De appartementen worden opgetrokken uit baksteen: sober metselwerk met stalen kaders (of elk hiermee vergelijkbaar alternatief). De daken zijn geïnspireerd op de industriële kapvormen: sheddaken, zadeldaken of gebogen daken zoals je die bij oude loodsen ziet. De gevelwanden aan de kant van de Hellingstraat en langs de stegen zijn ontwikkeld in dezelfde taal als de werfmuur, met eenzelfde ritmiek, repetitie en grid. Daarom bevat het ontwerp ook maar een beperkt aantal gevelopeningen aan de westkant van de gebouwen, voorzien van louvres of luiken met het oog op de avondzon. In de steeg om de hoek (noord- en zuidgevel) ontwikkelen opbouw en ritmiek zich naar een opener variant, om zich aan de oostzijde optimaal te openen naar het water. Er zijn veel pandsgewijze verschillen, maar toch zijn de gebouwen familie van elkaar. Een groter volume kan in tweeën worden gedeeld; er komt veel variatie in verdiepingshoogten en de hoogte van horizontale belijningen. Meer specifiek volgen de appartementengebouwen de richtlijnen zoals die staan vermeld in het BKP. Voor elk appartementengebouw wordt gestreefd naar een sobere en terughoudende aanwezigheid in het woongebied. Het worden geen extraverte iconen, maar gebouwen die zich zonder al te veel bravoure voegen naar het verhaal van deze locatie. Vanaf de overkant van de Vecht zijn ze straks – net als de loodsen van weleer – goed te zien, maar vanuit de Hellingstraat niet. Zoals nu alleen de top van de huidige scheepsloods uitsteekt boven de industriële werfmuur, zo zullen, bij behoud van de muur, de appartementenblokken zich niet wezenlijk in het straatbeeld manifesteren. Stadshuizen Evenmin opvallend noch schreeuwend, maar naar hun aard licht en bewegelijk, geven de stadshuizen of werfwoningen leven aan het ensemble. Voor het ontwerp van deze ruime woningen gelden de kenmerken van het binnenstedelijk weefsel: pandsgewijze contrasten in gevelopbouw (compositie, open-dicht-verhouding, verfijning), kleur en materialisering. Meer specifiek volgen zij de richtlijnen zoals die staan vermeld in het BKP. Een enkel stadshuis oogt gracieus en verfijnd, complex en gelaagd; een ander (boothuis) juist monolithisch – met één kleur en één materiaal – in contrast tot de rest. Gradiënt In plaats van de ruimte in het bestemmingsplan tot het uiterste te benutten, is ervoor gekozen meer zichtlijnen, lucht en licht in het ontwerp aan te brengen. Het streven is een open beeld, waardoor je dit gebied kunt overzien en als geheel blijft ervaren. Er zijn er stegen tussen de gebouwen gemaakt die de lange tijd gesloten werf weer ‘openbreken’. Langs die stegen is in de richting van het water een graduele verschuiving aangebracht in de materiële zwaarte van de gebouwen. Ter hoogte van de Hellingstraat zijn de grote appartementengebouwen nog verbonden met de historische werfmuur, maar naar het water toe wordt de korrel kleiner en de bebouwing lichter. Zo ontstaat een gradiënt van achter naar voren: van ‘ingehouden’ naar ‘speels en individualistisch’, van ‘zwaar’ naar ‘licht’. Wandelend naar het water is er ook een graduele overgang te zien van privé naar collectief en vervolgens openbaar terrein. De entrees van appartementengebouwen en stadshuizen zijn opgenomen in de gevel direct aan het openbaar gebied of liggen terug (inpandig voorgebied). De privacy van de aanpalende buitenruimte van de appartementen op de hoek van een steeg wordt gewaarborgd door het plaatsen van een haag. De ruimte achter de haag kan door de bewoners worden benut met planten en een bankje voor in de ochtendzon. Door toevoeging van een ondergrondse parkeergarage voor circa 100 auto’s wordt het openbare gebied autovrij. Daarnaast wordt het ook fietsluw; het terrein zal hoofdzakelijk door wandelaars gebruikt worden. Haaks op de Vecht aangebrachte belijningen in het plaveisel beklemtonen de industriële sfeer van de voormalige scheepswerf en herinneren aan de hellingbanen voor de schepen. Parallel aan de waterkant komen twee lineaire stroken. Een groene strook met bomen en beplanting geeft rugdekking aan de wandelaar die de oeverkant wil opzoeken, de strook aan het water is een verwijzing naar de maritieme wereld, met houten vlonders en boten. Proces en stand van zaken Het stedenbouwkundig plan voor Schoutenwerf Muiden voorziet in een aantal forse gebouwen. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed toonde zich bij de eerste verkenning beducht voor volumes van een dergelijke omvang, ook al voorzag het bestemmingsplan daar wel in. In nauw overleg met de commissie is/wordt gewerkt aan een zorgvuldige inpassing, met extra verbijzonderingen en variatie tussen de panden onderling. Zo worden grotere volumes bijvoorbeeld opgedeeld, er worden setbacks toegepast, en ‘luchtige’ glazen kroonlijsten die refereren aan de oude scheeploods. Op verschillende manieren wordt gewerkt aan extra finesse in het ‘anders zijn’, zodat elk gebouw op zichzelf staat maar ook aansluit bij het totaal. Daarmee krijgt de Schoutenwerf – die altijd op geheel eigen wijze onderdeel geweest van de historische kern van Muiden – weer nieuw leven ingeblazen.

De werf bij de sluis in Muiden

20 juni 2018

Een unieke plek middenin historisch Muiden. Waar de Stelling van Amsterdam overgaat in het achterland en de rivier de Vecht uitmondt in het uitgestrekte IJmeer. Nu de voormalige doopplaats van talloze vissersschepen, pramen en tjalken in noordelijke richting is verlegd, doet zich de kans voor om deze centraal gelegen plek te transformeren tot een nieuw woongebied. De Werf bij de Sluis in Muiden: Een plek met een rijke geschiedenis en een veelbelovende toekomst. De werf wordt weer van Muiden Lange tijd is het gebied afgesloten geweest, ontoegankelijk voor publiek. Met het nieuwe plan wordt de Werf weer van Muiden. Na jaren buiten gebruik te zijn geweest, maakt de werf plaats voor een modern en tijdloos woongebied. De kade? Die wordt opnieuw ingericht. Daar kunt u straks, onder het genot van een goed glas wijn, naar passerende bootjes kijken of een stukje ouderwets flaneren. De woningen In totaal worden er 52 luxe koopwoningen gerealiseerd. Werfwoningen, appartementen en penthouses. Ruime woningen met tuin en privé ligplaatsen voor de deur. Parkeren gebeurt natuurlijk ondergronds in een ruime garage. De woningen zijn ontworpen voor een optimale beleving van de omgeving. Het streven naar maximale privacy staat het zicht op het Muiderslot, de Vecht en de kleurrijke Herengracht niet in de weg. Het terrein als geheel ademt de industriële sfeer van de scheepswerf die het was en maakt gelijktijdig onmiskenbaar deel uit van het historische Muiden. Rijnboutt “Erfgoed staat volop in de belangstelling. Bij Rijnboutt geloven we in het principe behoud door ontwikkeling. De transformatie van scheepswerf naar woongebied is een belangrijke culturele opgave, niet alleen met het oog op de geschiedenis van Muiden maar ook in het belang van een duurzame toekomst.“ – Bart van der Vossen, architect Rijnboutt Architecten. Rijnboutt heeft De Werf bij de Sluis in Muiden met heel veel liefde voor de plek en oog voor de omgeving her-ontwikkeld. Het is niet de eerste keer dat de architecten van Rijnboutt een herbestemmingsopgave tot een succesvol einde brengen zonder daarmee de unieke monumentale waarde van het gebied aan te tasten. Uitgangspunten architectuur De woningen gaan een relatie aan met de omgeving, met het water, met Muiden. De architectuur refereert naar de kern van Muiden maar is niet historiserend. Een mooie combinatie van oud en nieuw, waarbij gebruik zal worden gemaakt van hoogwaardige materialen zoals koper, zink, staal, hout en glas. Hoogwaardige nieuwbouw met bijzondere gevelopeningen waarbij binnen en buiten naadloos in elkaar overgaan. Het wordt prachtig! 26 juni inloopbijeenkomst Op 26 juni is er een eerste inloopbijeenkomst voor inwoners van Muiden om kennis te nemen van de plannen en vragen te stellen aan de architecten, de ontwikkelaar en het bouwbedrijf. De verkoop start later dit jaar of aan het begin van volgend jaar. Bezoek de website voor meer informatie www.dewerfbijdesluisinmuiden.nl

Transformatie van de kop van Cruquius

15 juni 2018

Rijnboutt werkt sinds 2016 aan het ontwerp voor de kop van Cruquius. Het stedenbouwkundig concept, de inrichting van de openbare ruimte, het ontwerp van drie woongebouwen met parkeergarage, de herbestemming van ‘De Werkmeester’ en de hoge duurzaamheidsambities vormen de basis van deze opgave. In opdracht van Amvest en in samenwerking met Bedaux de Brouwer Architecten is onlangs het voorlopig ontwerp afgerond. Het Cruquiusgebied wordt aan twee zijden begrenst door water; de Entrepothaven aan de westzijde en het Amsterdam-Rijnkanaal aan de oostzijde met op de kop uitzicht op het IJ. Op deze plek is het gevoel van een eiland en de rijke havenindustrie het meest voelbaar. De schaal van het Amsterdam-Rijnkanaal, de harde wind, de voorbijglijdende grote schepen en het magnifieke uitzicht zijn belangrijke uitgangspunten geweest voor het ontwerp. Buro Lubbers heeft in opdracht van Stadsdeel Oost een raamwerk openbare ruimte opgesteld met bijbehorende spelregelkaart. Vervolgens is door Rijnboutt een stedenbouwkundige concept gemaakt waarin een autovrij plein ontstaat georiënteerd op de Entrepothaven. Op het centrale plein krijgt het gebouw ‘De Werkmeester’ een belangrijke rol. Het gebouw wordt verplaatst en krijgt een nieuwe functie als restaurant en ontmoetingsplek voor de buurt. In 1908 vestigde de N.V. Nederlandsche Metaalhandel als één van de eerste in het Cruquiusgebied. Het gebouw ‘De werkmeester’ is ontworpen door Willem Langhout als kantoor met twee woningen. Bureau Monumenten en Archeologie omschrijft het gebouw als beeldbepalend voor de industriële geschiedenis van Cruquius. Rijnboutt onderzoekt de mogelijke aanpassingen en de positie van ‘De Werkmeester’ om het geschikt te maken voor haar nieuwe functie en positie op Cruquius. In het stedenbouwkundig plan ontwerpt Rijnboutt ook de inrichting van de openbare ruimte. Hierbij vormt het industriële karakter van Cruquius en de relatie met het water de basis van het ontwerp. De verblijfskwaliteit van het openbaar gebied wordt verhoogd door het grotendeels autovrij en groen in te richten en te voorzien van speelaanleidingen. Het centrale plein wordt verbonden met de Entrepothaven. Het nautisch karakter van het plein wordt versterkt door het verlagen van het plein richting het water en het toevoegen van een boardwalk. In het gebied worden vier nieuwe woongebouwen ontworpen: Houtsma Noord en Zuid, Metaalpark en Candido als werktitel vernoemd naar de voormalige gebruikers van de percelen. Candido wordt ontworpen door Bedaux de Brouwer Architecten, de overige drie gebouwen door Rijnboutt. In totaal zijn er in de vier woongebouwen ca. 340 woningen, commerciële ruimten in de plint en inpandige/ondergrondse parkeergarages voor fietsen en auto’s. De woongebouwen hebben een gedifferentieerd woningbouwprogramma en zijn ontworpen met zogenaamde ‘groene oases’, binnentuinen die zorgen voor geborgenheid in de wijdsheid van deze locatie. Alle disciplines van Rijnboutt -architectuur, stedenbouw, landschap, duurzaamheid en erfgoed- werken samen aan het ontwerp van de kop van Cruquius. Voor de gehele planvorming heeft Rijnboutt een ‘duurzame kansenkaart’ gemaakt waarin alle disciplines zijn vertegenwoordigd. De integrale benadering zorgt voor een duurzame gebiedsontwikkeling van Cruquius, een opgave waar wij met veel plezier aan werken. Bekijk hier de woonblokken op Cruquius

Olympisch kwartier ontvangt DOCOMOMO

23 mei 2018

Leden van DOCOMOMO Nederland bezochten de voormalige Citroën gebouwen en het voormalige burgerweeshuis van Aldo van Eyck. Joep van As, projectarchitect voor Bierman Henket architecten en bestuurslid van DOCOMOMO introduceerde de aanwezigen in het Olympisch ensemble van Jan Wils, een van de grondleggers van “de Stijl”. Transformatie voormalige Citroën gebouwen Het Olympisch Stadion, de beide garage gebouwen en de twee portierswoningen zijn door Wils in samenhang ontworpen. Bierman Henket architecten ontwerpt de vernieuwing van het Zuidgebouw. De transformatie van het in 1962 gerealiseerde Noordgebouw werd door Joost Verheus van Rijnboutt toegelicht. Beide voormalige garagegebouwen worden ingrijpend getransformeerd waarbij behoud en herstel, vernieuwing en transformeren zorgvuldig worden afgewogen in relatie tot nieuw programma, erfgoedwaarde en beoogde kwaliteitniveau. Renovatie van Het Burgerweeshuis Sander Nelissen Wessel de Jonge architecten en Roy Bijhouwer Atelier Quadrat gingen in op de renovatie van het Burgerweeshuis. Het Burgerweeshuis is met groot respect voor erfgoedwaarde gereed gemaakt voor huisvesting van BPD. De tuinen, patio’s en omringend maaiveld zijn in ere hersteld waarbij inpassing van objecten uit de kunstcollectie van BPD een bijzondere opgave vormde. Excursie DOCOMOMO Aansluitend werden de drie projecten bezocht waarbij aanwezigen een goed beeld konden vormen van de wijze waarop wordt omgegaan met de transformatie en renovatie opgave van deze bijzondere monumenten. Stichting DOCOMOMO Nederland is een werkgroep van de internationale non profit organisatie voor het DOcumenteren en COnserveren van gebouwen en stedenbouwkundige en landschappelijke ensembles van de MOdern MOvement (Moderne Beweging).

Catharinasteeg genomineerd voor de NRP Gulden Feniks prijs

01 mei 2018

Op 1 juni 2018 zijn de genomineerde projecten voor de NRP Gulden Feniks prijs bekend gemaakt. Het project Aalmarkt in Leiden door Rijnboutt, samen met MRP Development en de Gemeente Leiden, is genomineerd in de categorie gebiedstransformatie. NRP Gulden Feniks NRP Gulden Feniks is dé prijs ter bevordering van en inspiratie voor duurzaam gebruik van de bestaande omgeving. De prijs wordt jaarlijks toegekend in de categorieën: gebiedstransformatie, transformatie, renovatie. De uitreiking van de prijzen (en bekendmaking van de winnaars) vindt plaats op woensdag 27 juni in de Caballero fabriek in Den Haag. Catharinasteeg, Aalmarkt Leiden In de historische binnenstad van Leiden is samen met MRP Development en Gemeente Leiden een grote herbestemming gerealiseerd. In het Aalmarktgebied is op de plek van de oude Van Nelle fabriek een nieuwe winkelstraat gecreëerd. Deze nieuwe straat “Catharinasteeg” vormt samen met de nieuwe Catharinabrug een verbinding tussen de Breestraat en de Haarlemmerstraat. Hiermee is een logische winkelroute gemaakt. Het project bestaat uit 6 rijksmonumenten en 8 gemeentelijk monumenten die samen versmelten met de nieuwbouw aan de Catharinasteeg. Het monumentale karakter is zoveel als mogelijk behouden gebleven door o.a. het hergebruik van de oude materialen en restaureren van de bestaande panden. De moderne winkels zijn gekoppeld met de historische panden zodat je beide werelden ervaart tijdens het winkelen. Boven de winkels is voor de levendigheid en sociale veiligheid 21 woningen gerealiseerd. De woningen zijn divers in omvang (van 24 tot 84 m²), uitzicht en sfeer en worden ontsloten aan de Aalmarkt, Mandemakersteeg en Catharinasteeg. Het winkeloppervlak bedraagt ca. 5.700 m² en bestaat uit 10 retail- en horecaunits. In de nieuwe binnentuin “het Catharinahof” is ruimte voor cultuur en horeca met terrassen. Doelstelling In 2009 besloot de gemeenteraad van Leiden tot een ingrijpende transformatie van het winkelhart. Het was het begin van een proces waarin stap voor stap de vraag naar een grootschalig winkelcentrum in overeenstemming moest worden gebracht met de fijnmazigheid van het historisch stedelijk weefsel van Leiden. Hoofdlijnen van het programma van eisen Primair stelde het project een tweeledige uitdaging. Een: er moest een nieuwe route worden gerealiseerd dwars door de bestaande historische stedelijke structuur, een route die logisch moest aansluiten op de bestaande winkelroutes; twee: er moesten grootschalige winkels worden gebouwd naast – of zelfs met inbegrip van – historische panden met een kleine korrelgrootte, waarvan het merendeel als rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalend pand was aangemerkt; een ingreep dus, waarbij erfgoedwaarden gerespecteerd dienden te worden. Lees meer over Catharinasteeg, Aalmarktgebied Leiden op de website van NRP Gulden Feniks

Aalmarktgebied in Leiden is archeologisch walhalla

25 april 2017

Wie nieuwsgierig is naar de historie van het Aalmarktgebied, kan zijn archeologische hart ophalen aan de 21 monumentale panden die worden hersteld en de archeologische vondsten die tijdens de bouw zijn ontdekt. ‘’Het nieuwe winkelhart van de binnenstad van Leiden wordt niet alleen een aantrekkelijk en compact winkelcircuit, maar blijkt ook een buitengewoon archeologisch walhalla te zijn’’, aldus Rob van Loosbroek, projectmanager en directievoerder namens BOAG Advies en Management. Eind 2012 is op initiatief van de gemeente Leiden en projectontwikkelaar MRP Development B.V. een plan ontwikkeld om het winkelarsenaal in de binnenstad met groot respect voor de historie uit te breiden, op te knappen en te moderniseren. In totaal wordt 24.000 m² aan winkeloppervlak ontwikkeld, waarvan 8.000 m² uitbreiding en 16.000 m² renovatie. Rekening houdend met de 21 monumenten in het gebied worden er grotere winkelunits gecreëerd, zodat grotere fashionketens zich in het Aalmarktgebied kunnen vestigen. BOAG is betrokken bij twee van de vier deelprojecten; het Stadsgehoorzaalblok en deelproject de Catharinasteeg. Eerder lieten wij weten dat in de nieuwe Catharinasteeg het hoogste punt was bereikt. BOAG ondersteunt MRP Development B.V. bij het realiseren van deze nieuwe winkelstraat in de vorm van directievoering. Historie nieuwe Catharinasteeg Na jaren van archeologisch onderzoek heeft Monumentenzorg en Erfgoed Leiden en Omstreken kennis uit het verleden bij elkaar gebracht en bruikbaar gemaakt voor iedereen in de vorm van een informatieve brochure. Ook niet onbelangrijk: dankzij dit archeologische onderzoek is het stedenbouwkundig en architectonisch ontwerp van de Catharinasteeg definitief geworden. Dit is mogelijk gemaakt door het verzamelen van informatie uit het verleden, zoals het documenteren van ‘’vroege’’ foto’s en afbeeldingen, omschrijvingen en geschriften, inmeetgegevens en vondsten. Zo wordt bijgedragen aan de kwaliteit en identiteit van een moderne leefomgeving. Archeologische vondsten en feitjes Projectmanager en directievoerder Rob van Loosbroek is nauw betrokken bij de bouw en oplevering van de Catharinasteeg. Doordat BOAG de belangen van MRP Development B.V. op de bouw behartigt, waren we vaak aanwezig als er nieuwe vondsten werden opgegraven of als eeuwenoude constructies werden gerestaureerd. Hierbij een greep uit de gegevens: 1 “Aan de Breestraat is een slecht pand gesloopt en een doorbraak gemaakt naar de Aalmarkt; zo ontstond een nieuwe steeg, de Catharinasteeg, vernoemd naar het St. Catharinagasthuis. Een gasthuis dat onderdak en eten bood aan arme reizigers. Ook werden er zieken verzorgd en konden mensen er, tegen betaling, hun oude dag doorbrengen.’’ 2 “De steeg is ca. 80 meter lang, 4 tot 6 meter breed en vanaf de Breestraat aflopend naar de Aalmarkt met een hoogteverschil van 2,55 meter.’’ 3 “In het oudste deel van de stad is onder meer een gevelsteen uit 1588 gevonden en weer opgenomen in de herstelde gevel van het pand. De kapconstructies van Aalmarkt 11 dateren bijvoorbeeld uit 1455/1456. Dankzij gecombineerd archeologisch, bouwhistorisch en archiefonderzoek is er veel bekend over deze kapconstructies: zo werden er in het midden van de 15e eeuw diverse losse gebouwtjes die onderdeel waren van het Catharinahuis, vervangen door nieuwe aanbouwen. Het deel van de vleugel dat nog overeind staat: Aalmarkt 11, dat werd ingezet als verpleegzaal voor pestlijders.’’ 4 “Elk pand is beschreven voordat de achterbouwen verdwenen en de bouwput voor de nieuwe grootschalige winkels gegraven kon worden. Dit gebeurde onder het toeziend oog van de archeologen. De nieuwbouw is gestart eind 2015 en alle bouwactiviteiten hebben ertoe geleid dat bouwer Du Prie bouw & ontwikkeling op 22 februari 2017 de nieuwe winkel voor H&M, met daaraan gekoppeld de monumentale panden van de Mandemakerssteeg 3 t/m 13 en van Aalmarkt 17 en 18, aan MRP Development B.V. heeft opgeleverd.” “In de daaropvolgende weken hebben BBC Bouwmanagement en BOAG Advies en Management de overige werkzaamheden van MRP Development B.V. in eigen beheer laten uitvoeren. Een kleine maand later, vrijdag 10 maart 2017 om precies te zijn, heeft MRP Development B.V. de nieuwe vestiging overgedragen aan H&M. De afbouw is na overdracht direct gestart, op 7 juni 2017 wordt de nieuwe H&M winkel geopend. Op 2 juni 2017 wordt de Catharinasteeg door MRP overgedragen aan de gemeente Leiden zodat het winkelend publiek de nieuwe winkels goed kan bereiken”, aldus Van Loosbroek. www.vastgoedjournaal.nl

Monumentale sheddaken en historische verbindingsgang bezorgen winkelend publiek een extraatje

09 november 2016

De AaBe fabriek – een rijksmonument van naam in Brabant – wordt getransformeerd tot winkelcentrum. Hierdoor is het vanaf het eerste moment een bijzonder winkelcentrum. De monumentale muren, schoorsteen en sheddaken zijn behouden gebleven en trakteren de moderne shopper op een extraatje. De geschiedenis van het pand is letterlijk voelbaar gebleven. De eerste plannen voor het transformeren van de AaBe fabriek ontstaan in de jaren negentig. Door de gunstige ligging van het monument is voor iedereen duidelijk dat het mogelijkheden biedt voor de detailhandel. Toch volgt dan nog een lange periode van stilte, waarin het monument langzaam verpaupert. Pas begin 2013 gaat Rialto Vastgoedontwikkeling over tot de aankoop van de voormalige stoffenfabriek, om het in drie fasen te transformeren tot een eigentijds winkelcentrum. Het totale project omvat circa 30.000 m² bruto vloeroppervlak en zo’n 730 parkeerplaatsen. Veel discussie Nu is de AaBe fabriek niet zomaar een locatie; het is een plek met emotie. Veel Brabanders hebben er in het verleden mee te maken gehad. Het is ook een Rijksmonument. Dat betekent dat de Rijksdienst voor Industrieel Erfgoed een belangrijke rol speelt bij de transformatie van het fabriekspand. En ten slotte is het een ingewikkeld gebouw. “Deze factoren tezamen hebben voor veel discussie gezorgd”, vertelt Kees Schipper, directeur van Rialto. “Het is een continue zoektocht geweest naar de juiste balans: Welke elementen moeten behouden blijven? Welke worden vernieuwd en welke elementen zijn onmisbaar in een modern winkelcentrum?” Het behoud van de sheddaken Het oudste deel, met zijn typische sheddaken, dateert uit 1930. Iedereen is het er over eens dat de daken behouden moeten blijven. De ramen, die alleen het licht uit het noorden doorlaten, zorgen voor een plezierige sfeer, goed werklicht en koelte in de zomer. Maar hoever ga je dan? Moeten de ramen volledig worden gerestaureerd of mogen ze ook worden nagebouwd met nieuwe materialen? Schipper: “Hier hebben we moeten kiezen voor vervanging; 8 km dakrestauratie was eenvoudigweg te kostbaar.” Ook de robuuste, monumentale gang die de gebouwen verbindt en toegang geeft tot de werkkamers, wordt onderwerp van gesprek. De staalconstructie blijkt nog in uitstekende staat te verkeren en wordt alleen gereinigd. Het metselwerk in de gang wordt hier en daar aangeheeld, maar blijft voor het overgrote gedeelte in de oorspronkelijke staat. Zo onderstreept het de monumentale sfeer. De toegangen tot de winkels krijgen grote, zinken schuifdeuren en de oude steunen aan het metselwerk fungeren in de nieuwe bestemming als ophangelement voor reclameborden. Nieuwbouw met respect “Er zijn ook gedeeltes gesloopt”, erkent Schipper, “maar deze zijn met respect weer nieuw gebouwd. Zo zijn de nieuwbouwgedeeltes aan weerszijden van het gebouw opgetrokken in een passende steen. Als een soort boekensteunen ondersteunen deze het monument.” De discussie over de 50 m hoge schoorsteen verloopt vlot. De toren is een landmark in Tilburg en wordt van top tot teen gerestaureerd. In het vernieuwde fabriekspand kunnen Tilburgers en anderen nu al naar hartenlust shoppen. Schipper: “Winkelen in een schitterend gerestaureerd pand biedt zoveel toegevoegde waarde.” Medio 2017 wordt de derde fase – en daarmee het totale AaBe Retailpark – opgeleverd. Lees de volledige publicatie in Stedenbouw editie 739

Kunstwerk Amsterdam Oersoep krijgt vorm

31 augustus 2016

Gisteren – 30 augustus – zijn de spiegels geplaatst van het kunstwerk Amsterdam Oersoep in de Beurspassage in Amsterdam. De spiegels, op traditionele manier vervaardigd door Van Tetterode Glasstudio, zijn een belangrijk onderdeel van het gesamtkunstwerk van Arno Coenen, Iris Roskam en Hans van Bentem. Amsterdam Oersoep vormt de kroon op het werk van de omvangrijke herontwikkeling van de panden Damrak 70, 80 en Nieuwendijk 196. Een speciale glasrobot tilde de enorme spiegels, met een formaat van drie bij vier meter en een gewicht van 500 kilogram, van de trailer. Vervolgens werden de spiegels een kwartslag gedraaid en zo de Beurspassage ingereden. Daar zijn ze op de wanden van het kunstwerk bevestigd. Voor Caroline Prisse, directeur van Van Tetterode, was het een bijzonder moment, waar vele maanden werk aan vooraf was gegaan. “Wij vinden dit een verrijking voor de stad Amsterdam”, is haar commentaar. “Het was fantastisch om hier samen met Iris, Arno en Hans aan te mogen werken.” Antieke reclamespiegels De wandspiegels zijn ingelegd als antieke reclamespiegels zoals die begin vorige eeuw werden gemaakt voor drank- en tabaksmerken. Hier wordt gerefereerd aan de stijlperioden van de omliggende architectuur, namelijk art deco en jugendstil. Elke spiegel is in drieën opgedeeld, in een rechthoekig centraal paneel met aan weerszijden twee gelijkvormige smallere panelen. Deze delen zijn gescheiden door middel van lijsten in de stijl van de omliggende architectuur. Onder de spiegels is een stenen basis aangebracht, als overgang naar de granito vloer. Ode aan de grachten Het kunstenaarsduo Arno & Iris (bekend van de plafondafbeelding ‘Horn of Plenty’ in de Markthal Rotterdam) en Hans van Bentem (bekend van onder andere zijn beroemde kroonluchters uit de campagnes van Victor & Rolf) brengen met ‘Amsterdam Oersoep’ een ode aan de Amsterdamse grachten. Iris is degene die voor de spiegels verantwoordelijk is: “Dit is een hele bijzondere dag voor mij. Wij maken het culturele erfgoed van de toekomst”. Naast de spiegels bestaat het kunstwerk uit een plafond van ruim 450 m2 glasmozaïek. De vloer wordt door een oud Italiaans familiebedrijf voorzien van Terrazzo en de wanden van handgemaakte tegels met glas-in-lood objecten. Populaire doorgang De Beurspassage, met het kunstwerk Amsterdam Oersoep, verbindt het Damrak met de Nieuwendijk en is een populaire doorgang voor zowel bewoners als bezoekers. De afgelopen jaren transformeerden institutioneel belegger/eigenaar Bouwinvest en ontwikkelaar Top Vastgoed de verouderde panden aan de Amsterdamse Nieuwendijk 196 en Damrak 70 en 80 naar hypermoderne vestigingen van internationale retailers, zoals de Zara, JD Sports en C&A. Eind dit jaar komt daar nog eens de Primark – hun flagshipstore voor Nederland – bij. In totaal omvat het project, dat bekend staat onder de naam Nowadays, 27.500 m2. Een bijzonder omvangrijk project voor het winkelhart van Amsterdam en – voor Nederlandse begrippen – een uitzonderlijk grote en ingrijpende renovatie van winkelvastgoed in de binnenstad. De oplevering van Nowadays, met als sluitstuk de opening van de Beurspassage, vindt eind dit jaar plaats. Hiermee zet Bouwinvest de laatste stap in een van de grootste Nederlandse binnenstedelijke retail herontwikkelingen van de afgelopen jaren.

Project Rijnboutt geselecteerd voor Geurt Brinkgreve bokaal 2015

06 oktober 2015

De Jumbo Foodmarkt in Amsterdam-Noord, een project van Rijnboutt, is geselecteerd voor de Geurt Brinkgreve bokaal. Deze award wordt jaarlijks uitgereikt aan het beste herontwikkelings- of renovatieproject van Amsterdam. De winnaar wordt in december bekendgemaakt. In opdracht van Jumbo Supermarkten maakte Rijnboutt een ontwerp voor het herbestemmen van een deel van de oude Storkfabriek in Amsterdam-Noord tot een Jumbo-versmarkt. In de monumentale loods is een bijzondere winkel gebouwd rond het thema voeding, met diverse stands en restaurants die food uit alle delen van de wereld bereiden, serveren en verkopen. De Foodmarkt is zo een bijzondere fusie van retail en horeca, met een educatieve, culturele en recreatieve invalshoek. Architectuur Belangrijk uitgangspunt was het behoud van de industriële sfeer van zowel de fabriek als het terrein en het zoveel mogelijk hergebruiken van op de locatie aanwezige bouwmaterialen. Architect Mattijs Rijnboutt: “Het gelimiteerde budget voor deze opdracht leek aanvankelijk een beperkende factor, maar heeft uiteindelijk onze creativiteit juist gestimuleerd. Zo is in de gevels een aantal ingrepen gedaan om de nieuwe entree en de expeditie van de versmarkt te realiseren. Deze sluiten aan bij het industriële karakter van het complex, maar hebben een terughoudende en eigentijdse vormgeving. Delen zijn vernieuwd, schoongemaakt en hersteld, en er zijn nieuwe kozijnen en glas geplaatst. De voorgevel is in oude luister hersteld met behoud van het patina met als doel de rijke gelaagdheid van de geschiedenis van dit industriële erfgoed te tonen.” “Details en constructie zijn tot een expressief onderdeel van de winkelbeleving gemaakt. Op het voorterrein is, met een knipoog naar het vroegere industriële gebruik, een staalconstructie geplaatst die de voetganger begeleidt naar de entree van de versmarkt.” De Overkant De fabrieksloods is eigendom van woningcorporatie Eigen Haard en vormt samen met de evenementenlocatie Kromhouthal en het restaurant Stork een aantrekkelijk ensemble op het industriële bedrijfsterrein De Overkant. De Overkant is bij uitstek de plek waar werken, cultuur en horeca samenkomen. Het terrein ligt prachtig aan de IJ-oever in Amsterdam-Noord en is maar enkele minuten van het centrum verwijderd. De Overkant kent een rijke geschiedenis: van een scheepsbouwfabriek naar een plek waar machines voor de voedselverwerkende industrie werden gebouwd. Het project De Overkant leidt tot emancipatie en aansluiting van ‘Noord’ bij de rest van de stad, mede door de rijke mix van verschillende functies van het gebied en de aansluiting op het bootvervoer van de circle line. Over de Geurt Brinkgreve bokaal De Geurt Brinkgreve Bokaal is een onderscheiding die de gemeente Amsterdam jaarlijks toekent aan het beste initiatief op het gebied van herontwikkeling of renovatie in de bestaande (gebouwen)voorraad, waardoor een gebouw door hergebruik wordt ‘teruggegeven’ aan de stad en de buurt. De prijs is bovendien nadrukkelijk bedoeld voor een gebied dat door de ingreep een meerwaarde of impuls geeft aan de buurt. De gemeente meent dat passende herbestemming leidt tot behoud van erfgoed.

Rijnboutt betrokken bij transformatie Rivierzone Vlaardingen

16 januari 2015

Persbericht, 16 januari 2015 Wonen in het hart van Vlaardingen, met een fantastisch uitzicht op de Nieuwe Maas. Misschien wel in een appartement in een van de oude, stoere pakhuizen aan de kade. Dat kan werkelijkheid worden. En er is nog veel meer mogelijk. De gemeente Vlaardingen zet vandaag (16 januari 2015) de handtekeningen onder de overeenkomst over de ontwikkeling van de Rivierzone. Rijnboutt is verantwoordelijk voor de stedenbouwkundige opzet, het landschappelijk ontwerp en de supervisie over de architectuur. De Rivierzone is een strook van ongeveer 5 kilometer lang aan de Vlaardingse Nieuwe Maas. Hier wordt gewoond (zo’n 800 huishoudens) en gewerkt, onder meer op de bedrijventerreinen ’t Scheur en De Vergulde Hand. Maar daarmee is nog niet alles gezegd. De Koningin Wilhelminahaven heeft zich ontwikkeld tot een populair uitgaansgebied. Met zijn oude havengebouwen, stoere pakhuizen en weidse vergezichten over het water is vooral het zogenoemde Kerngebied van de Rivierzone een bijzondere locatie. Dit gedeelte (zo’n 70 hectare) ligt mooi aan de Nieuwe Maas, rondom de Buitenhaven, dichtbij het centrum en het station. Aansluiting De gemeente Vlaardingen heeft al jarenlang plannen om op deze plek de stad weer beter met de rivier te verbinden. Begin 2012 werden marktpartijen uitgenodigd om met voorstellen in deze richting te komen. Aan het eind van dat jaar koos de gemeente na een grondige afweging voor het plan van de combinatie, ontwikkelaar OMA. Amsterdam, bouwer Kroon & De Koning (VolkerWessels), Rijnboutt en adviesbureau Arcadis. Nu de ontwikkelovereenkomst is ondertekend, kan worden gestart met de uitvoering van de ambities. De Rivierzone transformeert de komende jaren tot een boeiend, gemengd stedelijk gebied, waar wonen, werken en recreëren hand in hand gaan. De relatie tussen het oude centrum, de haven, het station en de rivier komt daardoor veel beter uit de verf. Flexibel ‘De kracht van het plan is de flexibele opzet,’ zegt stedenbouwkundige en landschapsarchitect Richard Koek van Rijnboutt. ‘We kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Kernpunt is dat er plaats is voor een breed scala aan bestemmingen die passen bij de kwaliteiten van het gebied. Er is ruimte voor wonen, maar ook voor bedrijvigheid, onderwijsvoorzieningen die gerelateerd zijn aan de maakindustrie, horeca en zorginstellingen. We hebben expres geen dichtgetimmerd uitvoeringsplan gemaakt, maar een ruimtelijke en programmatische studie naar de sterke punten van dit gebied en naar de mogelijkheden op deze plek.’ Bij die mogelijkheden valt te denken aan herbestemming van (industriële) gebouwen, nieuwbouw (in duidelijk onderscheiden woonmilieus), betere verbindingen en mooiere publieke ruimten. Maar het plan omvat ook een ontwikkelstrategie. Daarin is nadrukkelijk ruimte voor particulier initiatief, sociaaleconomische vernieuwing, zorg en onderwijs, en voor goed gebruik van het bijzondere cultuurhistorisch erfgoed op deze plek. Richard Koek: ‘Eigenaren van gebouwen in dit gebied kunnen aanhaken. Als het goed is, gaat dit plan initiatieven bij anderen losmaken. Er gaat dus veel meer gebeuren dan wij kunnen bedenken. Zo verwachten we dat woningcorporaties hun bezit uit de jaren zestig en zeventig gaan aanpakken. En gezien het groeiend aantal oudere bewoners in Vlaardingen, die vaak gehecht zijn aan hun woonplaats, verwacht ik ook nieuwe initiatieven op het gebied van wonen en zorg in het gebied. Daar is zeker ruimte voor.’ Transformeren Langzaam maar zeker, gedurende tien jaar of langer, zal de Rivierzone transformeren van een haventerrein naar een aantrekkelijke woonplek. Rijnboutt is daarbij verantwoordelijk voor de stedenbouwkundige opzet en de landschappelijke inrichting, plus de beeldkwaliteit van de architectuur. ‘Vanaf nu zal elk jaar weer iets meer in het gebied te beleven zijn,’ zegt Richard Koek. ‘We gaan de visie nu uitwerken in uitvoerbare plannen. Zo gaan we een mooie stationsbuurt maken waarmee je “de stap over de dijk” makkelijker maakt. We gaan aan de rivier bouwen, om de bijzondere kwaliteiten daar extra te benutten. Met nieuwbouw gaan we het havengebied activeren, zodat het meer bezoekers en gebruikers trekt. En we gaan het gebied langs de oude haven en de Touwbaan langzaam opwaarderen door nieuwbouw, herbestemming en herinrichting.’ Hij beklemtoont dat het lokale bedrijfsleven, instellingen en organisaties in Vlaardingen volop gaan participeren in de plannen. Ook is er uitvoerig aandacht voor waterveiligheid (het gebied ligt buitendijks), geluidhinder en andere milieukwesties.

Rijnboutt gaat rivierzone Vlaardingen aanpakken

20 december 2012

Op 18 december heeft de gemeente Vlaardingen gekozen voor het plan van Rijnboutt, OMA Amsterdam, Stam + De Koning en Arcadis voor de transformatie van het Kerngebied van de Vlaardingse Rivierzone. Dit circa 70 ha grote gebied zal veranderen naar een gemengd stedelijk gebied. Begin 2012 nodigde de gemeente Vlaardingen de markt uit om voorstellen te doen voor de aanpak van het kerngebied van de rivierzone van de stad. Na een decennium waarin de gemeente plannen maakte, gronden aankocht en gesprekken voerde, legt zij de verdere ontwikkeling in handen van de markt. Wat na de oproep volgde was een selectieproces dat medio november eindigde met een ontwikkelvisie, verschillende uitwerkingen en een financieel voorstel. De aanbieding van Rijnboutt, OMA Amsterdam, Stam + De Koning en Arcadis is op 18 december voorlopig geselecteerd voor verdere uitwerking. De kern van ons voorstel is een flexibele opzet met een veelheid aan bestemmingen die passen bij de specifieke kwaliteiten van het gebied. Het gaat om herbestemming van (industriële) gebouwen, nieuwbouw in duidelijk onderscheiden woonmilieus, verbetering van verbindingen en van publieke ruimten. Maar het gaat ook om een ontwikkelstrategie met ruimte voor particulier initiatief, sociaaleconomische vernieuwing, zorg en onderwijs en uitnutting van het cultuurhistorisch erfgoed. De maanden januari-maart worden gebruikt om tot een langjarige overeenkomst tussen de ontwikkelingscombinatie en de gemeente te komen. In de loop van 2013 zal meer zichtbaar en voelbaar worden gemaakt.

Nieuwe winkels in historische panden

15 september 2012

Hoge duurzaamheidsscore bij gebiedsontwikkeling Aalmarkt Leiden. De omgeving van de Aalmarkt in Leiden ondergaat de komende jaren een opmerkelijke metamorfose. In het hart van de binnenstad wordt een gebied met meer dan vijftien monumenten grootschalig aangepakt en getransformeerd tot een levendig winkel- en verblijfsgebied. Respect voor de monumenten en hoge duurzaamheidsprestaties staan daarbij voorop. Op 19 september geeft Rijnboutt, bureau voor architectuur, stedenbouw, landschap en strategie, samen met opdrachtgever ASR een presentatie over de plannen. De gemeente Leiden vindt dat de stad aan ondernemers te weinig grote winkeleenheden heeft te bieden. Dat is niet goed voor het vestigingsklimaat en de lokale economie. Koopkracht lekt weg naar andere gemeenten. Om dat te veranderen, ondertekenden ASR Vastgoed Ontwikkeling en de gemeente Leiden in april 2011 een overeenkomst over de omgeving van de Aalmarkt in de binnenstad. Rijnboutt maakte in opdracht van ASR het stedenbouwkundig plan voor het gebied. ‘Wij stonden daarbij voor de taak om winkelpanden te vergroten, wat in een historische omgeving met veel monumenten een grote uitdaging is,’ zegt architect Kees Rijnboutt. De gevonden oplossing heeft de precisie van acupunctuur. In het Haarlemmerstraatblok bijvoorbeeld worden vijf historische panden zorgvuldig verbouwd tot een nieuwe winkel van 1.800m² over vier verdiepingen. Van de bestaande panden blijven drie gevels behouden. Het complex sluit straks door zijn vormgeving, massaopbouw en materialisatie naadloos aan op de fijnmazige structuur van de binnenstad. In het nabijgelegen Stadsgehoorzaalblok worden enkele monumentale panden respectvol samengevoegd, waardoor grotere winkelunits ontstaan. Naast deze herbestemming van oude panden is in het Aalmarkt-plan ook ruimte voor nieuwbouw. Duurzaam ‘Behoud en herbestemming van monumentale gebouwen is per definitie een duurzame ingreep,’ zegt Kees Rijnboutt. Het bureau heeft inmiddels een flinke track record op dit gebied. Al eind jaren tachtig kreeg het WoltersNoordhoff-complex in Groningen naar ontwerp van Rijnboutt een andere bestemming. Het bureau is koploper in duurzame herbestemming van vastgoed en binnenstedelijke gebiedsontwikkeling, twee werkvelden die juist de laatste jaren snel terrein winnen. De duurzaamheidsambities rond de Aalmarkt gaan echter verder dan het geven van nieuw leven aan oude gebouwen. Opdrachtgever ASR wil een BREEAM-duurzaamheidsscore van drie sterren realiseren. BREEAM, de meest complete methodiek voor het meten van de duurzaamheidsprestaties van gebouwen, is ontwikkeld door de Britse Building Research Establishment (BRE) en in Nederland geïmplementeerd door de Dutch Green Building Council, waarin Rijnboutt participeert. Oplossingen Om de hoge ambitie waar te maken, heeft Rijnboutt in nauwe samenwerking met zijn adviseurs een aantal oplossingen bedacht. Medewerker Michael James Lucas: ‘In de nieuwbouw worden straks zoveel mogelijk prefab-elementen gebruikt. Zo besparen we op bouwmateriaal.’ Daarnaast wordt gebruik gemaakt van warmte-koudeopslag. ‘Airconditioning in de winkels is daardoor niet nodig. Nog mooier: de grote hoeveelheid warmte die de winkels creëren, wordt gebruikt voor verwarming van vijftien nieuwe woningen in het gebied.’ Per saldo gebruikt het woon-winkelgebied straks geen gas voor de verwarming. Hierdoor is een gasaansluiting voor de woningen niet nodig. De mogelijkheden om de monumentale panden beter te isoleren zijn door Rijnboutt uitgebreid onderzocht. De energieprestaties worden verbeterd zonder dat dit de fysieke conditie van de soms eeuwenoude gebouwen in gevaar brengt. De panden krijgen bovendien monumentenglas, waardoor van buitenaf zo goed als geen verschil is te zien met de huidige situatie. Professionals uit de monumentenwereld volgen het project met grote belangstelling. Op deze schaal is een dergelijke ingreep in een kwetsbaar historisch gebied namelijk nog nergens in Nederland gedaan. Monumentenexperts en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn met name geïnteresseerd in de mogelijkheden van dit ‘goede huwelijk tussen nieuwe functies en oude gebouwen’, zoals Kees Rijnboutt het uitdrukt. Het Aalmarkt-plan kan een voorbeeld zijn voor steden met een vergelijkbare opgave, zoals Haarlem, Utrecht en Dordrecht. Over 19 september Op 19 september 2012 zet Leiden Aalmarkt de deuren open voor bezoekers. Met een presentatie, een maquette en een bezoek aan het plangebied wordt toegelicht wat hier gaat veranderen en waarom. Het programma: 15.00 uur ontvangst; 15.30 uur presentatie ambities BREEAM door Paul Dielissen (ASR); 16.00 uur presentatie stedenbouwkundig concept door Kees Rijnboutt; 17.00 uur bezoek maquette en locatie. Meer informatie:.

Commercie en cultuurhistorie hand in hand

07 juni 2012

Gepubliceerd in Rijnboutt magazine #5 ‘Nieuwe posities’ Je mag er nu niet zonder helm naar binnen want het sheddak is niet meer wat het geweest is; de Koninklijke AaBe Wollenstoffen- en Wollendekenfabriek in Tilburg is getekend door de tijd. Dat is juist wat het complex het redden waard maakt. Bouwinvest gaat de uitdaging aan om het vervallen rijksmonument een nieuwe bestemming te geven. Bouwinvest is een van de grootste vastgoedvermogensbeheerders in Nederland. Het bedrijf belegt in woningen, winkels en kantoren in binnen- en buitenland voor het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid en sinds kort ook voor andere fondsen die geïnteresseerd zijn. Met een ‘schone portefeuille’ waarin leegstand nauwelijks voorkomt, zit Bouwinvest in de huidige kopersmarkt in een prettige positie. “We worden de dieselmotor in de beleggingenportefeuille genoemd,” zegt directievoorzitter Dick van Hal. Sinds een aantal jaren heeft Bouwinvest een eigen ontwikkelingstak, die zich bezighoudt met nieuwbouw en herbestemming. “Wij noemen dat geen herbestemming, maar herontwikkeling. We willen onze portefeuille zo vitaal mogelijk houden, want alleen de objecten die concurrerend zijn, overleven. Dus als panden aan het einde van hun economische levensfase zijn gekomen, moet je wat gaan bedenken om die gebouwen een tweede leven te geven. Dat heet herontwikkelen.” Herontwikkeling mag dan een actueel en veelbesproken thema zijn, Bouwinvest gaat er vrij pragmatisch mee om. Voor een gebouw als het C&Acomplex aan het Amsterdamse Damrak is Rijnboutt gevraagd een nieuw winkelconcept binnen het bestaande casco te ontwerpen. Het gebouw was bouwkundig nog prima op orde: sleets van buiten, maar nog heel bruikbaar van binnen. Vijftig meter verderop staan de kantoren in de Gravenstraat op de slooplijst: de nieuwe winkelbestemming valt eenvoudigweg niet in te passen in het oude casco met lage plafonds. Trophy buildings Zo wordt per project bekeken wat haalbaar of, beter gezegd, rendabel is. “Het gaat ons in de eerste plaats om het rendement,” zegt Roel Roomer, senior projectmanager van Bouwinvest. “Voordat we iets gaan herontwikkelen, beginnen we met een marktonderzoek. Kunnen we er huurders voor vinden? En is het ook na afloop van het eerste huurcontract nog verhuurbaar? Dat heeft vooral te maken met het aloude credo locatie, locatie, locatie.” Dat gezegd hebbende, zijn er toch wel wat monumentale paradepaardjes in de portefeuille van Bouwinvest te vinden. Want het mag dan niet direct op de weg van de institutionele belegger liggen om vervallen monumenten te herontwikkelen, toch doen ze het af en toe. Van Hal noemt het “trophy buildings”, die niet alleen het imago van het bedrijf versterken, maar ook extra waarde creëren voor een heel gebied. En dat heeft weer invloed op de grondwaarde, waardoor de relatief hoge investering zich terugverdient. Een van die trofeeën is het Olympisch Stadion waar tien jaar geleden fors geïnvesteerd is in de grootscheepse renovatie. Van Hal betwijfelt of Bouwinvest dat nu weer zou doen: “Als je hier woningen had neergezet, zou het rendement vele malen hoger zijn. Herontwikkeling van monumenten is een groot avontuur.” Toch gaat Bouwinvest een dergelijk avontuur met Rijnboutt niet uit de weg. Verloopt alles volgens plan, dan start binnenkort in Tilburg de herontwikkeling van de monumentale AaBe textielfabriek tot eigentijds woonwinkelcentrum, in relatie tot de historische context. Monumentale charme Roel Roomer vertelt dat de oude AaBe-fabriek twaalf jaar geleden niet is aangekocht omdat het zo’n mooi monument was, want zo mooi was het gebouw toen allang niet meer. “We hebben die fabriek gekocht in een heel andere markt. Het was destijds nog moeilijk om aan goede beleggingsobjecten te komen. Er was geld in overvloed, maar te weinig materiaal – nu is het precies andersom. Twaalf jaar geleden kreeg je geen kant-en-klare objecten aangeboden als eindbelegger. We kochten daar een waardevolle grondpositie om tot een goede winkelbelegging te komen.” Wat deze plek buiten het stadscentrum waardevol maakt, is de enorme hoeveelheid ruimte voor grote winkels en parkeren. Roomer: “We kunnen hier 30.000 m2 aan winkels creëren, en je kunt er straks gratis voor de deur of op het dak parkeren. Dat is van grote waarde voor de woonwinkels die hier straks komen. Wij denken 90% al te kunnen verhuren op basis van het nieuwe ontwerp.” Naast de aantrekkelijke hoeveelheid vierkante meters en de goede locatie, is er nóg een trekker: de charme en de industriële kwaliteit van dit monument. Bijna iedereen in Tilburg heeft wel een familielid dat ooit bij AaBe heeft gewerkt, de fabriek is een begrip in de stad. Het zijn vooral de architecten aan tafel die zich opwerpen als ambassadeurs voor het doen herleven van die kwaliteit. “Een monument herontwikkelen is in het begin een last, maar aan het eind een lust,” luidt hun analyse in een notendop. In het voorstel van Rijnboutt wordt zo veel mogelijk behouden van de oorspronkelijke fabriek, het verleden wordt bewust niet begraven onder een strakke nieuwe stuclaag. Van Hal refereert aan het symposium ‘AaBe in Perspective’ dat Bouwinvest vorig jaar organiseerde in het kader van het Erasmus Festival. Kees Rijnboutt ontrafelde er de herkomst van AaBe tot aan de oorsprong en plaatste het monument in de geschiedenis van Tilburg. Dat respect voor de geschiedenis en het onderkennen van de waarde van dit soort monumentale gebouwen ziet hij als een belangrijk aspect voor een succesvolle aanpak. Van Hal: “Wij praten als vermogensbeheerder meer vanuit de zakelijke kant, de architecten benadrukken het belang van het erfgoed. We verwachten die rol ook van Rijnboutt. Je hebt beide werelden nodig: het commerciële en cultuurhistorische moeten hand in hand gaan, anders kom je er niet.”   Tekst en interview: Willemijn de Jonge Fotografie: Herman Wouters

Masterplan Boerderij Den Burgh

01 december 2010

Boerderij Den Burgh heeft als plek niet alleen een cultuurhistorische maar ook een sociale betekenis voor Beukenhorst als geheel. Deze betekenis vertaalt zich programmatisch als ontmoetingsplek in het kantorengebied, waar gegeten en vergaderd kan worden, of waar met mooi weer de mogelijkheid voor telewerken in een groene omgeving wordt aangeboden. De plek maakt onderdeel uit van de samenhangende historische structuur van Geniedijk en Rijnlanderweg als ankerpunt binnen Beukenhorst. Op die manier vormt kavel Den Burgh een knooppunt in en tussen sociale, cultuurhistorische, en recreatieve netwerken van Haarlemmermeer. Plannen In het masterplan voor Beukenhorst Oost Oost uit 2003 was het besef van boerderij Den Burgh als troefkaart en koppeling al aanwezig. Het Geniepark was op dat moment als reservering in beeld. Ontwikkelingen in Beukenhorst Zuid en het tracé van de toekomstige verbindingsweg van de Taurusavenue naar de toekomstige N201 zijn aanleiding geweest om de locatie van boerderij Den Burgh mee te nemen in het bestemmingsplan “Hoofddorp Station en Beukenhorst Zuid” (vastgesteld december 2009). In het bestemmingsplan is vastgelegd dat er op deze locatie maximaal 10.000 m2 aan kantoren en broedplaatsfuncties (culturele, creatieve en kunstzinnige activiteiten) kan worden gerealiseerd, inclusief de bestaande boerderij, welke een horecafunctie krijgt. Monumenten De Stelling van Amsterdam is een beschermd provinciaal monument en is in 1996 op de Werelderfgoedlijst van Unesco monumenten geplaatst. Een markant onderdeel van de Stelling is de Geniedijk met Voorkanaal en Achterkanaal dat ten zuiden van de boerderijkavel is gelegen. Boerderij Den Burgh is een gemeentelijk monument aan de Rijnlanderweg en dateert uit het begin van de Haarlemmermeerpolder, waarschijnlijk uit 1861. Boerderij Den Burgh is een Zeeuws langhuis- of langgevelboerderij. Het woon- en bedrijfsgedeelte van de boerderij liggen in het verlengde van elkaar onder één dak. De entrees bevinden zich aan de lange zijde. De gevel is opgetrokken uit gele ijsselstenen in kruisverband. De voorgevel is rijk versierd met gepleisterde banden en heeft een sierlijk overstek met fraai uitgesneden windveren. Het zadeldak is met riet gedekt. Het erf is ruim van opzet, de maat en schaal hiervan dragen bij aan het voorname karakter van de boerderij die centraal op het erf is geplaatst op afstand van de Rijnlanderweg. Aan de voorzijde van de boerderij is een ruim gazon gelegen, de boerderij wordt verder omlijst door een verharding van grind. Voor de boerderij staan mooie en beeldbepalende oude kastanjebomen en een rode beuk. De boerderij bezit een monumentale constructie met grenen gebinten en philibertspanten. In het interieur hebben de kelder, opkamer en keuken een positieve monumentwaarde. Deze ruimten bezitten nog hun oorspronkelijke afmetingen en kennen enkele karakteristieke elementen. De overige ruimten in zowel het woonhuisgedeelte als het stalgedeelte van de boerderij zijn op de constructie na niet waardevol. Boerderijkavel In februari 2009 is voor een deel van Beukenhorst Oost Oost een voorlopig stedenbouwkundig plan opgesteld ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure voor Beukenhorst Zuid. Het plangebied is drie hectare groot, in de nieuwe situatie is de boerderij gelegen op een kavel van circa 5300 m2. De kavel wordt begrensd door een nieuw aan te leggen sloot en de Rijnlanderweg. Op de kavel zijn in de huidige situatie een aantal bijgebouwen gelegen. Aan de zuidoostzijde van de boerderij staat een vervallen schuur en aan de noordzijde staan grote opslagloodsen uit de jaren 80. Voor de ontwikkeling van de kavel zullen deze gebouwen gesloopt worden. Programma Kavel Den Burgh krijgt een bijzondere functie in de kantorenlocatie Beukenhorst Zuid en Oost Oost. In de boerderij komt een hoogwaardige horecavoorziening en is er aan weerszijden van de boerderij ruimte voor kleinschalige kantoorontwikkeling. Op de kavel is ruimte voor broedplaatsen in (een uitbreiding van) de boerderij. De bestaande bijgebouwen zijn niet geschikt voor broedplaatsfuncties vanwege kostbare benodigde aanpassingen. Ontwikkelgebieden Boerderij Den Burgh is gelegen op een kavel met een maaiveld hoogte van -4.00 meter NAP. Aan weerzijden van de boerderij zal de kavel 80 centimeter worden afgegraven tot -4.80 meter NAP. De boerderij lijkt hierdoor visueel op een voetstuk te staan. De kavel wordt hierdoor verdeeld in drie ontwikkelingsgebieden. Totaal kan er op de gehele kavel, in ontwikkelingsgebieden 1, 2 en 3 maximaal 10.000 m2 bvo programma (kantoren, horeca en broedplaatsen) gerealiseerd worden, inclusief de bestaande ruimte in de boerderij. Ontsluiting In het bestemmingsplan A4 Zone West is geregeld dat de Rijnlanderweg wordt afgewaardeerd. Dit heeft voor Beukenhorst Zuid tot gevolg dat de Rijnlanderweg ter hoogte van de boerderijkavel alleen bereikbaar is voor bestemmingsverkeer en openbaar vervoer. De originele toegang tot de boerderijkavel zal alleen incidenteel en voor nood- en hulpdiensten worden gebruikt. De doorgaande voetgangers- en fietsverbinding langs de Taurus- avenue loopt via twee dammen tussen het water en de boerderijkavel door. De dagelijkse ontsluiting van de ontwikkelingsgebieden vindt plaats via de achterzijde (oost). Daar zijn twee bruggen gesitueerd, waarvan één naar de ‘oerkavel’ met de boerderij leidt en één naar het zuidelijke kantorenkavel. De noordelijke kantorenkavel wordt onsloten via een dam en gecombineerd met de doorgaande voetgangers- en fietsroute.

Ilse Verhage

technisch ontwerper

Jurriën Boon

senior architect