zoekresultaten

Hoogstraat 168-172 wint Staalprijs Duurzaamheid

13 oktober 2020

Trots! Samen met IMd Raadgevende Adviseurs hebben we vandaag de Nationale Staalprijs 2020 gewonnen in de categorie Duurzaamheid. Tijdens de Nationale Staalbouwdag is de prijs online uitgereikt aan het project Hoogstraat 168-172 in Rotterdam. In opdracht van Kroonenberg Groep hebben we drie wederopbouwpanden aan de Hoogstraat in Rotterdam van binnen geheel getransformeerd en gekoppeld tot een woon- en winkelcomplex. Bij deze complexe renovatieopgave is gebruik gemaakt van tweedehands constructieve stalen elementen, een donorskelet, waarbij zo’n honderd staalprofielen uit diverse slooppanden in Nederland in het pand zijn verwerkt. Het is de eerste keer dat deze manier van hergebruik is toegepast in een winkelgebouw. De vakjury is lovend in de onderbouwing van haar keuze: “Dit project zou je ‘het’ Nederlandse voorbeeldproject kunnen noemen van een toekomst waarin hergebruik van materialen de standaard wordt. Duurzaamheid is hier ook dubbel toegepast. Behalve dat de bestaande gevels zijn behouden, is bij het nieuwe skelet zoveel mogelijk gebruikgemaakt van al eerder gebruikte materialen. Dat is met volharding gebeurd. Dit project is het eerste tastbare bewijs van circulair bouwen met staal in een complexe renovatieopgave, met materialenpaspoort en al.” De jury spreekt in het bijzonder de waardering uit voor IMd Raadgevende Ingenieurs: “Voor het experiment met een donorskelet is ‘geloof in’ nodig, en de aanjager van deze missie – de constructeur – verdient lof voor de continue speurtocht naar donormateriaal. Hoewel het staalvolume bescheiden is, toont zich meteen het hogere doel: minder grondstofverbruik.”

Hoogstraat, Rotterdam genomineerd voor Nationale Duurzaamheidsprijs Staal 2020

10 juli 2020

Rijnboutt is samen met partners IMd Raadgevende Ingenieurs en J. Buijse & Zn. genomineerd voor de Nationale Duurzaamheidsprijs Staal 2020. Deze prijs wordt uitgereikt aan een project dat volgens de vakjury het beste scoort op het gebied van duurzaamheid. Het bijzondere stalen donorskelet dat gebruikt is bij de transformatie van Hoogstraat in Rotterdam heeft eraan bijgedragen dat dit project uit 43 inzendingen als een van de drie finalisten is geselecteerd.   Stalen donorskelet als primeur Rijnboutt heeft in opdracht van Kroonenberg Groep samen met partners IMd Raadgevende Ingenieurs, J. Buijse & Zn. en Aannemersbedrijf van Alphen zorg gedragen voor de transformatie van drie wederopbouwpanden aan de Hoogstraat in Rotterdam. De panden zijn van binnen geheel getransformeerd en gekoppeld tot een woon-en winkelcomplex. Bij de transformatie is gebruik gemaakt van tweedehands constructieve stalen elementen, een zogenaamd donorskelet. In Nederland was het de eerste keer dat deze manier van hergebruik werd toegepast in een winkelgebouw. Lees hier de volledige inzending van het project Hoogstraat 168-172, Rotterdam. Bekendmaking winnaars De winnaars van de Nationale Staalprijs en Nationale Duurzaamheidsprijs Staal 2020 worden bekend gemaakt tijdens de Nationale Staalbouwdag 2020 op dinsdag 13 oktober. Van elk genomineerd project zijn een beschrijving, afbeeldingen en een overzicht van de projectpartners te vinden op www.nationalestaalprijs.nl/nominaties. Over de Nationale Staalprijs 2020 De Nationale Staalprijs is een tweejaarlijkse bouwprijs voor projecten met staal. De prijs bestaat sinds 1971. Deelnemen is mogelijk met projecten – nieuwbouw, verbouw of renovatie – in Nederland óf in het buitenland die geheel of gedeeltelijk in staal zijn uitgevoerd. De vakjury, onder aanvoering van architect Janneke Bierman, heeft de genomineerden geselecteerd uit in totaal 116 ingezonden projecten. De projecten nemen deel in een van de vijf categorieën: utiliteitsbouw, industriebouw, woningbouw, infrastructuur en karakteristieke stalen bouwdelen. Naast de vijf categorieën reikt de jury ook de Nationale Duurzaamheidsprijs uit voor het project dat volgens de vakjury het beste scoort op het gebied van duurzaamheid. Meer informatie: www.nationalestaalprijs.nl

Duurzaamheid in Zaandam

15 maart 2011

Het door Rijnboutt ontworpen project Hermitage Shopping Zaandam / De Tsaar Nieuw Rustenburg bestaat uit winkels, een bioscoop, woningen, en een ondergrondse parkeergarage. In het complex is een Warmte en Koude opslaginstallatie (WKO) toegepast. Gekozen is voor één gezamenlijke installatie, waar zowel de winkels, de bioscoop als ook de woningen op zijn aangesloten. Met deze installatie wordt gebruik gemaakt van energieopslag in de diepere grondwaterlagen. In de winkelruimten zijn aansluitingen gemaakt van alle voorzieningen waarmee winkeliers zelf hun ruimte verwarming kunnen regelen. In de woningen is vloerverwarming aangebracht (laag temperatuur traject). Bijkomend voordeel is dat gedurende de zomer het mogelijk is om de woningen te koelen middels dit systeem. Door toepassing van deze installatie, in combinatie met de compacte gebouwvorm en rug-aan-rug oplossing van winkels en woningen kan op een zuinige manier voorzien worden in de energiebehoefte. Voor het complex is een energie prestatie berekening gemaakt, waarbij de prestaties van de verschillende onderdelen naar rato zijn gewogen; deze berekening heeft een EPC coëfficiënt opgeleverd van 0,641 voor het gehele complex! Bovendien zijn in de parkeergarage 32 oplaadstations voor elektrische auto’s geïnstalleerd, waarmee de parkeergarage op het moment van het in gebruik nemen het grootste oplaadstation van Nederland is. De gemeente Zaanstad zal hiervan 30 stations in gebruik nemen en 2 zijn er voor publiek gebruik. Hiermee wordt ingespeeld op een maatschappelijke behoefte en wordt vooruit gelopen op het wagenpark van de toekomst.

Niet meer slopen

29 november 2023

Slopen is niet meer van deze tijd. De economische ontwaarding van materialen en het verlies van grijze energie valt met het oog op de klimaatproblematiek en de grondstoffencrisis niet langer te beargumenteren. Elk sloop-nieuwbouw voorstel is in essentie onaanvaardbaar: té ondoordacht (zijn alternatieven serieus overwogen?) en té gemakzuchtig (want liever geen gedoe?). Waar slopen historische en culturele waarde vernietigt en het de typologische rijkdom en gebouwdiversiteit niet ten goede komt, is niet-slopen uiterst duurzaam en creëert het kansen voor een betere toekomst. Voor wonen en werk. Voor de stad als geheel. Niet slopen zou de standaard moeten zijn bij elke gebouw– en gebiedstransformatie. Zou, want de dominante reflex is anders. In een samenleving die afscheid heeft genomen van plastic tassen en wegwerpbestek, is het nog steeds de normaalste zaak dat hele gebouwen worden weggegooid. Bouwtechnisch nog te goed om te slopen, verdwijnen ze in containers. Omdat we ze ‘onhandig’ vinden of ‘lelijk’. Omdat we liever iets nieuws bouwen om maar geen rekening te hoeven houden met wat er daarvoor al stond. Vraag je waarom een gebouw gesloopt moet worden, dan krijg je grofweg twee antwoorden. Behalve “nieuwbouw is goedkoper dan renovatie” is dat de uitspraak “de nieuwe bestemming past er niet in.” Het streven naar duurzaamheid wordt gezien als extra kostenpost. Als lastig, ingewikkeld en ‘nu dus even niet’. Financiële drogreden Is nieuwbouw goedkoper dan renovatie? Niet waar, stelt Andy van den Dobbelsteen, hoogleraar Climate Design & Sustainabiblity aan de TU Delft: “Nieuw bouwen levert gemiddeld 30% meer CO2-uitstoot op dan een oud gebouw renoveren naar (bijna) nul energie” [per 1 januari 2021 de BENG-eis die geldt voor nieuwbouw]. We moeten daarom altijd overwegen of én hoe we een bestaand pand kunnen renoveren of transformeren voordat we gaan nieuwbouwen.” Mochten over de kosten de meningen uiteenlopen, nieuwe wetgeving bepaalt dat CO2-uitstoot in 2030 voor 55% gedaald moet zijn. Dan moet het wel raar lopen wil transformatie het niet winnen van nieuwbouw, omdat van wat je laat staan de te meten uitstoot nul is. Tim Habraken, director Sustainability bij CBRE, vult aan: “Positieve effecten op mens en milieu zijn heel goed te koppelen aan economische belangen.” Toekomstbestendig vastgoed kan ook financieel profijtelijk zijn, nu ‘de duurzame samenleving’ zich in consumentenverlangens vertaald. Habraken: “Alles wat eraan bijdraagt om wensen en eisen van afnemers centraal te stellen, helpt je om je belegging op lange termijn minder risicovol te maken.” Functionele drogreden De nieuwe bestemming past er niet in? Ook niet waar (of op zijn minst bevooroordeeld). Onze eigen ervaring met herbestemmingsprojecten over een periode van meer dan dertig jaar laat overtuigend het tegendeel zien. Zo kreeg een voormalige drukkerij een toekomst als cultureel centrum met woonvoorzieningen (Wolters-Noordhoff Groningen), we realiseerden aanzienlijke retailoppervlaktes binnen de fijnmazigheid van een middeleeuwse stadsstructuur (Aalmarkt Catharinasteeg Leiden), verbouwden een onverwarmde garage naar een state-of-the-art kantoor (The Garage Amsterdam) en transformeerden een voormalig hoofdpostkantoor tot een bibliotheek annex culturele hotspot (Post Utrecht). Natuurlijk: bestaande gebouwen en gebouwstructuren kunnen ‘lastig’ zijn. Geven zich niet direct gewonnen. Maar dat bij het optimaliseren van gebouwen kostenefficiëntie de belangrijkste drijfveer is van een project, is maatschappelijk een achterhaalde gedachte. Belangrijker is wat het project bijdraagt aan de gebruiker, de stad en de planeet. Daarbij leveren weerbarstige gebouwen kansen op voor de stad. Juist die ‘moeilijke’ gebouwen kunnen zorgen voor het zand tussen de raderen. Hun ongenaakbaarheid kan juist helpen bij het ruimtelijk ontwerp van een meerlagige en meervoudige stad. Ontwerpen in analogie met het bestaande De laatste tijd wint de notie ‘ontwerpen in analogie met het bestaande’ aan terrein. De opvatting die hierachter schuilgaat heeft betrekking op al het bestaande vastgoed, dat, in de woorden van pleitbezorger van het eerste uur, Jan Peter Wingender van Office Winhov, “de toekomst in geholpen moeten worden.” Het gaat hier om een benadering die het oorspronkelijke gebouw niet wil fixeren op basis van historische kenmerken en erfgoedwaarden, maar die het gebouw wil “updaten, in de geest van hoe het destijds is ontworpen.” Nu we gezien de duurzaamheidsopgave het ons niet langer kunnen veroorloven om te slopen, “moet ook het instrumentarium worden verbreed waarmee het behoud van die bestaande gebouwen kan worden veiliggesteld,” aldus Wingender. Samenvattend kan worden gesteld dat niet meer slopen één van de maatregelen is die wij als architecten aan klimaatadaptatie kunnen bijdragen. Dat we daarvoor afscheid moeten nemen van een periode waarin alles kon of alles leek te kunnen, lijkt een eerste voorwaarde. De tweede, die hieruit volgt, is dat we het bijzondere in het alledaagse moeten leren gaan zien en leren omarmen. Tekst: Jan van Grunsven

De Lloydpier in Rotterdam

09 november 2023

De beelden waren er al. Nu ook de laatste gebouwen worden opgeleverd kunnen we ter plekke gaan zien waartoe een ontwerpproces dat in 2001 begon heeft geleid. Locatie: de Lloydpier in Rotterdam. Stedenbouwkundig ontwerp: Rijnbout in opdracht van Van der Looy Projectmanagement. Programma: hoofdzakelijk wonen (759 woningen en appartementen). Welke basiskwaliteiten uit de oorspronkelijke visie zijn ruim twintig jaar later terug te zien in het eindresultaat? Het Lloydkwartier is een buurt in het oude havengebied Delfshaven aan de noordzijde van de Maas. Genoemd naar de scheepvaartmaatschappij Koninklijke Rotterdamsche Lloyd vertrokken vanaf hier de passagiersschepen naar Nederlands-Indië. In de jaren 60 van de vorige eeuw verplaatsten de havenactiviteiten zich naar de nieuwere havens in Rotterdam-Zuid. Dertig jaar later werd een begin gemaakt met de grootschalige reconstructie van het gebied. Na het verrijzen van de eerste woonblokken op de Müllerpier was het de beurt aan de Lloydpier. Ontwerpprijsvraag “De nieuwe inrichting van de Lloydpier is een volgende stap in de ontwikkeling van Rotterdam als stad aan de Nieuwe Maas. Steeds meer wordt de onuitputtelijke kwaliteit van de rivier ontdekt en worden de oevers openbaar en voor wonen geschikt gemaakt,” aldus de combi Van der Looy / Rijnboutt in het kader van een door de gemeente uitgeschreven ontwerpprijsvraag. Voor de prijsvraag, die wil voortbouwen op het succes van de Kop van Zuid, vraagt de gemeente een goed onderbouwde marktvisie. Van der Looy / Rijnboutt komen als winnaar uit de bus. We schrijven december 2001. Blok, straat, binnenhof, poort, toren Het superblok, zoals dat staat omschreven in het Masterplan Schiehaven Müllerpier, fungeert ook als startpunt voor de stedenbouwkundige visie van de Lloydpier. Het woord ‘pier’ geeft aan dat het om een schiereiland gaat; omgeven door de weidsheid van het water ademen de ruwe klinkers van de kade de maritieme sfeer van toen. Nog steeds een aanlegplaats voor grote schepen geldt de kade, breed aan de zuidkant en smal aan de noordkant, als de hoofd-ontsluitingsroute in het plan en begeleidt het de grens tot aan waar de bebouwing is gedacht. Het aldus ontworpen volume wordt haaks op de lengterichting doorsneden door drie straten, resulterend in vier kleinere blokken. Van deze blokken worden er drie voorzien van een windstil binnenhof. Om een diversiteit aan functies mogelijk te maken, krijgt de begane grond van elk blok een hoogte van vier meter. Verdiepingshoge poorten aan weerszijden bieden uitzicht vanuit de binnenhoven naar het water, zoals de straten dit doen voor het schiereiland als geheel. Nagenoeg het gehele plangebied wordt van een ondergrondse parkeergarage voorzien. Het gebied wordt aan de oost-, zuid- en westzijde opgespannen tussen drie torens, die de stedelijke uitstraling van het gebied bekrachtigen. Voor het materiaalgebruik verwijst de visie naar de historie van het gebied, waarvan een enkel voor het plangebied behouden complex getuigt: “De architectuur van de gebouwen refereert aan de architectuur van het veem- en entrepôtgebouw. Het dominant te gebruiken materiaal zal baksteen zijn.” Eerste fase Eenmaal geaccordeerd, begint het project voortvarend. De ambitie is hoog en de architectenselectie navenant. De westelijk gelegen volumes A en B worden toevertrouwd aan De Zwarte Hond, DP6, Geurst & Schulze, Claus en Kaan Architecten, AWG Architecten en Rijnboutt. 2005 geldt als start bouw. Dan breekt in het najaar van 2008 de financiële crisis uit die de vastgoed- en bouwwereld ongemeen hard treft. De realisatie van blokken A en B verloopt desondanks volgens plan en in 2011 wordt als laatste de Lloydtoren opgeleverd. De economische malaise die resulteert in een drastische daling van de woningbouwproductie en de investeringen in onroerend goed, treft wel de blokken C, D en E. Uitstel is hier het devies. Tweede fase Met de op 8 juli 2014 aangenomen Wet Ruimtelijke Ordening, een gemeentelijk Raadsvoorstel dat een actualisering voorschrijft van bestemmingsplannen die ouder zijn dan tien jaar, wordt tegemoetgekomen aan de ontstane impasse. De nieuwe wet biedt ruimte aan een herziening van eerder genomen besluiten, wat nodig is nu marktconsultatie dicteert dat woningen kleiner moeten en het aantal omhoog. Er wordt geschoven met de posities van straten en ook de bouwenvelop van de resterende blokken wordt opnieuw bekeken. De drie blokken C, D en E worden teruggebracht tot twee, met in het meest rechtse ‘blok’ een hoekgebouw als ‘toren’. In 2019 gaan de eerste palen in de grond en dit jaar bevinden de meeste gebouwen zich in de eindfase. De verwachte oplevering van het laatste gebouw is 2024. Kwalitatieve evaluatie Nu, ruim twintig jaar overziend, kunnen we de balans opmaken. Waar er is afgeweken van de oorspronkelijke stedenbouwkundige visie, kan dit worden toegeschreven aan het raadsbesluit van 2014 en bijgestelde prognoses binnen de vastgoedwereld. In de hernieuwde situatie zijn de blokken C en D samengevoegd tot één groot woonblok naar ontwerp van Arons en Gelauff Architecten en Architectuur Maken en zijn de monumentale poorten die zicht bieden op het water in aanwezigheid en schaal fors verkleind. De wijzigingen zijn duidelijk ingegeven door de wens het aantal te realiseren woningen flink op te voeren. Anders dan de binnenhoven van de blokken A en B die publiek toegankelijk zijn, is het binnenhof van blok C er alleen voor de bewoners. En het moet gezegd: bij een projectbezoek op een doordeweekse ochtend blijkt het de enige plek waar kinderen spelen. Wat verder opvalt is de ‘coupure’ in architectuurstijl in wat ooit is gedacht als één stedelijke wand langs elk van de beide kades. De woonblokken A en B van voor de crisis representeren zichtbaar een andere tijdslaag dan die van de blokken C en D. Het totaalbeeld is er gevarieerder op geworden, maar de eenheid binnen het plan als het resultaat van één overkoepelende visie is er niet door verbeterd, temeer omdat er voor de tweede fase is afgeweken van de rol en positionering van de torens, die bovendien de herkenbaarheid missen van die uit het eerste deel. Wat wel overeind is gebleven is de kracht van een eenvoudige opzet van stedelijke, alzijdige bouwblokken: stoer en weids aan de buitenkant en met een luwte en intimiteit aan de binnenkant. Naar een duurzame bouwpraktijk Wat ook ongewijzigd is gebleven, maar wat we vandaag echt anders zouden doen, is het gebruik van beton en baksteen als de twee overheersende bouwmaterialen. In termen van duurzaamheid valt er – in retrospectief – een wereld te winnen. Het projectbezoek leert dat het eindresultaat qua duurzaamheid bij kritische bewoners niet hoog scoort, al is dat het project zelf niet helemaal aan te rekenen. Ondanks de aanwezigheid van een geavanceerde windturbine op het dak van blok C wordt gesproken over ‘gemiste kansen’. Uitzondering vormt het project SAWA van het architectenbureau Mei Architecten, niet voor niets het laatste nog te voltooien gebouw op de Lloydpier, dat meer dan de andere gebouwen een duidelijke duurzaamheidsambitie omarmt. SAWA wordt het eerste geprefabriceerde houten appartementencomplex in Rotterdam. Er was ruim twintig jaar nodig om de ontwikkeling van de Lloydpier te voltooien. In die twintig jaar lieten veranderingen in de maatschappij en in de vastgoedmarkt de bouwwereld niet ongemoeid, toch bleek de stedenbouwkundige opzet van de Lloydpier voldoende robuust om als onderlegger voor dit nieuwe stuk stad te dienen. Het maakt nieuwsgierig naar hoe het stadsdeel zich in ‘het volle gebruik’ staande zal houden en hoe het er over nog eens twintig jaar uit zal zien. Tekst: Jan van Grunsven

Up Mountain ontvangt derde prijs van vakjury Architectuurprijs Amstelveen 2023

14 april 2023

In Museum Jan zijn op donderdag 13 april tijdens de feestelijke Avond van de Architectuur de winnaars bekend gemaakt van de Architectuurprijs Amstelveen 2023 in de categorie woongebouwen en overige gebouwen. Het door ons ontworpen woongebouw Up Mountain kreeg de derde prijs uitgereikt van de vakjury.    Het ontwerp van het vrijstaande huis aan Tjalk 1 van Marco van Zal architecten ontving de eerste prijs van de vakjury in de categorie woongebouwen. De tweede prijs ging naar het ensemble Klaasje van LEVS architecten. Onze collega’s Maarten Castelijns en Frederik Vermeesch namen de derde prijs in ontvangst voor het appartementencomplex Up Mountain. In de categorie overige gebouwen ging de eerste prijs naar het Noorddamcentrum van Hoogeveen architecten, de tweede prijs naar Clubhuis Sporting Martinus van Blackbox architecten en de derde prijs naar het Herman Wesselink college van RoosRos architecten. In totaal bestond de categorie woongebouwen uit tien genomineerden en de categorie overige gebouwen uit zeven genomineerden.  Publieksprijs Bij de publieksprijzen koos het publiek voor de woning aan de Bovenkerkerweg 123a in de categorie woongebouwen. Het clubhuis Sporting Martinus won in de categorie overige gebouwen. De genomineerde projecten zijn geselecteerd door een vakjury. Ook inwoners konden gebouwen gemotiveerd aandragen en uiteindelijk hun stem uitbrengen voor de publieksprijzen. Een vijftal inwoners die gemotiveerd gestemd hadden, kregen een uitnodiging voor de avond en een cadeaubon. Inspirerende avond De avond van de Architectuur is een initiatief van de gemeente Amstelveen en bedoeld voor degenen in de stad die zich met nieuwbouwprojecten bezighouden. De architectuurprijs is in het leven geroepen om aandacht te vragen voor bijzondere architectuur in de stad en inwoners daar meer bewust van te maken. De avond in Museum Jan werd niet alleen benut voor het uitreiken van prijzen. Marijn Schenk droeg het stokje over aan de nieuwe stadsbouwmeester Erik Wiersema. Beiden gaven hun visie op architectuur, landschap en stedenbouw van Amstelveen. De avond bood inspiratie en aanleiding tot gesprek over het belang en de waarde van architectuur. Vorm is net zo belangrijk, zo niet belangrijker dan functie. Architectuur met lef Wethouder Floor Gordon (ruimtelijke ordening) gaf de aanwezigen mee dat wat haar betreft de architectuur in Amstelveen nog wat spannender kan. De huidige architectuur kent veel aandacht voor materiaalgebruik, vormgeving en uitstraling vaak goed passend bij de omgeving maar mist soms wat lef. Floor Gordon: “Waar zijn die inspirerende gevels met een overdaad aan groen? Expressieve spannende vormen? Verscheidenheid in architectuur prikkelt en draagt daarmee bij aan het woongenot van onze inwoners”. De wethouder vraagt ook aandacht voor het belang van verduurzaming en innovatie in de architectuur. “Wat geweldig dat er bij alle winnende gebouwen veel aandacht was voor duurzaamheid. Ik hoop dat dit anderen inspireert. Duurzaamheid betekent niet alleen energieneutraal, maar ook aandacht voor hergebruik, houtbouw of biobased materialen.” De jury De vakjury bestaat uit een vijftal leden uit het culturele veld en is samengesteld door onafhankelijk en voormalig stadsbouwmeester Marijn Schenk en gemeentelijk stadsarchitect en adviseur Welstand Jan Grupstra. Voorzitter en architectuurhistoricus Marieke Berkers reikte de vakprijzen uit: een trofee voor de eerste prijs winnaars en certificaten voor alle winnaars. De trofeeën zijn gemaakt naar een ontwerp van de Amstelveense kunstenaar Annette van Waaijen. De publieksjury bestond uit inwoners die via het online participatieplatform denkmee.amstelveen.nl konden stemmen. Dat hebben zo’n 1500 mensen gedaan. In beide categorieën is één publieksprijs uitgereikt. Foto Up Mountain: Kees Hummel Foto winnaars: Gemeente Amstelveen Bron: Amstelveens Nieuwblad

Bloom Merwede Blog 5: Gezamenlijk de puzzel oplossen

24 februari 2023

“Everyone walks away after about five buildings”, zei mijn collega Klaudia lachend nadat ik haar had verteld dat ik moest gaan bij een meeting. We hadden nog vijf andere gebouwen willen bespreken, maar het was te veel.   Toen ik de projectleiding van ons Merwedeproject in de DO-fase overnam, wist ik dat het een groot project was. Door de opmerking van Klaudia drong het pas echt tot me door. Ik voelde en zag dat er een enorme drive in het team was om het beste eruit te halen, iedereen was heel betrokken. Tegelijkertijd merkte ik dat de gezamenlijke hoge kwaliteitseisen van de opdrachtgevers en gemeente Utrecht in relatie tot de hoeveelheid gebouwen, planning en de bouwkosten zorgden voor een complex ontwerpproces. Alles is ontworpen Architectuur, landschapsarchitectuur, bouwtechniek, stedenbouw: alle disciplines zijn in het proces vertegenwoordigd. Deze multidisciplinaire aanpak is van groot belang voor de eerdergenoemde hoge kwaliteitseisen ten behoeve van natuurinclusiviteit, circulariteit en duurzaamheid. Om de grootte van het Bloom Merwede project te schetsen: er werken twee ontwikkelaars, drie architectenbureaus, tien collega’s (architectuur, stedenbouw, landschap), vijf adviseurs en een aannemer aan in totaal 23 gebouwen. Vanuit de gemeente zijn het Supervisieteam, Q-team, Merwede Lab en Checkteam betrokken. Rijnboutt is coördinerend architect van twee blokken, architect van elf gebouwen, landschapsarchitect van de binnentuinen en de daken en werkte aan het stedenbouwkundige plan van vier blokken. Ik heb vaker gewerkt aan grote woningbouwopgaves, dus dat in dat opzicht was het niet nieuw voor mij. Wat het Bloom Merwede project daarentegen zo interessant (en complex) maakt, is het gevraagde detailniveau van de verschillende thema’s en disciplines. Van gesprekken met een omgevingspsycholoog over het vergroten van de kans op spontane ontmoetingen van bewoners tot het leefpatroon van de egel; alles is ontworpen. Alles hangt met elkaar samen Die complexiteit zie je bijvoorbeeld terug in het daklandschap. Vanuit onze gezamenlijk opgelegde ambitie en streven naar ‘gezond stedelijk leven’ kwam de eis om minimaal 50% groene daken te ontwerpen, waarvan 25% intensief groen. Voor de 25% intensieve groendaken hebben we daktuinen ontworpen waar de bewoners elkaar kunnen ontmoeten. In combinatie met de ca. 160 nestkasten in de gevels ontstaat hier een levendige biotoop voor de mens en de ‘Big 8’ (egel, grote klokjesbij, citroenvlinder, huismus, tjiftjaf, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en laatvlieger). Elke verschuiving in het ontwerp zorgde ervoor dat alle adviseurs hun berekeningen moesten herijken. De groenpercentages, de belasting van het grondpakket (ca. 50cm), volledige waterretentie op eigen grond (en de daken), het afschot en de HWA ’s, het percentage PV-panelen voor de BENG, de hoge MPG-score etc.; de dakplattegronden kwamen elk adviseursoverleg opnieuw ter sprake. Om te bouwen met goede oplossingen voor klimaat, biodiversiteit én de menselijke schaal, is mijn verwachting dat bouwprojecten nog complexer en meer integraal worden. Ik denk ook dat alle leden van het ontwerpteam de complexiteit van het project stiekem wel leuk vinden. De intensiteit van het werken aan zo’n project is verslavend; je wil de puzzel oplossen en het beste eruit halen. Als het dan lukt, geeft dat een enorme kick! Deze blog is onderdeel van een reeks blogs met persoonlijke ervaringen van onze collega’s tijdens het werken aan Bloom Merwede in Utrecht.  Tekst: Jaap Hoving, senior projectcoördinator Foto’s: Rijnboutt Portretfoto: Ineke Oostveen

Van industriegebied naar levendige, autovrije én groene stadswijk

13 februari 2023

Een voormalig industriegebied aan het Merwedekanaal op een steenworp afstand van het centrum van Utrecht, transformeert tot een nieuwe stadswijk voor zo’n 12.500 nieuwe bewoners. Bloom Merwede, dat vanaf 2023 wordt gebouwd, maakt daar deel van uit. Een levendige, autovrije wijk met een hoge bebouwingsdichtheid, verschillende woontypologieën, veel voorzieningen en ruimte voor groen, bewegen en ontmoeten. Rijnboutt werkte aan het stedenbouwkundige plan voor blok 1, 4, 5 en 12, was coördinerend architect van bouwblok 4 en 5, ontwierp tien gebouwen én was verantwoordelijk voor het landschapsontwerp van de binnentuinen.   De gemeente Utrecht heeft hoge ambities als het gaat om een gezonde en duurzame verstedelijking. Voor Rijnboutt was dat een van de uitdagingen: hoe maak je zo’n gezonde stad met een hoge woondichtheid met voldoende groen en een diversiteit aan woningen voor verschillende type bewoners? “Hoe je de openbare ruimte invult, de fietsenstallingen integreert en zorgt voor een levendige plint, was een andere uitdaging,” zegt Marleen van Driel, architect duurzaamheid associate bij Rijnboutt. “Het was een grote puzzel om al die opgaven bijeen te brengen.” Rijnboutt gaf samen met ANA architecten en INBO vorm aan het rijke gemengd programma van Bloom Merwede dat is afgestemd op diverse doelgroepen. Van kleine appartementen met gemeenschappelijke ruimtes voor studenten en woningen aan een binnentuin voor ouderen tot vierlaagse stadswoningen voor gezinnen. En van maisonnettes tot parkvilla’s aan het kanaal. In huur en koop. Met een basisschool, horeca, – creatieve – bedrijvigheid en een gezondheidscentrum. Daartussen speelse, intieme straten en levendige pleintjes die verbindingen leggen met de grote ruimten aan de randen, het park langs het Merwedekanaal en het voetgangersgebied aan het Dwaalspoor. Diversiteit en samenhang Rijnboutt tekende voor twee woonblokken, die samen bestaan uit 23 gebouwen waarvan wij er tien hebben ontworpen. Deze bestaan uit een rijke compositie van hoge en lage, grote en kleine bouwblokken die afwisselend zijn in typologie, architectonische vorm en materiaalgebruik. De woonblokken worden gekenmerkt door ritme en herhaling afgewisseld met verrassende, bijzondere accenten. De gebouwen in Bloom Merwede zijn overwegend uitgevoerd in baksteen in een natuurlijk kleurenpalet; de bebouwing met een grote maat is in rustige tinten uitgevoerd en de kleinere gebouwen krijgen een donkerdere materiaalkleur en een verbijzondering in de uitgesproken plint. De twee blokken onderscheiden zich ook van elkaar: Blok 4 heeft bijvoorbeeld een groot binnenterrein met veel zon en daardoor veel gelegenheid voor spelen en bewegen. Hieraan ligt een gemeenschappelijke ruimte voor alle bewoners van het bouwblok. De binnentuin van B5 is daarentegen schaduwrijker, heeft veel beplanting en biedt een centrale plek voor ontmoeten en verblijven. Een fietspassage verbindt de tuin met een gemeenschappelijke afvalruimte, fietsenstalling en een ruilwand met tweedehands spullen of diensten van en voor de bewoners. Plekken voor ontmoeting De drie betrokken architectenbureaus hebben samen met omgevingspsycholoog Joren van Dijk ontwerpprincipes opgesteld die ontmoetingen moeten stimuleren en sociale veiligheid borgen. Om te zorgen voor levendigheid en mogelijkheden tot ontmoeten, moet er genoeg gebeuren op ooghoogte. In de drukkere straten zijn de plinten op enkele plekken voorzien van commerciële en maatschappelijke functies, er zijn diverse zitplekken in de gevels geïntegreerd en de leefruimtes, zoals keuken of woonkamer, aan de straat gepositioneerd. ‘Groen, tenzij…’ is het uitgangspunt van de nieuwe stadswijk. Dat betekent: een autovrije wijk en een hoge stallingscapaciteit voor fietsers. De fietsenstallingen op de begane grond van de woonblokken zijn naar de achterzijde geplaatst om te voorkomen dat ze aan de straatzijde te dominant aanwezig zijn. We hebben de stallingen zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt: ruim, toegankelijk, veilig, hoogwaardig verlicht en afgewerkt. Bovendien is er per fietsenstalling onderzocht welke gemeenschappelijke voorziening er kan worden toegevoegd, zoals een plek met gereedschap om je fiets te repareren, een ruilwand of een speelplek. De fietsenstallingen staan in relatie tot de binnentuinen en de straat en krijgen net als de entreehallen dezelfde afwerking. Zo vormen niet alleen de voordeuren van de woningen, maar ook de fietsenstallingen een onderdeel van het thuiskomen. Verbindend groen Ook de landschapsarchitectuur van de binnentuinen zorgt voor ontmoeten, naast klimaatadaptatie en ecologische diversiteit. Het groen van de tuinen en de omgeving vormt bovendien een vloeiende verbinding met de gebouwen. Vanaf de drukke straat en vanuit de entreehallen loop je een bijzonder en toegankelijk landschap in, een tuin met heesters, planten en een wadi, speeltoestellen, (gevel-)bankjes om alleen of tafels om samen aan te zitten en fruit- en notenbomen om van te plukken. Voor zowel de binnentuinen als de gevels en daken is gezocht naar een zo groot mogelijke biodiversiteit. Het ontwerp, de beplanting en de gevels zijn afgestemd op de ‘Big 5’: de eisen voor een leefgebied voor enkele specifieke diersoorten, zoals egels, vleermuizen, zangvogels, vlinders en de gierzwaluw. Met nestkasten onder de balkons, op daken en aan de soms weelderige groene gevels, met zorgvuldig uitgezochte bomen waar vogels een nest kunnen maken, voedsel kunnen vinden en kunnen schuilen. De voor heel Merwede ontwikkelde strategie (de Merwedebiotoop) wordt in Bloom Merwede uitgewerkt in nauwe relatie met het park langs het Merwedekanaal. Het nieuwe Merwedepark zal alle delen van de nieuwe en bestaande wijken van Merwede nog beter met elkaar verbinden tot een wijk waar landschapsarchitectuur en architectuur elkaar versterken. Daarbij dragen de verschillende groene daken bij aan een gezonde stad. Waterretentie ontstaat via waterbuffering op de daken en opname van regenwater in de binnentuin en de wadi. Gemeenschappelijke groene daken bieden extra leefruimte voor mens en dier. Het overal toegepaste groen gaat het ontstaan van hittestress in het gebied tegen. Bovendien zal Merwede met een gemeenschappelijk systeem van ondergrondse warmte-koudeopslag en duurzame energieopwekking, nagenoeg energieneutraal worden. Na energie is circulariteit de grote uitdaging. Dat vraagt om innovatieve oplossingen. Hierin is samengewerkt met de andere ontwerpers en adviseurs in het gebied en is het Merwedelab opgericht waar innovaties op het gebied van duurzaamheid worden onderzocht en toegepast. Voor de milieu-impact en circulariteit van materialen is er per schaalniveau voor een andere strategie gekozen. Zo worden in de kleine gebouwen en de plinten hergebruikte en biobased materialen toegepast. De grote blokken maken gebruik van een keur aan materialen, waarbij door seriematigheid en prefabricage rekening wordt gehouden met een zo hoog mogelijke prestatie op gebied van duurzaamheid. De start bouw van deze levendige, autovrije en groene stadswijk in Utrecht wordt verwacht in 2023. Meer informatie: www.bloommerwede.nl Tekst: Viveka van de Vliet en Richard Koek Visualisaties: PixelPool Tekeningen: Rijnboutt

“Het begint met betrokken burgers”

01 februari 2023

Betrek bewoners bij de vormgeving van hun leefomgeving, zeggen Aline Muylaert en Lot Schuringa van CitizenLab uit Brussel, gespecialiseerd in (burger)participatie. Want met participatie win je niet alleen kennis, ideeën en draagvlak; de ervaring van betrokkenheid draagt ook direct bij aan de gezondheid.   Samen beslissen, samen bouwen – polderen; het zit in de Nederlandse democratie, in onze (bouw)cultuur ingebakken. Maar werkt die democratie nog wel? Niet voor iedereen even goed, concludeerde de staatscommissie onder leiding van Johan Remkes in het rapport Lage drempels, hoge dijken (2018): kijk naar de toename van ‘protestpartijen’ en dalende opkomsten bij verkiezingen. In hun Atlas van Afgehaakt Nederland (2021) onderzochten Josse de Voogd en René Cuperus hoe dat komt. Zij ontdekten dat gezondheid samenhangt met verkiezingsopkomsten en stemgedrag, en dat zowel opleiding, inkomen en leeftijd als maatschappelijke factoren zoals sociale samenhang, eenzaamheid, vertrouwen en burgerschap een rol spelen bij de ervaring van gezondheid. In de klimaatplannen van het kabinet speelt de burger op zijn beurt een grote rol: gedragsverandering zou 40 tot 70 procent minder uitstoot tot gevolg kunnen hebben. “Hier ligt een kans om gezondheid als invalshoek te gebruiken in de aanpak van klimaatverandering en dit potentieel te benutten,” schreef Henk Jans, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Medische Milieukunde in Het Parool (13 juli 2022). Eva Rovers pleit in haar publicatie Nu is het aan ons. Oproep tot echte democratie (2022) voor burgerberaden waarin ingelote burgers zélf klimaatplannen maken. Tegen deze achtergrond spreken we met Aline Muylaert en Lot Schuringa van CitizenLab uit Brussel over hun ervaring met (burger)participatie en de mogelijkheden die zij daarbij zien voor het bouwen aan een gezonde stad. De kruispuntkwestie Het idee voor CitizenLab ontstond in 2015, toen Muylaert economie studeerde in Brussel. Zij woonde in de buurt van een kruispunt, waarover ze zich opwond. “Het vormde een gevaarlijke verkeerssituatie – en was ook nog lelijk. Ik wilde iets doen, meedenken over een oplossing, maar dat bleek lastig. Brussel kent een complexe overheidsstructuur als het erover gaat wie verantwoordelijkheid draagt en hoe je inspraak organiseert.” Samen met Wietse van Ransbeeck en Koen Gremmelprez bedacht ze om hiervoor technologie in te zetten en zo begon CitizenLab, dat over de hele wereld online participatieplatforms aan overheden, bedrijven en ngo’s verkoopt. Het bedrijf telt inmiddels zestig medewerkers en is onder meer betrokken bij de verbouwing van het Europees Parlement in Brussel en het Palace of Westminster in het Verenigd Koninkrijk. Daarbij worden alle mensen die in de gebouwen werken, van parlementsleden tot schoonmakers, uitgenodigd om mee te denken. De kruispuntkwestie toont in het klein hoe participatie kan bijdragen aan een gezonde stad. “Maar gezondheid is een breed, misschien toch subjectief begrip, dat reikt van mobiliteit tot voeding, van duurzaamheid tot zorg,” zegt Muylaert. “Onze missie is een sociale. We helpen om burgers te betrekken bij de besluitvorming over de publieke ruimte, en de uitkomsten te vertalen naar een inclusieve, gezonde stad. Wij geloven in collectieve intelligentie: dat gebruikers en bewoners kennis over hun leefomgeving hebben die experts ontberen. Als je je als inwoner meer betrokken voelt bij je buurt, heeft dat ook direct impact op gezondheid. Onderzoek toont aan dat mensen dan bijvoorbeeld minder vaak naar de apotheek gaan.” Dit sluit aan bij de definitie in de Atlas van Afgehaakt Nederland: “Gezondheid gaat over deelname, over toegang tot werk, een inkomen, gezien worden en aanhaken.” Constructieve toon Eva Rovers schrijft over democratie op nationaal niveau, CitizenLab richt zich meer op de (lokale) praktijk: hoe betrek je mensen bij een bouwproject op een braakliggend terrein, of bij de opgave om van het gas af te gaan? “Concreet gebeurt dit op een website die inzetbaar is voor verschillende projecten,” vertelt Schuringa, Government Success Manager Nederland – met zo’n vijftig gemeenten en een ontwikkelaar een belangrijke afzetmarkt. Zo vraagt de gemeente Schagen aan bewoners om op een kaart aan te geven waar zich onveilige verkeerssituaties bevinden. Leiden nodigt burgers uit om mee te denken over de vernieuwing van winkelcentrum De Kopermolen, Amstelveen over de verlevendiging van het Stadsplein. Per project bepaalt Schuringa met de opdrachtgever de aanpak; van vragenlijsten en punaises pinnen op kaarten tot een ‘budgetspel’ om beschikbare geldpotjes te verdelen. Wat levert zo’n proces op? “In het algemeen hangt dat af van de vraagstelling,” antwoordt Muylaert. “Geef ons jullie ideeën over vergroening, levert meer creatieve input op dan de vraag: wat vind je hiervan? Vaak is men verrast door de constructieve toon; onze website zorgt voor een beschaafde discussie, meer dan op sociale media.” Op de vraag wat een goed participatieproces is – moet je mensen alleen horen, of de input ook verwerken? – pakt Schuringa de zogenoemde participatieladder erbij. Dit overzicht laat zien hoe je mensen minder of meer kunt engageren: van informeren, consulteren en betrekken tot cocreëren en meebeslissen. “Hiermee help ik opdrachtgevers allereerst om te bepalen hoe ze burgers willen betrekken.” Burgerinitiatieven “Het gaat erom de juiste verwachtingen te scheppen,” vult Muylaert aan. “Om mensen happy te houden tijdens een bouwproces, is informeren doorgaans genoeg. Bij grote kwesties als klimaat – die om gedragsverandering vragen – is het zaak om inwoners mee te laten beslissen. Daarom werken we ook mee aan burgerinitiatieven om zaken op de gemeente-agenda te krijgen, denk aan een 30km-zone of meer groen. Toen Belgische jongeren onder de naam Youth for Climate in 2019 op straat protesteerden, kwam er kritiek vanuit de politiek: wat willen jullie? Wij hebben toen met hen een platform opgezet waarop zij ideeën kunnen delen. We beschikken over een backoffice waarin we tweeduizend ideeën of stemmen kunnen verwerken en daar vervolgens de prioriteiten uithalen. Bij de verkiezingen konden we het resultaat presenteren. We geloven dat deze technologie kan helpen om een concrete aanpak voor de klimaatverandering op te stellen.” Hoe vind je de balans tussen wat de meesten vinden en het streven naar een goed werkende, gezonde stad? Muylaert: “Je moet als gemeente checks and balances inbouwen: thema’s kaderen, de haalbaarheid toetsen. Bewoners kunnen vanuit hun eigen ervaring meedenken over de woonomgeving, maar klimaatverandering is supercomplex. Om daarover mee te kunnen beslissen, moet je mensen heel goed informeren, of wellicht bijscholen.” Een uitdaging is om ook de groep mensen die niet spontaan van zich laat horen te activeren. “Daarom combineren wij altijd online en offline onderzoek, en bepalen we per project de communicatiestrategie.” Muylaert moedigt aan om daarbij te experimenteren. “Er zijn zoveel nieuwe technologieën, denk aan VR-brillen waarmee je mensen kunt meenemen in een plan. Daarnaast adviseer ik aan ontwerpers en ontwikkelaars om niet alleen op georganiseerde momenten aan participatie te doen, maar via allerlei vormen interactie te zoeken met de betrokkenen. En: ga vooral naar buiten.” Schijnparticipatie CitizenLab stimuleert gemeenten om burgers te betrekken, maar waakt voor ‘schijnparticipatie’. “Als mensen zien dat er met een enquête niets gebeurt werkt dat averechts, dan haken ze af,” weet Muylaert. Tijdgebrek, waarbij aan het eind van de planvorming een ontwerp nog vlug even wordt voorgelegd aan bewoners – die daarop dan feitelijk geen invloed meer kunnen uitoefenen – is een andere valkuil. Door de woningnood, de klimaatcrisis en protesten van burgers en boeren neemt de noodzaak om als overheid snel te handelen toe. Schuringa: “Ik vind het jammer om participatie vanuit het negatieve te benaderen, zo van: anders komen de mensen in opstand. Bij gemeenten die het als meer dan een verplicht nummer benaderen, zie ik dat het vertrouwen onder bewoners groeit. Daar gaat men vaak verder dan enquêtes, er worden interessante ideeën opgehaald waarop je reacties krijgt. Zo groeit de betrokkenheid van inwoners – en bouw je echt aan die gezonde stad.” “Wat ik positief vind in Nederland, is dat participatie nu meer in wetten wordt ingebakken, zoals de Omgevingswet,” zegt Muylaert. “Anderzijds hebben gemeenten door vergaande decentralisatie inmiddels zoveel taken, dat er soms te weinig tijd en mensen zijn voor participatieprocessen.” Ze benadrukt dat je “onder druk geen democratische stappen mag overslaan”. “In tijden van crisis moeten we niet per se even snel de knoop doorhakken, maar ook draagvlak creëren voor beleid. Dat hebben we wel geleerd tijdens de COVID-19-pandemie. Toen de overheid voor onze gezondheid besloot dat we niet naar buiten mochten, bleek dat op de lange termijn niet altijd het beste. Bij actuele kwesties als klimaatverandering en de hoge energieprijzen kan participatie een oplossing zijn. Bijvoorbeeld om energiebesparende maatregelen te vinden.” Dit artikel is geschreven voor Rijnboutt Magazine #14 Stad en welzijn (november 2022). Liever een fysiek exemplaar in handen? Stuur dan een mail naar press@rijnboutt.nl.  Tekst: Kirsten Hannema Deelnemer gesprek: Maarten Castelijns Fotografie: CitizenLab

De derde weg naar gezond en veilig

04 januari 2023

In de gezonde stad draait het om solidariteit en andere dan financiële waarden. In gesprek met Catja Edens verkennen Rijksadviseur voor het landschap Jannemarie de Jonge en corporatiebestuurder Karo van Dongen de kansen voor de gezonde stad. Nemen we afscheid van het individualisme en neoliberalisme?   Wat betekent de gezonde stad voor jullie? Karo van Dongen: “Als lid van de Raad van Bestuur van Alwel, een corporatie met bezit in verschillende steden in Noord-Brabant, stel ik mijzelf telkens de vraag: waar doen we het voor? Het antwoord is dat we woningen bouwen en beheren om mensen goed te kunnen laten wonen. En goed wonen gaat niet alleen over onderdak, maar ook over welzijn en gezondheid. De ongelijkheid is in sommige steden behoorlijk groot. Breda bijvoorbeeld is een welvarende stad, maar slechts de helft van de bevolking profiteert van die welvaart. Uit onderzoek is gebleken dat mensen die horen bij de andere helft van Breda, waar wij veel bezit hebben, gemiddeld ongezonder zijn en zelfs jaren korter leven. Als corporatie zijn we ons sterk bewust van die relatie tussen woonomstandigheden en gezondheid.” Jannemarie de Jonge: “Voor mij als landschapsarchitect is de link tussen ruimtelijk ontwerp en gezondheid evident. Zo weten we bijvoorbeeld dat er een direct verband bestaat tussen het aantal bomen in de omgeving en de hoeveelheid antidepressiva die gebruikt wordt. Dit soort relaties zijn razend interessant. De gezonde stad biedt een kwaliteit van leven die voor iedereen bereikbaar moet zijn.” Is gezondheid ook je missie als Rijksadviseur voor het landschap? De Jonge: “Gezondheid gaat over voorwaarden scheppen en vooruitkijken. Dat hoort ook bij het werk van ontwerpers en planners. De opgave van het Nationaal Programma Landelijk Gebied raakt ook op heel veel plekken aan gezondheid: luchtkwaliteit, de productie van gezond voedsel en de ruimte om gezond te leven. Met het tot stand brengen van zo’n gezonde, groene leefomgeving kunnen we die 24 miljard die nu voor de transitie van de landbouw is gereserveerd ook weer terugverdienen. “Daarvoor moeten we natuurlijk wel anders aan plannen gaan rekenen. De medicijnen en apparaten die mensen nodig hebben als hun gezondheid verslechtert, tellen we nu op bij het Bruto Nationaal Product. Zo levert ziekte dus geld op terwijl de echte winst, voor de lange termijn, natuurlijk zit in gezondheid.” Van Dongen: “Het werkt goed om het effect van preventieve maatregelen om te rekenen in geld. Dat is gebeurd met een voorstel van Surplus, één van onze zorgpartners. Zij wilden de wijkzuster terugbrengen als een vorm van laagdrempelige, preventieve dienstverlening. De verzekeraar geloofde er niet in, maar Surplus voerde het plan uit en een onderzoeksbureau berekende dat met aftrek van kosten 100.000 euro per jaar bespaard werd. Toen zagen de verzekeraars wel de waarde.” We spreken over de gezonde stad, maar moeten we die niet altijd zien in een nationale en internationale context? Van Dongen: “Zeker nu zijn er duidelijke verbindingen te leggen tussen internationale ontwikkelingen en de leefomstandigheden van de huurder. Twee jaar geleden was het nog moeilijk om bewoners mee te krijgen in duurzaamheidsprojecten, maar nu door de oorlog in Oekraïne de prijzen stijgen, wordt het voelbaar en vragen onze huurders er zelf om.” De Jonge: “Het zijn altijd de maatschappelijke schokken die veranderingen teweegbrengen. Na de Tweede Wereldoorlog was het credo van Sicco Mansholt, minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening: ‘Nooit meer honger’. Hij zette daarvoor grootschalige Nederlandse landbouwhervormingen in gang met ruilverkaveling en industrialisatie. Inmiddels is de samenleving veranderd en hebben we niet meer te maken met honger maar met obesitas. Er zijn allerlei nieuwe uitdagingen die wij het hoofd moeten bieden die betrekking hebben op gezondheid. Mijn voorstel voor een nieuw motto is: ‘Nederland gezond en veilig’. De Omgevingswet benoemt het ook als hoofddoel: ‘Een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.’” Van Dongen: “Toch zitten we nog altijd in de sfeer van bouwen, bouwen, bouwen en wordt er vooral over aantallen gesproken. Er zijn zoveel prioriteiten die door elkaar lopen – de wooncrisis, CO2-reductie, klimaatadaptatie, mobiliteit – dat gezondheid al snel het kind van de rekening wordt.” Zien jullie mogelijkheden om de gezondheidswinst die in woonprojecten te behalen valt, tastbaar te maken? Van Dongen: “Bij Alwel proberen we dat. We hebben laten onderzoeken wat er gebeurde met mensen nadat zij door ons waren ontruimd – uit hun huis gezet omdat ze bijvoorbeeld overlast veroorzaakten of een huurschuld hadden. De verhalen waren schokkend. Met een ontruiming sla je letterlijk de bodem onder het bestaan vandaan, waardoor mensen op straat terechtkomen. Met het neoliberale uitgangspunt dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen succes en falen, kom je er dan niet. Op straat gaat de gezondheid van mensen keihard achteruit. Dan zijn de lasten in maatschappelijk en persoonlijk opzicht nog veel groter. Het was bij ons aanleiding om huurders niet meer te ontruimen op basis van een huurachterstand maar naar andere mogelijkheden te blijven zoeken.” De Jonge: “Het draait allemaal om vooruitdenken en preventie. Dat begint ook bij jonge kinderen die soms opgroeien in een omgeving waar ze geen onderscheid leren maken tussen wat gezond en ongezond is. Ze raken vervreemd van de natuurlijke elementen en hebben geen kans om een ‘naturalistische intelligentie’ op te bouwen. Mijn droom is dat er in elke woonbuurt een bosje te vinden is waar kinderen hutten kunnen bouwen, kuilen graven en zien hoe planten groeien. Dat ze weten dat het soms regent en dat soms de zon schijnt omdat ze niet altijd maar binnen zitten achter hun scherm.” Maar hoe kom je tot een ander waardesysteem en andere berekeningen om dit soort voorzieningen een plek te geven in projectontwikkeling? Van Dongen: “Er bestaan wel instrumenten als de maatschappelijke kosten-batenanalyse of wat in het Engels social return on investment heet. Die maken het mogelijk om met andere dan puur financiële waarden te werken en bijvoorbeeld de effecten van maatschappelijk vastgoed mee te wegen. Ik vind het belangrijk om te blijven redeneren vanuit goed en betaalbaar wonen. Vroeger kregen woningbouwverenigingen klinkende namen als ‘Licht & Lucht’ en ‘Zomers Buiten’, waarin die doelstelling van woonkwaliteit besloten lag. Tegenwoordig lijkt het vooral om aantallen en budgetten te gaan.” De Jonge: “We zouden die gewenste kwaliteiten in een bouwverordening kunnen verwerken, bijvoorbeeld met regels over de hoeveelheid groen per bewoner. Maar misschien is het effectiever om labels en ambitieniveaus in te zetten. De ondergrens van de regels moet immers niet de standaard worden. Daar wordt nu binnen het Rijk over gesproken.” Om de leefomgeving groener en gezonder te maken hebben we dus vooral stimulerende maatregelen nodig, maar misschien ook andere regels. De Jonge: “Dat is zeker belangrijk. Coöperatieve woonprojecten bestaan in Nederland al sinds de jaren tachtig maar het blijft tot op de dag van vandaag moeilijk om ze van de grond te krijgen. Dat verbaast me, want daar is zoveel winst te behalen, bijvoorbeeld voor de mentale gezondheid. Samen leven is een voorwaarde voor mentale gezondheid, zeker nu eenzaamheid een groeiend gezondheidsprobleem wordt. In dit soort woonomgevingen hebben mensen vanzelf contact met elkaar, helpen ze elkaar en blijven ouderen bijvoorbeeld langer actief. Het is belangrijk om daarvoor nieuwe vormen en tradities te ontwikkelen.” Van Dongen: “Corporaties zouden daarin de professionele partner kunnen zijn als ondersteuner en facilitator, maar de regelgeving zit nog in de weg. Wij mogen als corporaties niet ‘bankieren’ zoals dat heet. Dat is jammer want als we in financiële zin kunnen ondersteunen bij de start, verdient het geld zich later weer terug omdat initiatiefnemers veel zelf doen en regelen.” De Jonge: “De tijd is rijp om die periode van neoliberalisme en individualisme af te sluiten en een derde weg te vinden. Ik zie veel perspectief in combinaties van privaat en collectief. Vanuit het College van Rijksadviseurs zijn we ook bezig om projecten te starten volgens het principe van de commons. Daar draait het om nieuwe vormen van gemeenschappelijkheid en principes van wederkerigheid. Je draagt samen de verantwoordelijkheid en plukt samen de vruchten. Zo kom je los van een cultuur waarin alles financieel wordt afgerekend.” Werken aan de gezonde stad vraagt dus een politieke, bestuurlijke en economische herbezinning? Van Dongen: “Aan de basis ligt het grote verhaal waarin we echt zijn losgezongen van onze natuurlijke omgeving. Als de biodiversiteit verslechtert, dan raakt ons dat allemaal. Dat besef is nodig en zal uiteindelijk moeten leiden naar een herziening van het systeem: wie investeert er en wat levert het op? Niet ziek worden levert inderdaad veel meer op dan wat er verdiend wordt met medicijnen en medische apparatuur. Op die manier moeten we gaan kijken naar de weeffouten in onze samenleving. Dat betekent misschien wel dat de medicijnfabrikanten en energiebedrijven die nu gigantisch veel geld verdienen, (weer) nutsbedrijven moeten worden.” De Jonge: “De samenleving neemt nu zelf het voortouw. Het is interessant om te zien dat coöperatieve initiatieven altijd opkomen in tijden van grote maatschappelijke veranderingen als noch de overheid noch het bedrijfsleven met nieuwe oplossingen komt. Vroeger waren dat de Boerenleenbank en woningbouwverenigingen. In onze tijd zijn er initiatieven als de Herenboeren, boerenbedrijven waarin mensen individueel kunnen deelnemen door financieel bij te dragen of arbeid in te brengen.” Van Dongen: “Ecowijk in Boekel is ook een interessant voorbeeld. Daar hebben mensen samen een volledig duurzame wijk gebouwd tegen zeer lage bouwkosten. Corporaties gaan er allemaal kijken. Maar de grote vraag blijft welke mogelijkheden er zijn om dit op te schalen, zodat het voor meer mensen bereikbaar wordt.” De Jonge: “Ik geloof hoe dan ook in een gebiedsgerichte benadering waarin zaken als wonen, groen, voedsel- en energieproductie, verkeer en klimaatadaptatie in samenhang worden aangepakt. Als we daarbij meer ruimte bieden aan maatschappelijk initiatief, zijn we goed op weg van ‘nooit meer honger’ naar ‘gezond en veilig.’” Dit artikel is geschreven voor Rijnboutt Magazine #14 Stad en welzijn (november 2022). Liever een fysiek exemplaar in handen? Stuur dan een mail naar press@rijnboutt.nl.  Tekst: Catja Edens Deelnemer gesprek: Frederik Vermeesch Fotografie: Ineke Oostveen

De gezonde stad als wenkend perspectief voor de woningbouwopgave

21 december 2022

Door de relatie tussen gezondheid en ruimte centraal te stellen bij het denken over de stad van morgen, ontstaan kansen voor het bouwen aan weerbare en gezonde steden. Met deze invalshoek kom je tot andere oplossingsrichtingen dan nu door de overheid worden geboden; richtingen die een gezondere samenleving als resultaat hebben. In de huidige grootschalige woningbouwopgave geldt kwaliteit als belangrijke leidraad. Wat als we die kwaliteit duiden in termen van gezondheid en daarbij de bestaande voorraad in de groeiambitie meenemen?   De afgelopen anderhalve eeuw zijn steden en hun bewoners er gezonder op geworden en tegelijkertijd staat de stad van nu er weinig blakend bij. Dat lijkt een paradox, maar is het niet. Gezondheid is geen statisch gegeven. Elke tijd kent zijn eigen plagen. Die plagen verraden vaak iets over zowel de staat van de maatschappij als die van de gebouwde stad. Eind negentiende eeuw leidden de slechte hygiënische omstandigheden tot uitbraken van infectieziektes als cholera en dysenterie. Een aantal maatregelen, veelal met een ruimtelijke component zoals krotopruiming, redelijke arbeidsomstandigheden, veilig verkeer en schoon drinkwater, zorgden ervoor dat de hygiënische omstandigheden in de woning, buurten en op werkplekken verbeterden. Ontwerpers hadden hier een belangrijk aandeel in. Zo was bijvoorbeeld de Amerikaanse landschapsarchitect Frederick Law Olmsted (ontwerper van onder meer het Central Park in Manhattan) pleitbezorger van groene parken in het hart van de stad als democratische plekken om elkaar te ontmoeten en tevens om de waterafvoer goed te regelen. Architecten zoals Jan van der Pek namen de gezondheid van de arbeider als uitgangspunt bij het ontwerp van hun tuindorpen. Ideologisch gedreven maakten ze weloverwogen keuzes op alle schalen, van de stedenbouwkundige opzet en aard en het gebruik van groen tot en met het architectonisch detail. De groeiende welvaart en een gemiddeld langere levensduur zorgen voor een plaag aan chronische ziektes, bijvoorbeeld diabetes en obesitas. Ook groeit het aantal mensen met psychosociale problemen als eenzaamheid, stress en agressie. Corona stak de kop op. En door de vergrijzing worden steeds meer mensen getroffen door ouderdomsaandoeningen als dementie. Hoe kunnen ontwerpers vandaag, net als de Olmsteds of Van der Peks uit de negentiende en begin twintigste eeuw, een bijdrage leveren om weerbare, gezonde steden te maken met dito inwoners? Bouwen tussen aanhalingstekens Langzaam sijpelt het thema van de gezonde stad door in de opdrachtverschaffing van projecten op de stedenbouwkundige schaal. Geholpen door overheden die gezondheid vaak als belangrijk thema opnemen in hun omgevingsvisie, vertaald naar doelstellingen die de grote transities bedienen, zoals een stad die uitnodigt tot meer bewegen, waar bewoners schone lucht kunnen inademen, waar de openbare ruimte groen biedt en hittestress tegengaat. Gezondheid is politiek gezien een doelmatig thema. Niemand is tegen een gezonde stad en het voelt ook grijpbaar, een thema dat mensen gemakkelijk kunnen omarmen. Bovendien kan ander urgent beleid, zoals klimaatadaptatie, de energietransitie of biodiversiteit, met het aansprekende narratief van de gezonde stad gebundeld worden. Opvallend is dat in het gezondestaddenken de architectonische schaal er in beleid en opdrachtomschrijvingen bekaaid vanaf komt. Het narratief is dan vaak teruggebracht tot af te vinken normen, zoals de Bijna Energieneutraal Gebouw (BENG) voor het terugdringen van de CO2-uitstoot van nieuwe gebouwen. Om een echt doortimmerd idee over wat een gezonde woning behoeft, wordt nooit gevraagd. Zo’n opgave is ook lastig, want wat maakt een huis gezond en hoe onderbouw en waardeer je keuzes? Bewijzen dat een huis met veel daglicht gezond is, kan nog wel met wetenschappelijk verkregen kennis, maar vaststellen wat de meerwaarde hiervan is in euro’s, is lastig. Bij het uitblijven van harde cijfers is “te duur” dan vaak het antwoord van een opdrachtgevende partij. Met als gevolg dat het in de praktijk hoogst haalbare veelal de wettelijke ondergrens blijkt te zijn. Waarom meer of beter als het niet per se moet? In de huidige woningbouwopgave van het bouwen van 900.000 woningen tot 2030 wordt in het aangescherpte programma kwaliteit als belangrijke leidraad genoemd. Wat als we die kwaliteit duiden in termen van gezondheid? En wat als we het bouwen tussen aanhalingstekens plaatsen en ook de bestaande voorraad in de groeiambitie meenemen? De overheid doet al een eerste aanzet door het transformeren van kantoren en winkels in woningen onderdeel te maken van haar programma. Maar een slimme transformatie van de huidige woonvoorraad zou veel gerichter naar de gewenste uitkomst leiden. Bovendien laat stadsvernieuwing in plaats van stadsuitbreiding (of -inbreiding) veel meer mensen profiteren van de mogelijkheden die de woonopgave biedt om de stad een stap weerbaarder te maken. Van groot naar beter Zo liggen er grote kansen voor een betere herverdeling van woningen. Met name voor de woningen die tijdens de bouwboom in de jaren zeventig en tachtig zijn gebouwd. Van de momenteel acht miljoen woningen die Nederland telt, stamt meer dan een vierde deel uit deze periode. Deze huizen zijn bouwtechnisch in redelijke staat, maar vaak slecht geïsoleerd, niet duurzaam en soms ook voorzien van asbest. Het zijn ook precies deze woningen die nu toe zijn aan een grootschalige renovatie. 1973 staat bijvoorbeeld in de boeken als recordjaar wanneer het gaat om bouwen. Per saldo kwamen er toen in een jaar bijna 143.000 woningen bij, aldus het Centraal Bureau voor Statistiek. De kinderen van de naoorlogse geboortegolf waren rond 1973 volwassen, wilden gezinnen stichten en zochten dus massaal naar passende gezinswoningen. Hoe ironisch is het dat juist deze babyboomers die woningen nu vaak bezet houden voor de nieuwe generatie jonge gezinnen. De kinderen zijn allang uitgevlogen, de woningen vaak voor twee ouderen of alleenstaanden te groot, maar passende kleinere woningen in de buurt zijn er niet. Wie huurt, heeft vaak zulke lage maandlasten dat een nieuw, kleiner appartement per maand meer zou kosten. Wie samen wil gaan wonen, wordt gekort op AOW. En de buurten verlaten, waar gezinnen jarenlang hun netwerken opbouwden, willen ze niet. Dat is ook te begrijpen, want voor een steeds minder mobiel wordende oudere is een sociaal netwerk op buurtniveau goud waard. Bovendien helpt het wonen in een bekende omgeving bij het behouden van zelfredzaamheid, wat volgens onderzoek een belangrijk voorwaarde is om gelukkig oud te worden. Ouderen zitten in hun grote huizen net zo vast als de starters voor wie geen betaalbare woningen beschikbaar zijn. In een onderzoek van de NOS en de regionale omroepen uit 2021 wezen 191 van de 352 Nederlandse gemeenten precies dit probleem aan als het grootste obstakel op de woningmarkt. Het deed de Eindhovense woningbouwcorporatie Trudo in april van dit jaar besluiten duizend huishoudens van 55 jaar en ouder, die in een eengezinswoning met ten minste drie slaapkamers wonen, aan te schrijven. In de brief gaf Trudo aan senioren voorrang te geven bij het doorstromen naar seniorenwoningen in eigen bezit. Dit alles onder het motto ‘van groot naar beter wonen’. Een stimulans om binnen de eigen voorraad voor beweging te zorgen. Ook vinden op verschillende plekken in Nederland experimenten plaats met het aanwenden van de noodzakelijke verduurzamingsslag van eengezinswoningen, door deze te splitsen naar twee of meerdere woningen voor alleenstaanden. De Eindhovense Woningcorporatie Woonbedrijf doet in 2022 een pilot met het splitsen van tien woningen en bepaalt na evaluatie of het experiment navolging krijgt. Hoe doe je dat op zo’n wijze dat de gesplitste huizen in de toekomst eventueel weer samengevoegd kunnen worden? We willen uiteindelijk niet over vijftig jaar – wanneer de vergrijzing afvlakt – met een overschot aan kleine alleenstaandenwoningen opgescheept zitten. Ook de stad heeft immers per tijdperk specifieke klachten. Een weerbare stad vraagt om gebouwen die zonder hoge kosten of grote duurzaamheidsgevolgen te transformeren zijn. Een ander interessant project waarbij meer woonruimte ontstaat binnen de bestaande voorraad en omkijken naar de ander een rol speelt, is ‘Onder de Pannen’. Bewoners die een kamer kunnen missen in hun huis – zowel bij koop, huur als sociale huur – mogen die legaal verhuren aan een stadgenoot die dringend op zoek is naar woonruimte. Het gaat om mensen die bijvoorbeeld na een echtscheiding op straat dreigen te komen staan of op andere wijze dakloos zijn geraakt. De verhuurder verdient een zakcentje bij en de huurder kan een jaar lang goedkoop wonen en zich vanuit een stabiele woonsituatie richten op het vinden van een baan of duurzame woonruimte. Met een slimme herverdeling krijg je vraag en aanbod beter georganiseerd en breng je een gezonde doorbloeding op gang in de wijken van de stad. Het is een kans om op buurtniveau een betere bewonersmix voor elkaar te krijgen; jong en oud, economisch sterk en minder sterk, cultureel divers. Een gestage, continue doorstroom van de stad vergroot de economische en sociale kansen van alle bewoners van een buurt, zo wijst onderzoek uit. Zorg als gedeelde verantwoordelijkheid Er is nog een reden waarom het zinvol is gezondheid te koppelen aan de huidige woningbouwopgave. Gezondheid gaat hoe dan ook een belangrijke rol spelen in onze directe leefomgeving. Door de vergrijzing verdubbelt het aantal 75-plussers tot 2040 ten opzichte van nu. Met zulke cijfers zijn de zorgkosten niet meer te dragen door de maatschappij. Een belangrijke reden voor de regering om haar beleid zo te sturen dat mensen met een zorgbehoefte langer thuis kunnen wonen. Dat geldt overigens niet alleen voor ouderen, maar ook voor andere kwetsbare groepen, zoals mensen met psychische aandoeningen. De politie ziet de laatste jaren al een stijgende lijn van het aantal incidenten rond mensen met verward gedrag. De eenzaamheid onder bewoners die vanwege mobiliteits- of andere problemen moeilijk een netwerk kunnen opbouwen of onderhouden, zal stijgen. Er is niet enkel sprake meer van de zorg, die weggestopt zit in zorgvastgoed op bestemmingen waar zorg planmatig een plek kreeg. Plekken waar mensen in witte jassen met patiënten werken. Zorg van nu is steeds meer midden in de wijken nodig, als een onderdeel van het samen leven. Een helpende hand om een door dementie dwalende buurvrouw terug naar huis te brengen, opmerkzaamheid als een oude buurman zich plotseling niet meer op straat vertoont, omarming als een groep autisten een veilige plek in de wijk zoekt, een potje voetbal met een schuchtere buurjongen die slecht contact kan maken buiten zijn beeldscherm. Het is een gedeelde maatschappelijke verantwoordelijkheid om naar hen om te kijken. Niet elke wijk is even veerkrachtig om kwetsbare personen op te nemen. Momenteel is het een groot probleem in wijken met veel sociale woningbouw, waar mensen met een zorgindicatie die langer thuis moeten wonen voorrang krijgen. Deze doelgroep heeft baat bij een omgeving met bewoners die juist brede schouders hebben. Ontwerpers kunnen de woningbouwopgave van expertise voorzien hoe kwetsbare doelgroepen een geborgen plek kan worden gegeven in de harten van onze buurten. Verkokerde wereld Daar waar de functies zorg en wonen elkaar in werkelijkheid steeds meer overlappen, kunnen ze dat op het gebied van regelgeving of financiering nadrukkelijk niet. Pioniers van ontwerpen van nieuwe woonzorgconcepten lopen hier nu vaak op stuk. Een voorbeeld dat illustreert hoe die verkokering vernieuwing in de weg zit, is het concept carebnb. Carebnb is een soort Airbnb, maar dan voor iemand die tijdelijk zorg biedt aan iemand op buurtniveau. Met carebnb hoef je je woning niet te verlaten als je tijdelijk zorg nodig hebt, maar komt specifieke zorg naar jou toe. Je bezet dus geen duur bed in een zorginstelling. Voor de maatschappij betekent dat een besparing aan zorgkosten. Het is vaak bovendien gezonder voor iemand met klachten om niet te veel te reizen en in de vertrouwde omgeving te blijven. Wat nu als we de kosten die we maatschappelijk uitsparen, of een gedeelte daarvan, investeren in het vrijhouden van een woning voor verkoop of verhuur om deze te bestemmen als carebnb? Lastig, want het toewijzen van zorgbudget aan een ruimtelijk project kan niet. Zorg en ruimte hebben immers keurig hun eigen kokertje toebedeeld gekregen. Een onhoudbare zaak als je ziet hoezeer zorg steeds meer doorsijpelt in onze woonomgevingen. Ook de landelijke branchevereniging voor wooncorporaties Aedes pleit voor extra budget voor corporaties om experimenten met nieuwe woonvormen die de sociale interactie en samenhang stimuleren te kunnen bekostigen. Het voorstel is de verhuurdersheffing af te schaffen en het geld dat vrijkomt te investeren in goede woningen. De inkomsten die de overheid zo misloopt, verdient ze op termijn terug door besparingen op het gebied van zorg en welzijn. Nieuwe rekenmodellen Grote winst valt ook te behalen in het herontwerpen van de wijze waarop we onze ruimtelijke projecten doorrekenen. Rekenmodellen volgen nu meestal de logica van grondexploitaties. Zo’n grondexploitatie heeft gemiddeld een looptijd van tien tot twintig jaar. Aan de mogelijke voordelen die buiten deze afschrijftermijn vallen wordt in onze huidige modellen geen waarde toegekend. Werken aan een gezonde, weerbare stad heeft baat bij langetermijndenken. Winsten op het gebied van gezondheid of welzijn zijn ook lastig in cijfers te duiden. Wat als je een appartementenblok bouwt dat modulair mee kan groeien met veranderende behoeften van doelgroepen? Wat is de gezondheidswinst van het tegengaan van hittestress? Wat als je woonomgevingen ontwerpt die bewoners de kans geven gezonder oud te worden? Wat is de gezondheidswaarde van daglichttoetreding? Welke zorgkosten bespaar je met het investeren in een gedeelde huiskamer in een project? Als je nadenkt over het oplossen van eenzaamheid kan samen eten heel waardevol zijn. Maar hoe kun je deze investering omzetten in cijfers en op welke termijn heb je welke winst? Een van de oplossingen is om met behulp van bestaand of nieuw onderzoek meer grip te krijgen op het thema gezonde stad in relatie tot ontwerp. Daarbij is het belangrijk ontwerpers in onderzoeksteams te laten samenwerken met wetenschappers uit het sociale domein of de ecologie. Zo krijgt van meet af aan de vertaalslag naar ruimtelijke plannen aandacht. Met het beter in beeld brengen en het door opdrachtgevers, ontwikkelaars, beleggers, overheden en bewoners herkennen van de maatschappelijk baten van een gezonde stad is het gemakkelijker experimentele projecten uit te voeren en op te schalen. Partijen met een gedeeld belang voor langetermijndenken, zoals beleggers en verzekeraars, kunnen interessante coalitiepartners zijn bij het pionieren met nieuwe rekenmodellen. Zij hebben namelijk direct baat bij langetermijnopbrengsten. Ten slotte helpt een geëngageerder gepositioneerde vakgemeenschap van ontwerpers. Vaker denken vanuit de dubbelrol van architect/ stedenbouwkundige en burger helpt daarbij. Als samen leven zorgen voor betekent, moet je dat ook in de ontwerphouding terugzien. Ontwerp alsof je leven ervan afhangt! Want misschien is dat ook wel zo. In het grijze 2040 zijn de sterksten van nu de kwetsbaren geworden. Hoe noodzakelijk is het daarom niet dat de ruimtelijk ontwerpers van nu daarop voorsorteren? Dit essay is geschreven voor Rijnboutt Magazine #14 Stad en welzijn (november 2022). Liever een fysiek exemplaar in handen? Stuur dan een mail naar press@rijnboutt.nl.  Tekst: Marieke Berkers Foto: uit de serie ‘50 jaar Amersfoort Schuilenburg‘ door Rufus de Vries

De rol van de provincie: verbinden, uitzoeken, inspireren en aanjagen

14 december 2022

Zuid-Holland is de meest ongezonde provincie van Nederland. Dat bleek uit onderzoek van de provincie in samenwerking met PosadMaxwan strategy x design en TNO (2018). En dus kwam er een plan van aanpak. Daarmee liepen ze vooruit op de invoering van de Omgevingswet, die gezondheid als een wettelijke taak van de provincie ziet. Anne Koning, gedeputeerde provincie Zuid-Holland, en Emile Revier, partner bij PosadMaxwan, over de rol en betekenis van de ontwerppraktijk voor het maatschappelijk streven naar de gezonde stad.   In 2018 presenteerde de provincie de Gezond Zuid-Holland 2040; Toekomstagenda onderzoek gezondheid en verstedelijking. Wat waren de belangrijkste aanbevelingen? En hoe staat het met de implementatie ervan? Gedeputeerde Anne Koning windt er geen doekjes om: “De provincie Zuid-Holland is nog steeds de meest ongezonde provincie van Nederland. Binnen deze provincie zijn de gezondheidsverschillen heel groot. Onze vraag was: hoe gaan we verbetering van gezondheid inpassen in beleid? We werken aan heel veel vraagstukken en doen dat nooit alleen.” De aanstaande invoering van de Omgevingswet voorziet in gezondheid als wettelijke taak van de provincie. Er bestaat grote betrokkenheid van partijen waar de provincie mee samenwerkt, zoals de 52 gemeenten in de provincie Zuid-Holland, het Rijk, Omgevingsdiensten en de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten, de GGD’s. Koning: “We hebben goedlopende projecten in De Binckhorst hier in Den Haag, werken in Alphen aan de Rijn, Zoetermeer, Rijswijk, Rotterdam, Dordrecht. Het project Positieve Gezondheid ligt op de tekentafel en we hebben een healthy society map opgesteld. We hebben in veel aspecten waar de provincie invloed op heeft de afgelopen vier jaar stappen gezet: kennisdeling, kennisontwikkeling, met projecten meedoen. Daarmee zijn we nog lang niet de meest gezonde provincie, maar we blijven eraan werken.” Het leggen van verbindingen met partijen en gebieden heeft meerwaarde en is verrijkend; dat heeft de Toekomstagenda laten zien. Een van de aanbevelingen aan de provincie was om de rol binnen haar netwerk te bestendigen door middel van verbinden, uitzoeken, inspireren, aanjagen en agenderen. Koning: “Feitelijk ligt de gezondheidsboodschap al veel langer dan de afgelopen jaren op tafel. Alleen bijdragen aan kennisoverdracht is te smal. Of een project slaagt is afhankelijk van leiderschap, maar ook van het samen doen. Alleen het gezondheidsverhaal vertellen is niet genoeg.” Maatschappelijke opgave De Toekomstagenda was het eindproduct van het onderzoek dat PosadMaxwan (voorheen Posad) in samenwerking met TNO voor en met de provincie Zuid-Holland heeft uitgevoerd. Het lijvige boekwerk somt in bijna honderd pagina’s veel op: van de definitie van het begrip via hoe de provincie scoort op gezondheid tot aanbevelingen welke rol de provincie tot uitvoer zou moeten brengen. De provincie wilde meer grip krijgen op gezondheid en verstedelijking en ziet een ‘gezonde leefomgeving’ als belangrijke maatschappelijke opgave. Ook wilde zij verkennen of en hoe zij van meerwaarde kan zijn op het dossier gezonde leefomgeving. Niet dwingen Heeft ontwerp een rol bij het centraler stellen van het begrip gezondheid? Koning: “Ik ben opgeleid als bosbouwer en stedenbouwkundige, maar ik ben geen ontwerper. Ik zie dat ontwerp verschillende elementen van een programma van eisen bij elkaar kan brengen. De afgelopen jaren is er meer aandacht gekomen voor deze rol van ontwerp. Niet op de wijze van ‘Zo moet het!’ maar juist agenderend.” Emile Revier beaamt dat: “Wij zoeken vanuit gezondheid naar de raakvlakken met ruimte, met economie. Dat zijn sectoren die vaak hardere agenda’s hebben. Waar geldstromen op een andere manier verlopen dan in het gezondheidsdomein. We merkten – niet alleen door deze opdracht van de provincie, maar ook bij andere opdrachten – dat gezondheid als thema verbindend kan werken. Plat gezegd: als je het over gezondheid hebt – en helemaal als je het over gezondheid van kinderen hebt – is daar nooit iemand tegen. Als je vertrekpunt is: ‘Hier willen we de gezondheid verbeteren’ dan krijg je alle partijen bij elkaar: de afdeling gezondheid, de GGD, maar ook mensen die bezig zijn met de economische verbetering en met de bereikbaarheidsopgave van een stad. Iedereen komt bij elkaar.” Revier ziet het maken van gezonde omgevingen als het bestaansrecht van stedenbouw. Hij merkt dat gezondheid gekoppeld wordt aan het begrip brede welvaart. “De provincie was hierin voorloper door haar verantwoordelijkheid te nemen. Het is niet zo dat mensen zaten te wachten op een toekomstagenda voor gezondheid van de provincie Zuid-Holland.” Koning nuanceert: “De taak om aan gezondheid te werken lag er al op provinciaal niveau. Dit huidige kabinet ziet gezondheid als belangrijk beleidsdoel en neemt hier regie op. En vraagt provincies om daadwerkelijk actie te ondernemen.” Verbeteringsparadox “Dat Zuid-Holland de minst gezonde provincie is, was een snoeiharde conclusie uit ons onderzoek.” Daarbij speelt Revier de verbeteringsparadox parten. “Voor emissiezones kun je doelen en mijlpalen vaststellen. Voor het abstractere begrip gezondheid is dat lastiger. Uit de analyse voor de Toekomstagenda bleek dat een aantal gebieden in Zuid-Holland negatief scoren op gezondheid.” Die gebieden aanpakken, is dat niet gewoon het meest logische om te doen? “Als de algehele gezondheid verbetert, wordt het contrast tussen mensen waar het goed mee gaat en degenen die een lange levensverwachting hebben groter. Maar de situatie voor mensen met een lage levensverwachting verbetert maar een klein beetje. Daarmee worden de algemene verschillen dus veel groter.” Hij haalt Den Haag Zuidwest als voorbeeldwijk aan om deze gezondheidsparadox te illustreren. “Als je daar inzet op gezondheidsverbetering laten de cijfers zien dat de mensen waar het beter mee gaat, dan uit de buurt vertrekken. Zo kwamen we op de interessante beeldspraak: wijken waar veel kansarme mensen bij elkaar wonen functioneren als een ziekenhuis. Daar ga je met een ziekte naar binnen en kom je gezond weer uit. Het is en blijft een doorstroomplek.” Doordenken Revier: “We merken dat het thema bij opdrachtgevers op tafel komt te liggen. Gezondheid komt steeds meer terug in het narratief.” Zowel Revier als Koning zien dit als winst. Verantwoordelijkheid nemen op het vlak van gezondheid en onder de aandacht van veel partijen brengen, is onderdeel van de werkwijze van PosadMaxwan geweest. “Het opstellen van de Toekomstagenda was geen traditioneel onderzoek met een eindrapport als resultaat, maar eerder een proces, waarbij we veel gemeenten en afdelingen binnen de provincie hebben betrokken bij het gesprek. Dat is een minstens zo groot resultaat als het uiteindelijke rapport: dat meer mensen over het onderwerp zijn gaan nadenken, en het internaliseren in hun eigen werk. Koning: “Na een succesvol afgesloten project kun je tegen een gemeente zeggen: ‘Hier heb je een mooi voorbeeld’. Het gaat erom de projecten en denkwijze te herhalen binnen een gemeente, en zeker ook op andere plekken, met weer andere stakeholders. Daarbij gaat het niet alleen om het eindplaatje, maar ook om de vraag: hoe doe je het nu eigenlijk? Dat doordenken, dat is al heel wezenlijk.” Langetermijnblik Ruimtelijke vraagstukken oplossen gaat niet van de ene op de andere dag. Dat vereist een langetermijnvisie en vasthouden aan het einddoel. Hoe verdraagt zich dat met politiek, waar de wisseling van de wacht kan leiden tot een draai van 180 graden in beleid? Koning: “Ik ben Eerste Kamerlid en wethouder geweest. Als er één overheidslaag is die een langetermijnblik heeft, dan is dat de provincie. Het helpt dat veel mensen niet exact weten wat we als provincie doen. Daardoor kunnen we focussen op vraagstukken die over een langere termijn gaan.” Dat herkent Revier: “De directe invloed van de pers op vraagstukken is op nationaal en gemeentelijk niveau enorm toegenomen. Die zit overal bovenop. Tel daarbij de steeds kortere houdbaarheid van politieke macht op bepaalde overheidslagen op. Daar heeft het provinciale niveau veel minder last van. Dat maakt het mogelijk gedegener, rustiger en op inhoud gebaseerde gesprekken te hebben met provincies. Die pakken thema’s als duurzaamheid en gezondheid op. Zij kunnen dat goed en vormen daarmee een continue en verbindende factor tussen overheidslagen.” Koning: “Feit is dat we een aantal medewerkers hebben die al heel lang met deze maatschappelijke vraagstukken bezig zijn en die dat zeer gedreven en gepassioneerd oppakken.” Dat klinkt alsof het provinciale niveau de meest ideale bestuurslaag is om het aspect gezondheid onder de aandacht te brengen. Koning: “Ik verzet me tegen de gedachte dat er maar één bestuurslaag verantwoordelijk is. Mag iets niet van meerdere partijen zijn? Het is echt belangrijk dat gezondheid vanuit meerdere overheidslagen wordt bezien. En ook in relatie tot scholen, tot bedrijven, tot GGD’s.” Verdiepen in de inhoud De samen-gedachte is de basis onder de Omgevingswet, waar (vooraf) overleg tussen de partijen moet helpen om projecten sneller en beter voor elkaar te krijgen. Revier: “Samenwerken is óók in ieders eigen belang. Ik merk dat er meer gebiedsagenda’s komen waaraan overheden zich committeren om daar gezamenlijk aan te werken, bijvoorbeeld in regiodeals. Daar ervaar ik dat niet één overheidslaag in de lead is, maar dat problemen gezamenlijk worden opgepakt.” Koning: “Daarbij is het belangrijk om in de taakopvatting en de rolneming diversiteit van toegevoegde waarde te laten zijn. Het gaat er niet alleen om welke belangen je verenigt, maar ook om welke rol je neemt, en welke rol tot het beste resultaat leidt.” Hoe krijg je resultaten verder dan papieren afspraken? Revier: “Het afspraak-isafspraakmodel werkt goed. Nu zie ik dat minister De Jonge doen bij projecten die zijn vastgelopen. Als je er niet uitkomt, moet je eerst afspreken dát je eruit gaat komen en dat daarna ook doen, vanuit het algemeen belang. Dan wordt de aanpak vanzelf integraal en merk je dat er resultaten geboekt worden.” Is dat in Zuid-Holland het geval? Koning: “Ja. Vliegbasis Valkenburg wordt nu woonwijk Valkenhorst; er komt een vijfde dorp in de Zuidplaspolder – daar is voorheen vijftien jaar over gepraat. Ook in De Binckhorst worden stappen gezet.” Is er een verklaring waarom dit nu lukt? Koning: “Je moet bereid zijn om je te verdiepen in de inhoud. En je dus ook sámen verdiepen in die inhoud, om tot een oplossing te komen. Dat is het eigenlijk.” Dit artikel is geschreven voor Rijnboutt Magazine #14 Stad en welzijn (november 2022). Liever een fysiek exemplaar in handen? Stuur dan een mail naar press@rijnboutt.nl.  Tekst: Vincent Kompier Deelnemer gesprek: Richard Koek Fotografie: Paul Voorham

Amsterdam is een landmark rijker

13 december 2022

Amsterdam is een landmark rijker. Op maandag 12 december voltrok zich in het als tuinstad gebouwde Buitenveldert de opening van een architectonisch gedurfd maar stedelijk zorgvuldig ingebed appartementencomplex: Q Residences. Dit complex, dat een oppervlak bestrijkt van 27.600 m2 en dat 248 huurappartementen telt, bestaat uit een plaza en twee woongebouwen: het middelhoge Qube en het hoge, zwierige Quartz. Van de 248 woningen zijn er 99 gebouwd voor het middensegment.   Voor dit project op de hoek van de Buitenveldertselaan en de Van Nijenrodeweg nam ontwikkelaar Kroonenberg Groep de Amerikaanse sterarchitect Jeanne Gang in de arm. Lesley Bamberger, CEO van Kroonenberg Groep: “Quartz heeft zo’n iconische uitstraling, daar kan je niet voorbij zonder om te kijken. Ik doe dat ook steeds met een glimlach en een trots gevoel. We hebben met elkaar een uniek stukje Amsterdam toegevoegd, wat impact geeft aan de hele omgeving.“ Het Amsterdamse bureau Rijnboutt verzorgde de stedenbouwkundige inbedding en trad op als co-architect. Frederik Vermeesch, bureau Rijnboutt: “Q Residences is een mooi voorbeeld van hoogwaardige verdichting in Buitenveldert binnen de principes van het AUP. Hoogwaardig in stedenbouwkundige opzet, in zijn architectonische vormgeving en in zijn materialen en details.” NEOO was verantwoordelijk voor het ontwikkelingsmanagement van masterplan tot en met realisatie. Aannemer J.P. van Eesteren realiseerde de bouw. Onthulling sculptuur Studio Job Op de fraaie, door Piet Oudolf ontworpen en beplante plaza onthulde Reinier van Dantzig, wethouder Woningbouw en Stedelijke Ontwikkeling, samen met Jeanne Gang en Lesley Bamberger de creatie van Studio Job: een manshoge sculptuur waarin het Q logo tot uiting komt. Van Dantzig viel als locoburgemeester in voor burgemeester Femke Halsema, die op het laatste moment verhinderd was. Halsema betreurt de opening niet te kunnen verrichten en ze benadrukt de betekenis van Q Residences voor de stad: “Amsterdam is trots op deze nieuwe parel in de stad. We bedanken alle betrokkenen om de stad telkens weer een duw in de rug te geven.“ Voorafgaand aan deze feestelijke onthulling vond binnen, in de lobby van Quartz, een toelichtende presentatie plaats onder leiding van Humberto Tan. Architect Jeanne Gang: “Het ontwerp van Q Residences zorgt voor verbinding tussen de bewoners onderling en met het groen dat Buitenveldert definieert. Op de begane grond vormen Qube en Quartz een nieuwe, ruime openbare plek die mensen samenbrengt rondom kunst en landschap. Bij Quartz is het oppervlak van de façade groter en doordat de balkons in elkaar verspringen hebben buren zichtbaar contact met elkaar. Bewoners moeten zich goed voelen, in hun huis en hun omgeving.“ Onder de aanwezigen bevonden zich ook Piet Boon, Frederik Molenschot, Petra Blaisse en Job Smeets, de kunstenaars die een belangrijk aandeel hadden in de verfraaiing van dit iconische complex. Job Smeets, Studio Job: “De in brons gegoten sculptuur van een vrouwenhand die de verlichte letter Q vasthoudt, is vijf meter hoog. Het kunstwerk, genaamd ‘Hers’, representeert de creativiteit van de vrouwelijke architect. Het is een statement naar de voorbijgangers over vrouwen die niet alleen verbonden zijn met dit gebouw, maar ook met belangrijke posities in de moderne wereld.“ Duurzaamheid Duurzaamheid diende een tweeledig doel bij de bouw van Q Residences. Op de eerste plaats moest het project natuurlijk voldoen aan het ambitieuze Amsterdamse duurzaamheidsprogramma. Een tweede doel was: voortbouwen op het concept tuinstad dat Cornelis van Eesteren met zijn Algemeen Uitbreidingsplan voor Buitenveldert in 1935 voor ogen stond. Zo staan de gebouwen gegroepeerd rond een groene en publiek toegankelijke plaza. Op de daken liggen zonnepanelen die de laadpalen voor elektrische auto’s van stroom voorzien. Beide woontorens zijn zorgvuldig geïsoleerd en beide beschikken zij over geïntegreerde verwarmings- en koelsystemen. Foto’s opening: Set Vexy Productions Overige foto’s: Kees Hummel

Maak gezondheid weer speerpunt bij stadsontwerp

07 december 2022

Vitruvius wees er al op: gezondheid, stadsontwerp en architectuur zijn nauw met elkaar verweven. En gezondheid is daarvan het belangrijkst. Om complexe welvaartziektes te lijf te gaan is een gezondere levensstijl nodig en stedelijk ontwerp kan hieraan een positieve bijdrage leveren. Wat zijn de belangrijkste inzichten?   Een verhaal over gezonde stedenbouw, over de gezonde stad of gezonde wijken voelt wat onnatuurlijk aan. Want gaat stedenbouw niet altijd over gezondheid, of zou het daar niet altijd over moeten gaan? Als voorzitter van de selectiecommissie van het Blauwe Kamer Jaarboek, merkte de Tilburgse hoogleraar Joks Janssen enige jaren geleden terloops op “niet zoveel op te hebben met al die plannen die pronken met labels als gezond ontwerp, gezonde stad of healthy urban living”. Het gedweep met gezondheid kwam op hem dubbel over, overbodig zelfs, omdat stedenbouw in essentie draait om het ontwerp van gezonde en leefbare wijken en steden. Janssen heeft natuurlijk gelijk. Het vak stedenbouw ontleent zijn bestaansrecht voor een deel aan de plannen en ontwerpingrepen waarmee in de negentiende eeuw een einde moest worden gemaakt aan de erbarmelijke omstandigheden waaronder stadsbewoners toen leefden. Mensen die, veelal op zoek naar werk, naar de steden togen, kwamen terecht in sloppenwijken zonder stromend water en riolering, omringd door bergen afval, en waar ziektes als tyfus, cholera en tuberculose welig tierden. Planologen en ingenieurs van het eerste uur maakten in die jaren stedenbouwkundige vernieuwingsplannen om de leefomstandigheden en hygiëne drastisch te verbeteren. Fameus is het Rotterdamse Coolpolderplan, met daarin onder meer het slaan van drinkwaterputten, het dempen van de stinkende grachten en een verbod op openbare slachtplaatsen. Cruciaal in het streven naar heilzame steden was de Woningwet van 1901, waarmee het recht op een gezonde woning in ons bestel werd verankerd. Wie verder terugkijkt ziet dat gezondheid, stadsontwerp en architectuur sinds mensenheugenis nauw met elkaar verweven zijn. In zijn standaardwerk De architectura schreef de Romeinse architect Vitruvius in de eerste eeuw voor Christus al dat gezondheid het hoofddoel van architecten moet zijn. Die opvatting bleek wel in de afgelopen 150 jaar, waarin niet alleen uiteenlopende gezondheidskwesties, maar ook verschillende zienswijzen op hoe daarmee moest worden omgegaan, hun stempel drukten op de architectuur en stedenbouw van de moderne tijd. In het interbellum kwamen de tuinsteden op, en lanceerden de voorvechters van het Nieuwe Bouwen de welbekende speerpunten ‘licht, lucht en ruimte’. De Zwitsers-Franse architect Le Corbusier leek geobsedeerd door het gezondheidsthema. In zijn in 1925 gepubliceerde boek Urbanisme spreekt hij van een “operatie” om de stad te genezen van de “kanker veroorzaakt door ontaarde straatontwerpen en verrotte oude huizen vol tuberculose”. In de film L’architecture d’aujourd’hui houdt Le Corbusier een vurig pleidooi voor sport, beweging en zonnebaden – manieren om vermoeidheid en stress onder stadsbewoners tegen te gaan. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw vervulde de gezondheid van de mens dan ook een sleutelrol in de verschillende verschijningsvormen die nieuwe steden en wijken kregen toebedeeld. Enerzijds door blootstelling aan luchtvervuiling, schadelijke stoffen en geluidhinder zoveel mogelijk te beperken – denk aan de ‘functionele stad’ waarin woonwijken, werkgebieden en industriezones van elkaar gescheiden werden –, anderzijds door wijken als dorpen te benaderen om het buurtgevoel en de gemeenschapszin te bevorderen (in overeenstemming met de ontwerpfilosofie van de wijkgedachte). Daarna begint het accent te verschuiven. De nadruk komt – zeker na het rapport van de Club van Rome, over de grenzen die we zouden moeten stellen aan onze economische groei – te liggen op duurzaamheid en ecologie. Nu valt te verdedigen dat dit in zekere zin ook over gezondheid gaat, maar in de praktijk was er sprake van een subtiel verschil: het draaide niet langer om de gezondheid van mensen, maar om de gezondheid van de gehele planeet. Het verklaart voor een deel waarom binnen de stedenbouw gezondheid als expliciet aandachtsveld naar de achtergrond verdween. Daartegenover stond de opkomst van duurzaam bouwen en de realisatie van ecologische wijken, zoals Eva Lanxmeer in Culemborg. Stedenbouw en de publieke zaak Maar er zijn meer verklaringen, voor zowel de tanende aandacht voor het onderwerp als de recente opleving. Allereerst de vraag waarom een maatschappelijk vraagstuk als gezondheid vanaf de jaren tachtig langzaamaan uit het stedenbouwkundige blikveld verdwijnt. Simpel gezegd: omdat het vakgebied de afgelopen dertig jaar is afgedreven van zijn publieke taak. Onder een neoliberale wind is de voedingsbodem waarop de stedenbouw decennialang kon floreren grotendeels verdwenen. In het politieke discours is het sociaaldemocratische fundament onder de ruimtelijke ordening gemarginaliseerd, en op institutioneel niveau zijn publieke diensten vervangen door markt en individu. Tegen deze politieke, economische en culturele achtergronden, gekenmerkt door een hardnekkig gebrek aan coherente visies op de samenleving, zijn juist stedelijke verdichtingsprojecten – en het ontwerp en de vernieuwing van wijken in het algemeen – kwetsbaar gebleken. De borging van publieke doelen, zoals betaalbare woningen, een goede openbare ruimte, klimaatambities en toegang tot openbaar vervoer, staan onder druk, niet in de laatste plaats omdat ze het afleggen tegen private en commerciële aspiraties als winstmaximalisatie en particulier woongenot. Sociale doelen als gemeenschapszin, kansengelijkheid en gezondheid delven dan al snel het onderspit. En toch is er sinds enige tijd sprake van een opleving in de aandacht voor gezondheid – het begrip is zelfs een populaire beleidsterm. Dit heeft alles te maken met de enorme impact die de gezondheidszorg heeft op onze samenleving. Ging het anderhalve eeuw geleden om het verbeteren van de hygiëne en het voorkomen van tuberculose, tegenwoordig vragen complexe welvaartsziektes om een andere aanpak. Denk aan de zorgwekkende toename van obesitas (de NOS repte eerder dit jaar zelfs van een “beweegcrisis”), de hausse aan mentale aandoeningen als burn-out, eenzaamheid en depressie, en de groeiende ongelijkheid, waardoor meer en meer mensen aan de zijlijn staan en niet in staat zijn ‘om mee te doen’. Tel daarbij op de talloze zorgvragen die de vergrijzing met zich meebrengt, inclusief volksziekte nummer één: alzheimer. De coronapandemie deed een laatste duit in het zakje en bracht het denken over gezondheid in een stroomversnelling. Het heeft ertoe geleid dat – in de slipstream van een collectief verlangen naar brede welvaart – het belang van een gezonde leefomgeving steeds hoger op de agenda is komen te staan. En dat niet alleen. Ook de veronderstelling dat ruimtelijke ordening, stedenbouw en architectuur daar een fundamentele bijdrage aan kunnen leveren, vat post onder steeds meer politici, beleidsmakers en experts. Er is evenwel sprake van een trendbreuk.  Waar het voorheen ging om het voorkomen van ziektes en kwalen – de bescherming tegen schadelijke stoffen en effecten is via planologisch beleid en wet- en regelgeving overigens altijd blijven bestaan – draait stadsontwerp tegenwoordig om het beïnvloeden van ons gedrag. Zeg maar het bevorderen van andere levensstijlen, iets waar de GGD en het RIVM begin deze eeuw al om riepen. Stedenbouwkundige ontwerpen moeten ervoor zorgen dat bewoners (langer) gezond blijven omdat ze tot goed gedrag leiden, zoals gezonder eten, meer bewegen, elkaar ontmoeten. Maar ook: toegang hebben tot (zorg)voorzieningen, kansen hebben op werk en onderwijs, zingeving vinden in het leven. Kortom, omdat goede stedenbouw gemeenschapszin, geluk en algeheel welbevinden in de hand werkt. Van regio tot buurt De vraag rijst hoe we dat dan doen – hoe we met stads- en wijkontwerpen gezond gedrag en gezonde levensstijlen stimuleren. Of fundamenteler geformuleerd: hoe zorgt stedenbouwkundig ontwerp dat gezond leven voor iedereen mogelijk is? De antwoorden hangen samen met de verschillende schaalniveaus waarop stedenbouwkundigen en planologen opereren. Voor we inzoomen op het niveau van de buurt (de schaal waarop veel verdichtingsprojecten spelen) en de sleutelrol die de inrichting van de openbare ruimte speelt, mogen we niet voorbijgaan aan het schaalniveau van de stad en de regio. Sterker nog, als op die niveaus de condities onvoldoende zijn, zal van een gezonde stad nooit sprake zijn. Dat beweert althans Wouter Vanstiphout in zijn essay Therapie voor de ongezonde stad. De architectuurhistoricus stelt vast dat de aanleg van meer groen, meer fietspaden en meer ontmoetingsplekken pas zin heeft als op regionaal en stedelijk niveau enkele wezenlijke weeffouten zijn weggenomen. Zoals de overlast die de vele rijkswegen veroorzaken, vaak in de naastgelegen armere wijken waar het aantal gezondheidsklachten dan ook relatief hoog is. Deze wegen vormen bovendien barrières die de bewoners van zulke wijken ‘op afstand zetten’. Ontwerp kan daarin verandering brengen, zo blijkt in Maastricht, waar de A2 ondergronds is gebracht en op het tunneldak een park en woningbouw verrijzen. De ‘goede’ en ‘slechte’ wijken die ooit gescheiden waren, zijn weer met elkaar verbonden, de toegang tot stedelijke voorzieningen ligt voor iedereen weer binnen handbereik. Een andere weeffout bepaalt momenteel het nieuws: het tekort aan goede en betaalbare woningen. In plaats van de sociale woningvoorraad kleiner te maken, zoals in veel steden gebeurt, is het beter om deze juist aan te vullen. Betaalbare huur- en koopwoningen kunnen vergrijzende wijken tot leven brengen, leeglopende kantoorwijken van nieuw elan voorzien en volkswijken op peil houden. Tot slot onderwijs en werk, in de woorden van Vanstiphout cruciaal voor het welbevinden van stadsbewoners. Hij roept stedenbouwkundigen en planologen op te investeren in een nieuwe generatie scholen en campussen en in nieuwe werklocaties, bijvoorbeeld door het terugbrengen van de maakindustrie. In feite gaan de onderwerpen die Vanstiphout aansnijdt over de kwaliteit van het stadsleven. In het Duitse tijdschrift Topos beschreef redacteur Anja Koller in 2021 hoe de toegang tot alles wat steden te bieden hebben – huisvesting, werk, onderwijs en cultuur, maar ook gemeenschapszin, innovatie en ideeënuitwisseling – onder grote druk is komen te staan. Verwijzend naar de door de Franse socioloog Henri Lefebvre gemunte theorie van ‘right to the city’ – over het existentiële recht van eenieder om gebruik te kunnen maken van de voordelen, kansen en geneugten die steden met hun parken, pleinen, infrastructuren en gebouwen te bieden hebben – schrijft ze: “Politieke onrust en migratie, het tekort aan woningen, de toenemende commercialisering en privatisering van stedelijke ruimten, en het uiteendrijven van niet alleen rijk en arm, maar ook van etnische en culturele groepen, onthullen stuk voor stuk de onrechtvaardige en ongelijke verdeling van stedelijke middelen, en de kansen om deel te nemen.” Ook stedenbouwkundige Ad de Bont, die zich al jaren bezighoudt met gezond ontwerp, stelt desgevraagd vast dat het succes van een gezonde wijk valt of staat met hoe zaken op stadsniveau geregeld zijn – al vliegt hij dit vanuit een meer praktische invalshoek aan. Hij doelt vooral op hoe we onze mobiliteitsbehoefte (oftewel: de rol die we de auto toebedelen) afstemmen op de gewenste verstedelijking. De Bont pleit voor het creëren van nabijheid, door bijvoorbeeld rond openbaar vervoersknooppunten woningbouw te combineren met andere functies, zodat afstanden te voet, met de fiets of per openbaar vervoer overbrugbaar zijn – zeg maar het principe van de inmiddels populaire ‘10- of 15-minutenstad’. Een substantiële afname van het aantal auto’s, zowel rijdend als stilstaand, maakt de weg vrij om op wijk-, buurt- en straatniveau gezonde omgevingen te creëren. Teruggrijpen op het landschap Over het eigenlijke ontwerp van wijken, buurten en straten en hoe zij gezond gedrag in de hand werken, bestaan al best wat ideeën. Arcadis bijvoorbeeld bracht in 2020 een speciale index uit die onder meer gaat over de kwaliteit van gebouwen (ruim, schoon), de aanwezigheid van zorgvoorzieningen, de inrichting van de buitenruimte (ontmoeting, veiligheid) en de staat van het milieu (luchtkwaliteit, geluid, hittestress). Er zijn ook nieuwe concepten, zoals de zogenoemde ‘superblokken’, met een gemengd programma en uiteenlopende woningtypen, waar het snelverkeer omheen wordt geleid en waarbinnen collectieve binnenhoven en voedseltuinen liggen, ontsloten door fijnmazige wandel- en fietsroutes. Of het plan voor de Cartesiusdriehoek in Utrecht, waar het gedachtegoed van de zogenoemde ‘blauwe zones’ (plekken op de wereld waar mensen aantoonbaar langer leven) is vertaald naar stedenbouwkundige principes. Dan gaat het om de programmering van met name de plinten – levendigheid, de interactie tussen binnen en buiten, de introductie van stadslandbouw, de omgang met mobiliteit en de inrichting van de openbare ruimte. In het boek Buitenkansen voor een uitnodigende buitenruimte wordt een radicaal andere omgang met onze straten en pleinen bepleit. Door heilige huisjes als parkeren omver te werpen en met een andere bril naar de klassieke straat te kijken – “maak er een tuinpad van” – wordt de openbare ruimte pas echt een plek voor sport en spel, ontmoeting en activiteiten, en het verbouwen van gezond voedsel. Hoewel dit stuk voor stuk bruikbare toevoegingen zijn aan het stedenbouwkundig ontwerprepertoire, rijst de vraag of het genoeg is. Voor een waarachtig gezond stadsdeel waar, en laten we de lat hoog leggen, het welbevinden en het geluk van bewoners vooropstaat, moet het stedenbouwkundig ontwerp wellicht op een ietwat andere leest gestoeld zijn. Want laten we wel wezen, het streven naar duurzame en gezonde steden wordt nog te vaak aangevlogen vanuit de bebouwde omgeving, met oplossingen die tegen het ecomodernisme aanschuren – het geloof dat we met technologische oplossingen veelal ecologische problemen kunnen wegnemen. Terwijl we beter kunnen teruggrijpen op het landschap zelf, of in ieder geval gebruikmaken van de wijze waarop landschapsarchitecten doorgaans naar stedelijke gebieden kijken. Zij vervullen, aldus de Duitse professor en criticus Lisa Diedrich, een sleutelrol in de vormgeving van een verstedelijkende planeet, omdat hun ideeën en benaderingen stedelijke vernieuwing van een ongekende kwaliteit kunnen voorzien. Dat zit ’m vooral in het (her)introduceren van natuurlijke en landschappelijke systemen waarmee de naderende milieu- en klimaatramp echt kan worden afgewend. Juist aaneengesloten stukken volle grond, grondwaterstromen en uitgestrekte waterpartijen, en een rijk planten- en dierenleven zijn nodig om hevige regenval en langdurige hitte het hoofd te bieden, en gehoor te geven aan de luide roep om stadslandbouw en duurzame vormen van energiewinning. Deze ‘re-naturalisatie’ zou een vanzelfsprekende strategie moeten zijn in het gezond maken en houden van nieuwe stadswijken. Zoals in Hamburg, waar voor het splinternieuwe stadsdeel Oberbillwerder de natuurlijke dynamiek van het landschap – ooit een uitgestrekt moerasland in een wirwar van rivieren – is gebruikt als onderlegger voor het stedenbouwkundig plan. Het bestaat uit waterrijke buurten in de lagere delen en beboste buurten op de hogere gronden. Een meander die zich door de wijk slingert, biedt ruimte aan waterretentie, verkoeling, flora en fauna, sport- en speelplekken en recreatie. De mogelijkheden voor sociale interactie en gemeenschapsvorming zijn talloos: in deze landschappelijke ruimte liggen plaza’s en boulevards, maar ook buurtpleintjes, pocket parks en beschutte plekjes. Dit plan laat zien dat een landschappelijke (of landschapsarchitectonische) vorm van stedenbouw ook bijdraagt aan de opbouw van een levendig, inclusief, sociaal en veilig stadsleven. Waarom? Omdat in de woorden van de Deense landschapsarchitect Rasmus Astrup natuur en landschap niet kijken naar seksuele geaardheid, opleidingsniveau of religie, en daarom uitermate geschikt zijn om groepen te verbinden en de publieke ruimte te democratiseren. Andere rekenmethodes Nu we weten wat nodig is om een gezonde nieuwe stad te ontwerpen, rest de vraag hoe we die gebouwd krijgen. Want het tij mag dan aan het keren zijn, vastgoed- en projectontwikkeling volgen nogal altijd het traditionele spel van kosten en baten. Daarin ligt dan ook de grootste uitdaging – om in stedelijke ontwikkeling tot andersoortige businesscases te komen die niet gestoeld zijn op de snelle revenuen uit gebouwen (floor space index, huurinkomsten, verkoop, speculatie), maar op de baten die de openbare ruimte, collectieve voorzieningen of nieuwe mobiliteitssystemen op de lange termijn opleveren. Omdat de eenzaamheid onder ouderen afneemt, omdat bewoners gezonder eten, omdat ziektes worden voorkomen, omdat het algehele geluksgevoel toeneemt. Omdat het succes van vastgoedontwikkeling niet langer draait om hoeveel geld het in het laatje brengt, maar of het gezond stedelijk leven in de hand werkt. Dat vergt andere rekenmethodes – waarin een groen park niet als kostenpost wordt gezien, maar als een manier om gezond leven te bevorderen – en de betrokkenheid van andere partijen. Veel beleggers zijn pensioen- of private equity fondsen en voor hen zullen rendementen altijd belangrijke drijfveren blijven. Maar voor zorgverzekeraars kunnen investeringen in gezonde stadswijken uitermate interessant zijn. Zo had Menzis korte tijd een fonds voor stedelijke vernieuwing (dat overigens niet echt van de grond kwam), en afficheert ONVZ zich graag met het blauwe zonesverhaal. Dat geldt ook voor bedrijven die zich bezighouden met duurzame mobiliteit, gezond voedsel of sport. De hamvraag ligt evenwel bij de samenleving: blijven we inzetten op genezen achteraf, of kiezen we voor voorkomen? Het eerste lijkt steeds meer onhoudbaar te worden, zo bleek onlangs uit een onheilspellend filmpje van het Zorginstituut over ons zorgsysteem in 2040 – dat dan gebukt gaat onder overvolle wachtkamers, een tekort aan zorgverleners en materiaal, rondzwervende mensen met psychische problemen en kwetsbaren die aan hun lot worden overgelaten. Toch is een omslag naar preventie, en hoe we dat met stedenbouw en ruimtelijke ordening voor elkaar krijgen, niet zomaar gemaakt. Dat blijkt ook uit de nog altijd sectorale handelswijze en de constatering dat sociale domeinen niet of nauwelijks bij stadsontwikkeling zijn aangehaakt. Laat staan dat vanuit zorgpotjes in wijk- en stadsontwikkeling geïnvesteerd wordt. Dit kan doorbroken worden als gemeenten de touwtjes weer in handen nemen – en stedenbouw weer als een publieke taak wordt opgevat. In Utrecht, dat de slogan ‘healthy urban living’ hanteert, probeert het stadsbestuur hier invulling aan te geven met de invoering van de zogenoemde barcode. Het is een instrument om bij elke gebiedsontwikkeling (en daar hoort ook de herstructurering van bestaande wijken bij) na te gaan of alle (publieke) onderdelen die voor gezond leven nodig zijn, ook bediend worden. Dat kan gaan om een klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte en de realisatie van maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen en buurthuizen, maar ook om parkonderhoud, de zorg voor ontmoetingsplekken en de aanleg van veilige fiets- en wandelpaden. De barcode is bedoeld om de gemeenteraad, beleggers en ontwikkelaars vooraf duidelijk te maken wat in een gebied de bedoeling is. Bovendien gaat het gepaard met investeringsstrategieën waarin nieuwe wegen niet geschuwd worden. Gebouweigenaren, werkgevers en zorgpartijen zijn in beeld als potentiële investeerders, constructies waarin ontwikkelaars meebetalen aan ‘bovenwijkse’ voorzieningen liggen op tafel. Nieuwe potjes om de openbare ruimte anders in te richten – parkeergelden, budgetten uit het sociale domein – zijn in het vizier. Dit essay kwam mede tot stand op basis van gesprekken met Ad de Bont (partner bij Urhahn), Ben van de Ven (conceptontwikkelaar bij Urban Sync) en Bart van der Vossen (directeur Ruimte bij de gemeente Utrecht). Dit essay is geschreven voor Rijnboutt Magazine #14 Stad en welzijn (november 2022). Liever een fysiek exemplaar in handen? Stuur dan een mail naar press@rijnboutt.nl.  Tekst: Mark Hendriks Foto: onderdeel van serie Buurtbanden (nr. 15 van 27) in Bos & Lommer, Amsterdam door Rufus de Vries

Bouw 452 duurzame woningen CityPromenade Nieuwegein van start

21 november 2022

Maandag 21 november klonk het officiële startschot voor de bouw van CityPromenade, een combinatie van 452 duurzame huur- en koopwoningen en horecageledenheden ontworpen in opdracht van NEOO en Koopmans Bouwgroep. De heiwerkzaamheden van de in totaal 770 palen zijn enkele weken geleden gestart en zullen rond Kerst worden afgerond. De oplevering staat gepland in 2025.   Het startschot werd gegeven door wethouder Marieke Schouten. Zij vertelt over het plan: “We zijn blij dat het oostelijk deel van City Nieuwegein nu een afronding krijgt met een mooi plan, met aandacht voor groen en duurzaamheid. Het gevarieerde woningaanbod is meer dan welkom, want er is een groot tekort aan woningen. CityPromenade is een verrijking voor Nieuwegein en biedt kansen om het Stadsplein aantrekkelijker te maken en aan de kant van het voormalige NVM kantoor een mooie entree naar City te realiseren.” CityPromenade is gesitueerd aan de oostzijde van het centrum van Nieuwegein, aan de Doorslag. Een aantrekkelijke locatie om te wonen met de kade van het Doorslagkanaal voor de deur, vlakbij het park Oudegein en met alle stedelijke voorzieningen om de hoek. De hoge dichtheid van het project versterkt de stedelijke kwaliteiten van het stadshart, zowel programmatisch als ruimtelijk. De opzet van de woongebouwen biedt een grote diversiteit aan woningtypes variërend in grootte van 45 tot ruim 200 vierkante meter. Een gemengde plint met horeca, entrees en woningen zorgt voor de aansluiting op de openbare ruimte. Dankzij de mix van sociale huur-, vrije sector huur- en koopappartementen levert CityPromenade een belangrijke bijdrage aan de woningvraag in de regio Utrecht. 346 woningen zijn aangekocht door Syntrus Achmea en de 69 sociale huurwoningen zijn aangekocht door woningcorporatie Portaal. Prijswinnend initiatief in duurzame gebiedsontwikkeling City Nieuwegein was de winnaar van de SKG Award publieksprijs 2022, dé Nederlandse prijs voor een bijzonder initiatief in duurzame gebiedsontwikkeling. Die prijs werd in maart jl. uitgereikt tijdens het jaarcongres van de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling. Foto’s: Koopmans Bouwgroep

Transformatie Herestraat Groningen uitgelicht in podcast Redevco

20 oktober 2022

Aan het begin van de Herestraat in Groningen, waar nu het C&A warenhuis staat, komt een verfijnd ensemble met een gemengd programma van winkels, in hout uitgevoerde woningen en gemeenschappelijke functies. Onze collega en architect Eke Wondaal gaat in Redevco’s podcast in gesprek met Robert Bakker, ontwikkelmanager bij Redevco, over deze bijzondere stedelijke herontwikkeling.  In de derde aflevering van podcast RedevCast bespreekt moderator Judi Seebus met haar gasten de visie achter dit transformatieproject. Aan het verouderde, maar centraal gelegen winkelpand worden 45 woningen toegevoegd en vormt de hoek straks opnieuw een uitnodigende entree naar de Herestraat. Een boeiend gesprek over de hoge ambities voor duurzaamheid, de samenwerking tussen Redevco en Rijnboutt en open staan voor ontwerpoplossingen. Is je interesse gewekt? Bekijk en beluister hieronder het volledige gesprek:   Bron: redevco.com  

Van warenhuis tot stadscampus

19 oktober 2022

Al bij het ontwerp van de twee nieuwbouwpanden aan het Rokin en de restauratie van het monumentale pand De Vleeshal aan de Nes voor het warenhuis Hudson’s Bay, heeft Rijnboutt er rekening mee gehouden dat de drie gebouwen geschikt moeten zijn voor diverse functies: niet alleen als warenhuis, maar ook als hotel of kantoor. “Door de plattegrond generiek en flexibel te ontwerpen konden we nu met relatief minimale ingrepen het warenhuis transformeren naar een stadscampus voor de ruim duizend medewerkers van fintechbedrijf Adyen”, zegt architect partner Frederik Vermeesch.   Als multidisciplinair ontwerpbureau heeft Rijnboutt veel ervaring met transformaties van allerlei gebouwen en gebieden in Nederland. “Deze ontwerpen we altijd zo dat ze de functieverandering in de stad kunnen opvangen. Een slim ontworpen gebouw met een flexibel casco kan vele decennia langer mee. Ook dat is een essentieel aspect met betrekking tot duurzaamheid en een plicht die architecten hebben aan de samenleving, aan de toekomstige generaties”, meent Vermeesch. Met hetzelfde uitgangspunt hebben we de twee warenhuisgebouwen aan het Rokin zo ontworpen dat ze ook andere functies zouden kunnen herbergen dan een warenhuis, zoals een hotel, kantoor of zelfs woningen. Adyen, dat hard groeit, wilde graag op een plek in de binnenstad zitten waar het zichtbaar is als van origine Amsterdams bedrijf. Het succesvolle fintechbedrijf vroeg Rijnboutt als oorspronkelijke architect en TANK als interieurarchitect om de voormalige warenhuizen geschikt te maken voor hun medewerkers. Hoewel de gebouwen in eerste instantie bedoeld waren als warenhuizen, heeft Rijnboutt na vertrek van de Canadese warenhuisketen Hudson’s Bay zonder grote ingrepen het gebouw kunnen transformeren naar een bijzondere en aantrekkelijke ‘stadscampus’ voor Adyen. “De ontwerpkeuzes die we destijds bij de bouw van de warenhuizen gemaakt hebben, werpen nu hun vruchten af: het bleek de perfecte basis voor TANK om een bijzonder kantoorinterieur te ontwerpen”, zegt Vermeesch lachend. Expressief gebouw met generiek casco Al bij het oorspronkelijke ontwerp van zo’n tien jaar geleden, was ingezet op een zo generiek mogelijk casco, een flexibele structuur. We kozen voor grote overspanningen; binnen zijn zo weinig mogelijk kolommen waardoor vrije vloervelden ontstaan en de ruimte flexibel in te delen is. Ook is de uitgekiende verticale ontsluiting gericht op multi-tenantgebruik en is gekozen voor een overmaat in de verdiepingshoogtes, zodat de installaties eenvoudig konden worden ingepast bij een functiewisseling. Daarnaast hebben we gevels ontworpen met veel raamopeningen en verschillende entreemogelijkheden op het maaiveld. “Op zich zijn het eenvoudige ontwerpuitgangspunten, maar in vele gevallen wordt hier toch vaak op ingeboet”, is de ervaring van Vermeesch. Sociale cohesie De twee nieuwe in omvang nagenoeg gelijke warenhuisgebouwen kregen een zichtbare verbinding tussen Nes en Rokin door middel van een steeg. Vanwege de transparantie kun je door de gebouwen heen kijken en worden beide werelden verbonden. Rijnboutt heeft in overleg met Adyen bij de invulling en inrichting van TANK, het belang van deze relatie met de omgeving benadrukt. “De transparantie, het publieke karakter op de begane grond, de interactie met de omgeving en de sociale veiligheid zijn belangrijk”, meent Vermeesch. Dat is goed gelukt en door deze transformatie zelfs verbeterd. Niet alleen heeft Adyen de kantoorruimte die het nodig heeft voor een groeiend team, de medewerkers van dit internationaal opererende bedrijf, haar bezoekers en het winkelende publiek, zorgen samen ook voor veel reuring op de Nes en het Rokin. Tekst: Viveka van de Vliet Beeld: Kees Hummel

Hoe Rijnboutt bijdraagt aan het versneld bouwen van circulaire woningen

21 september 2022

De nood aan betaalbare huurwoningen in Enschede is hoog, de gemeente heeft een grote behoefte aan woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens. Om dat tekort aan te pakken, is de gemeente Enschede samen met woningcorporaties De Woonplaats en SJHT (Stichting Jongeren Huisvesting Twente) van plan om versneld woningen verhuurklaar op te leveren. Waar in Enschede kunnen die woningen dan het beste worden toegevoegd? Voor het antwoord op die vraag werd Rijnboutt geselecteerd. De afgelopen maanden deden we stedenbouwkundige studies naar modulaire en circulaire woningbouw op verschillende locaties in Enschede met elk hun eigen karakter. Er zijn veel kwalitatieve modulaire units en bouwsystemen op de markt, die voldoen aan de hoge duurzaamheidseisen die de corporaties stellen. Het aanbod in verschillende types is heel divers en vaak flexibel en ook in het ruimtelijke en architectonische beeld is veel mogelijk. Door slim combineren en positioneren kan extra kwaliteit worden toegevoegd aan de woning én aan de buurt. Voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Na een intensieve schetssessie waarin randvoorwaarden en programmatische ambities werden gedeeld, hebben we – in samenspraak met de gemeentelijke ontwerpers – voor enkele locaties meerdere concept verkavelingen uitgewerkt met de modulaire woningen als bouwstenen. In deze studie is de potentie van de plekken duidelijk geworden. De kwaliteiten van de locatie en de keuze voor het type modulaire woningen worden ingezet om een fijne woonbuurt te ontwerpen die past in de al bestaande omgeving. Ondertussen hebben de corporaties en de gemeente voor vier locaties, Het Stroink, de Ekersdijk, de Paulus Moreelsestraat en de Fazantstraat, afspraken gemaakt en zijn de eerste bewonersavonden geweest. De komende tijd werken we de verkavelingen van deze vier locaties verder uit zodat de richtlijnen voor alle partijen helder zijn. Waar komen voordeuren en buitenruimtes? Wat is de kapvorm, ontsluitingstypologie en beeldkwaliteit? Het tempo zit erin. Oplevering wordt verwacht in de loop van 2023.

Rijnboutt ontwerpt transformatie C&A warenhuis Groningen tot verfijnd multifunctioneel ensemble

14 september 2022

Aan het begin van de Herestraat in Groningen, waar nu het C&A warenhuis staat, komt een verfijnd ensemble met een gemengd programma van winkels, woningen met daktuinen en gemeenschappelijke voorzieningen. Deze hoek, waar de Herepoort ooit nog het begin van de stad markeerde, vormt straks opnieuw een uitnodigende entree naar de Herestraat.   In opdracht van Redevco is een ontwerp gemaakt voor de modernisering van het verouderde winkelpand en de toevoeging van 45, in hout uitgevoerde, woningen op de tweede tot en met de vijfde verdieping. Na de herontwikkeling zal het pand, met een totale oppervlakte van ongeveer 6.500 m², voor 53% uit winkelruimte bestaan en 45% uit woonruimte. Het resterend deel (2%) wordt gebruikt voor gemeenschappelijke functies. Robert Bakker, Development Manager bij Redevco vertelt over het project: “Deze herontwikkeling past goed in onze strategie om de portefeuille te diversifiëren door middel van het transformeren van overtollige winkelruimten en andere voorzieningen op verdiepingen. Het is ook een goed voorbeeld van hoe wij denken winkelstraten in steden leefbaarder en duurzamer te kunnen maken. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid wordt het gebouw zoveel als mogelijk hergebruikt. Bij de nieuw toe te voegen elementen en functies worden uitsluitend duurzame materialen als ook groene daken toegepast. Ook wordt het pand volledig van het gas gehaald en wordt gebruik gemaakt van alternatieve energiebronnen, waaronder zonnepanelen.” Frederik Vermeesch, creatief directeur van Rijnboutt vult aan: “Zoals in veel Nederlandse binnensteden is hier in de loop der jaren een groot winkelgebouw ontstaan dat niet meer voldoet aan noden van deze tijd. Monofunctioneel en een kolos in de historische context van het Groningse centrum. Met deze transformatie krijgt het gebouw een gemengd programma. Maar we doen meer: door onbruikbaar winkelvolume strategisch weg te halen en op andere plekken in het complex terug te laten komen, creëren we lucht in het blok. Vervolgens knippen we het gebouwvolume visueel op in verschillende panden en maken we het passend in het stadsaanzicht. Zo sluiten we met deze grondige renovatie zowel programmatisch als qua vormgeving aan op de gewenste ontwikkeling van de Groningse binnenstad.” Naar verwachting zal de bouw starten in het vierde kwartaal van 2023, gevolgd door oplevering een jaar later. Beeld: Filippo Bolognese Images

Lancering De groene architectuurgids van Amsterdam

15 augustus 2022

Wat zijn de groenste gebouwen van Amsterdam? Arcam zocht het uit en maakte ‘De groene architectuurgids van Amsterdam 2000-2025’. Onze collega Marleen van Driel, architect duurzaamheid associate bij Rijnboutt, was onderdeel van de redactie en heeft samen met collega’s uit het vak meermaals gediscussieerd over de selectie. Want wat maakt deze gebouwen energiezuinig, klimaatbestendig en circulair?   Op maandagavond 26 september presenteert Arcam ‘De groene architectuurgids van Amsterdam’ in Pakhuis de Zwijger. De gids bevat de groenste gebouwen van 2000 tot en met 2025, met trendsetters, groene particuliere initiatieven, de top 25 groenste gebouwen van 2018 t/m 2022 en toekomstige iconen. De opgenomen projecten zijn gerangschikt op meetbare begrippen, zoals energieprestatie (EPC/BENG) en circulariteit (MAT1 en MPG), en op een kwalitatieve indicatie van natuurinclusiviteit en klimaatadaptiviteit. De gids laat zien hoe de stad letterlijk en figuurlijk vergroent. De cijfermatige benadering maakt de projecten vergelijkbaar. De selectie biedt ruimschoots aanleiding tot discussie. Wat is groen? Hoe kunnen we dat het beste meten? Wat is het effect van groene criteria in tenderbeleid? En zijn de groenste gebouwen ook de beste? Programma ‘De 25 groenste gebouwen van Amsterdam’ Bij de lancering van de architectuurgids op 26 september gaat moderator Indira van ’t Klooster (directeur Arcam) in gesprek met Marleen en anderen die hebben bijgedragen aan de gids, zoals Rubén Dario Kleimeer (fotograaf), Michiel de Bruine (Director Dutch Residential Investments bij Bouwinvest), Coen van Oostrom (oprichter & CEO bij EDGE), Sabine Lebesque (senior adviseur Ruimtelijke Kwaliteit bij Grond en Ontwikkeling, Gemeente Amsterdam), Bob Mantel (Programmanager Sustainability Gemeente Amsterdam), Do Janne Vermeulen (architect en partner Team V Architectuur) en Mantijn van Leeuwen (Managing Director NIBE). Onthulling cover Tijdens het programma wordt ook cover onthuld van De groene architectuurgids van Amsterdam 2000-2025. Welk gebouw siert de cover en verdient daarmee de titel ‘groenste gebouw in Amsterdam van dit moment’? Het programma vindt plaats in de Grote Zaal van Pakhuis de Zwijger. Reserveer snel voor een gratis plekje in de zaal. Dit programma is enkel fysiek te bezoeken in de zaal. Het programma is wel later online terug te kijken via dezwijger.nl/terugkijken of via hun YouTube-kanaal. Wat: Lancering De groene architectuurgids van Amsterdam 2000-2025 Datum: Maandag 26 september, 20:00 Locatie: Pakhuis de Zwijer, Grote Zaal Toegang: gratis Bron: arcam.nl

Geluid hoort erbij

27 juli 2022

Het vakblad Geluid heeft onze collega Richard Koek, stedenbouwkundige landschapsarchitect partner bij Rijnboutt, gevraagd een artikel te schrijven over geluidshinder. Want welke invloed heeft geluid op het stedenbouwkundig ontwerp?   “Steeds meer van ons werk betreft transformatie in de bestaande stad. Gebieden waar de bestaande werkgelegenheid plaats maakt voor een gemengd stedelijk milieu, maar waar de omgeving vaak nog lange tijd haar bedrijfsmatige gebruik behoudt. En waar omgevingslawaai een bepalende rol speelt”, aldus Richard. Aan de hand van drie voorbeeldprojecten van Rijnboutt (Hamerkwartier Amsterdam, Rivierzone Vlaardingen en Middenzone Gezondheidspark Dordrecht) licht hij complexe geluidsituaties toe in relatie tot een hoge bebouwingsdichtheid, een gemengde bestemming en een hoge duurzaamheidsambitie.  Lees het volledige artikel:   Bron: magazine Geluid nr. 2 – juni 2022 Tekst: Richard Koek Foto: Ineke Oostveen

WELL Building Standard: streven naar een gezonde leef- en werkomgeving

14 januari 2022

De WELL Building Standard, een certificering van het International WELL-Building Institute (IWBI), is de eerste bouwstandaard die zich uitsluitend op de gezondheid en welzijn van de mens richt. Dario Sposini, architect bij Rijnboutt, is een van de eerste architecten in Nederland die de WELL-certificering heeft behaald.   De plekken waar we wonen, werken, leren en ontspannen, hebben een grote invloed op onze gezondheid, ons welzijn en de productiviteit. In deze gebouwen brengt ieder van ons ongeveer negentig procent van ons leven door. Daarom zouden ze de kern moeten vormen van de oplossing om welzijn te bevorderen en positieve gezondheidsresultaten te behalen. Daarvoor heeft het Amerikaanse International WELL-Building Institute (IWBI) in 2014 de WELL Building Standard ingevoerd. De organisatie ontwikkelde een toonaangevende tool die wereldwijd onze gezondheid en welzijn in gebouwen, gemeenschappen en organisaties bevordert. Het onafhankelijke op prestaties gebaseerde systeem waarbij de gezondheid in gebouwen wordt gemeten, gecertificeerd en gemonitord, is de eerste bouwstandaard die zich uitsluitend op de gezondheid en welzijn van de mens richt. Architect Dario Sposini behaalde de in Nederland nog vrij nieuwe WELL-certificering en is nu een Accredited Professional (AP). Vanuit een grote interesse in duurzaamheid en in het centraal stellen van het welzijn van mensen, wil hij hiermee bewustzijn creëren dat we onze focus moeten veranderen. “Het gaat niet alleen om het verkopen van vierkante meters, om het investeren in gebouwen, maar ook om het investeren in het welzijn van de mensen die erin leven en werken”, zegt hij. “Bijdragen aan het zo plezierig, comfortabel en gezond mogelijk maken van de omgevingen waarin mensen verblijven, zie ik als belangrijkste doel.” Expertise in huis Rijnboutt onderzoekt met diverse opdrachtgevers de mogelijkheden voor het behalen van een WELL-certificering bij nieuwe projecten. Sposini wil met zijn kennis zijn collega’s adviseren en coachen op het gebied van welzijn en gezondheid. Ook wil hij samen met architect duurzaamheid associate Marleen van Driel opdrachtgevers motiveren om te investeren in WELL. “Ik hoop dat ik als adviseur word meegenomen in het ontwerpproces tot aan de implementatie zodra Rijnboutt een samenwerking start met een ambitieuze opdrachtgever. Een opdrachtgever die een lange termijnvisie heeft en wil investeren in bewoners of werknemers door het opgeleverde gebouw te voorzien van een WELL-certificaat”, zegt hij. Tot nog toe huren veel architectuurbureaus externe adviseurs in voor advies. “Het biedt voordelen om mensen met deze expertise juist in huis te hebben die direct en snel met de eigen architectenteams kunnen overleggen”, denkt Sposini.  Aan een WELL-certificering zitten vele voordelen, weet Sposini. “Ervan uitgaand dat de levensduur van een gebouw ongeveer dertig jaar is, dekt de investering in het kantoorpersoneel meer dan 90% van de totale investering (zowel de bouw van het pand als de jaarlijkse kosten). Dit betekent dat investeren in de gezondheid van de mensen in het gebouw een enorme impact heeft op de omzet, als we het alleen over geld hebben. Bovendien heeft een nieuw ontwikkeld kantoorgebouw dat WELL nastreeft, een grotere marktwaarde.” Je kunt substantieel besparen op personeelskosten doordat mensen die tevreden en gezond zijn ook productiever zijn, fysiek sterker en minder vaak gestrest, ziek of burned-out. “Zeker tijdens de pandemie zijn mensen bewuster geworden van het belang van een prettige en comfortabele leef- en werkruimte”, weet Sposini. “Mensen stellen meer eisen aan wat ze voordien als vanzelfsprekend aannamen. Daarom moeten wij het creëren van kantoor- en thuisomgevingen stimuleren die fysiek en mentaal gezond zijn, plekken waar mensen graag tijd doorbrengen en hun gezondheid kunnen verbeteren door onder andere beter eten en de mogelijkheid tot sporten.” WELL-checklist Aan de hand van de WELL-checklist is te meten welke factoren bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving waarin je verblijft, zoals voldoende daglicht en een goed lichtplan, ventilatie, de temperatuur, de mate van isolatie, maar ook de inrichting en kwaliteit van het interieur, het kleurgebruik, het promoten van drinkwater, gezond eten, de aanwezigheid van sportfaciliteiten en de aanwezigheid van trappen zodat mensen meer bewegen. Een andere factor is de zogenoemde biophilia, waarbij de natuur wordt binnengehaald; een groene omgeving is zowel goed voor ons welzijn als voor onze gezondheid. Daarnaast willen we niet in de luchtvervuiling door de stad fietsen, maar in huis of op kantoor is schone lucht minstens zo noodzakelijk om niet ziek te worden. “WELL gaat dus niet alleen over data maar ook over hoe je je ergens voelt”, zegt de architect. De WELL (v1) Building Standard heeft sinds 2020 een uitgebreidere opvolger: de WELL v2 Building Standard, die is ontworpen voor alle type gebouwen, zoals woonhuizen, kantoren en restaurants en geldt voor zowel nieuwbouw, renovaties als bestaande bouw. Anders dan bijvoorbeeld BREAAM, dat de duurzaamheidprestatie van gebouwen bepaalt en specifiek per land is ontwikkeld, is WELL een certificering die wereldwijd geldt. Sposini ziet echter een belangrijke overlap tussen de certificeringen WELL, BREAAM en ook LEED. “Ze beïnvloeden en versterken elkaar”, meent de WELL-AP. “De kwaliteit van een gebouw en de bouwmaterialen zijn belangrijk, want als het bijvoorbeeld teveel hitte absorbeert, heeft dat direct invloed op het interieur en hoe comfortabel mensen zich erin voelen. Daarom levert een opdracht waarbij je alles meeneemt in je ontwerp het beste resultaat op lange termijn.” WELL-projecten worden inmiddels in 68 landen wereldwijd uitgevoerd. In Nederland zijn er nog maar enkele voorbeelden van architectenbureaus die WELL-projecten doen of WELL-AP’s in huis hebben. Ook voor Rijnboutt is het een ambitie om in concrete termen te meten wat WELL precies voor het bureau betekent, meent Sposini. “Door te streven naar een WELL-certificering, kan Rijnboutt zelf als visitekaartje dienen in de ambitie WELL onder de aandacht te brengen”, vindt hij. Wil je meer weten over de mogelijkheden voor een WELL-certificering? Neem contact op met Dario Sposini. Meer informatie: www.wellcertified.com Tekst: Viveka van de Vliet Portret: Ineke Oostveen Afbeeldingen: WELL 

De kunst van het verbinden

17 december 2021

Gezondheid en geluk bevorderen vanuit duurzame gebiedsontwikkeling. Dat streven staat hoog op de agenda van strategisch adviseur Agnes Franzen. Ga er maar aan staan, in een tijd van klimaatverandering, coronapandemie, woningnood en vastlopende zorg. Hoe beschouwt Franzen vanuit haar vakgebied deze urgente kwesties? Pasklare oplossingen heeft ze niet. Saillante vragen des te meer.   Op verzoek van Franzen vindt ons gesprek plaats in BlueCity aan de Maasboulevard in Rotterdam. Heel toepasselijk, want in dit voormalige zwemparadijs (Tropicana) opende de gemeente Rotterdam, in samenwerking met DCMR Milieudienst Rijnmond, onlangs het Circulair Loket, een vraagbaak voor duurzame ondernemers. Franzen is als strategisch adviseur verbonden aan de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) & TU Delft. Tot 2018 was ze directeur van de SKG, die ook de op onderzoek, onderwijs én praktijk gerichte leerstoel Gebiedsontwikkeling mogelijk maakt met Co Verdaas als hoogleraar. Tevens was ze jarenlang hoofdredacteur van Gebiedsontwikkeling.nu, een aan de leerstoel en de SKG gelieerd kennisplatform. Hiervoor levert ze nog regelmatig sociaal bewogen stukken. Over het betrekken van burgers bij het klimaatbeleid, de voordelen van windmolens op zee voor een nieuwe ruimtelijke inrichting, of de waarden die ten grondslag liggen aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Dat een technocratische aanpak niet voldoet om tot ruimtelijke oplossingen te komen die duurzaamheid, biodiversiteit, welzijn en gelijkheid ondersteunen, is wat steeds weerklinkt. In haar recente publicatie Doe de Tienkamp: naar een klimaatadaptieve woonomgeving, draagt ze alternatieve benaderingen aan. Ze benadrukt dat in de bestaande gebouwde omgeving en in nieuwe gebiedsontwikkelingen experts en relevante stakeholders moeten samenwerken, en dat techniek, budgetten en informatiesystemen beter met elkaar verbonden moeten worden. De besproken praktijkcasussen getuigen van Franzens consequente, nadrukkelijk bepleite Triple P-benadering: People, Planet en Profit. In dit gesprek wordt duidelijk dat Franzen hiervoor geen kant-en-klare formules aandraagt, maar vooral pregnante vragen stelt. People, Planet, Profit “Voor een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied moet je naar economische waarden én naar maatschappelijke waarden kijken. De Britse duurzaamheidsadviseur John Elkington lanceerde in 1994 de driehoek People, Planet, Profit (PPP) als een bruikbaar handvat. Succes of falen van duurzame oplossingen moet volgens hem niet alleen worden bekeken vanuit het perspectief van winst (Profit) of verlies, maar ook vanuit het oogpunt van welzijn van mensen (People) en van een gezonde aarde (Planet). Vanuit deze PPP driehoek kun je ook kijken naar duurzame gebiedsontwikkeling. “Het PPP perspectief verdient aanvulling. Er is een onderscheid tussen de traditionele economie, gericht op groei, en een brede welvaartseconomie. Volgens Katherine Trebeck, voortrekker van de Wellbeing Economy, is het huidige systeem onrechtvaardig, onstabiel, niet duurzaam en maakt het mensen ongelukkig. Ze stelt, naar mijn mening terecht, dat de economie in dienst moet staan van hogere doelen, van menselijke en ecologische belangen. De Donut Economy van Kate Raworth sluit hier naadloos op aan: Raworth pleit voor circulair denken en handelen, waarbij de economie balanceert tussen een sociale ondergrens gevormd door mensenrechten zoals veiligheid, gezondheid en voldoende eten en een ecologische bovengrens die gaat over luchtvervuiling, klimaatverandering en bodemuitputting.” Verschillende schaalniveaus “Hoe werkt dit bij gebiedsontwikkeling? Om tot uitvoering van iets te komen, kan het ruimtelijk ontwerp niet los worden gezien van het proces en de relevante spelers: gebiedsontwikkeling is bij uitstek de kunst van het verbinden van functies, partijen, belangen en geldstromen. De SKG als orgaan illustreert deze inherente complexiteit: ze bestaat inmiddels uit meer dan veertig publieke, private en maatschappelijke organisaties die vaak verschillende belangen hebben. “Hoe werken de verschillende schaalniveaus op elkaar in en hoe kom je tot een integrale aanpak? De circulaire economie, de Planet-kant, bevindt zich op een hoog overkoepelend schaalniveau, met vraagstukken die je niet allemaal op gebiedsniveau kunt oplossen. Maar bijvoorbeeld welzijn, de People-kant, is iets dat veelal wordt geagendeerd door overheden; daar kun je vanuit gebiedsontwikkeling veel aan doen op lokale schaal. Dat zie je bijvoorbeeld bij de nieuwe Utrechtse stadswijk Merwede; daar vroegen de ontwerpers, architecten en planners zich in een heel vroeg stadium van het ontwerp al af wat voor gezondheidsvoorzieningen er nodig zouden zijn. Maatschappelijke en culturele voorzieningen zijn er op coherente wijze verspreid door het hele gebied: gezondheidscentra, jeugdhulp, dagbesteding, huiskamers, woonvoorzieningen voor ouderen. Dit wordt voortgezet in de openbare ruimte met een openlucht sportschool en formeel en informeel georganiseerde sporten, zoals bootcamps en conditietrainingen.” Stadsvernieuwing 2.0 “Hoe geef je invulling en vorm aan de sociale dimensie? Om sociale kwesties aan te pakken in het ruimtelijke domein moet je kijken naar problemen die nu spelen, zoals achterstand en armoede in oude stadswijken. Het café Heilige Boontjes, gevestigd in een oud politiebureau aan het Eendrachtsplein in Rotterdam, is een voorbeeld waarbij over deze koppeling is nagedacht. Het café gebruikt koffie als middel om kansarme Rotterdamse jongeren aan het werk te krijgen. Het volledige proces, van distributie tot verkoop, wordt door deze jongeren mogelijk gemaakt. “Bij de conflicten en sociale onrust rond de Rotterdamse transformatiewijk Tweebosbuurt, in bezit van woningcorporatie Vestia, heeft de gemeentepolitiek hopelijk veel geleerd over het belang van het vroegtijdig betrekken van bewoners. Naar aanleiding van de hevige bewonersprotesten die er ontstonden door de gedwongen leegruiming en verhuizing, werden er zelfs Kamervragen gesteld over mogelijke mensenrechtenschendingen door het Rotterdamse woonbeleid. Te laat voor de Tweebosbuurt, maar uiteindelijk heeft de gemeente toegezegd om haar burgers bij komende herstructureringen een centrale stem te geven: stadsvernieuwing 2.0.” Gezondheid en geluk “Fysieke, ruimtelijke planning kent een lange termijn en heeft een andere dynamiek dan actuele sociale vraagstukken hebben. Met name in de oude wijken, waar de gezondheidsproblemen het grootst zijn, ligt er een uitdaging op het gebied van welzijn. Hoe houd je de investeringen in evenwicht als het enerzijds gaat om het reduceren van hittestress, vergroening en de opvang van water en anderzijds over het stimuleren van meer ruimtelijke ontmoetingen, gezondheid en gemengde milieus? “Wat en waar zijn de geschikte plekken voor woningbouw? Focussen we niet te veel op de Randstad? Waar kunnen we in de buitengebieden veilig wonen? De gevolgen van klimaatverandering, zoals verdroging en verzakking van de bodem of van overstromingen, zoals we recentelijk hebben meegemaakt, dringen zich in steden, maar vooral ook in de landelijke gebieden enorm op. “Voor gebiedsontwikkeling heeft de coronapandemie reeds bestaande ontwikkelingen verder blootgelegd, zoals het vaker thuiswerken en de toename van digitale bestellingen met als gevolg een groeiende leegstand van kantoren en winkelpanden. Maar ook de sociaal-economische tweedeling wordt door de pandemie pijnlijk zichtbaar in de problemen bij het onderwijs, de toenemende eenzaamheid en in meer ongezond gedrag. Uit onderzoek van ‘Gezonde stad’ Utrecht blijkt dat in de Vinex-wijken 40 procent van de ouderen en jongeren eenzaamheid ervaart, waarvan 11 procent in ernstige mate. Een belangrijke vraag vanuit de gebiedsontwikkeling: wat kun je hier vanuit de ruimtelijke kant aan doen? Hoe zorg je ervoor dat mensen niet in anonieme gebieden komen te wonen en hoe creëer je herkenbare en vertrouwde omgevingen? Hoe prikkel je via de omgeving tot meer beweging, minder stress, meer ontmoetingen en gelijkwaardige behandeling? Hoe stimuleer je gedragsveranderingen?” Wicked problems “Ons vakgebied kent veel wicked problems, zoals de problematiek rond Tata Steel in IJmuiden. Deze grootste CO2-uitstoter van Nederland zorgt momenteel terecht voor maatschappelijke onrust en politiek debat. Het is inmiddels wel duidelijk dat Tata een enorm ongezonde, ziekmakende leef- en werkomgeving voor mens, dier en natuur veroorzaakt. Het dilemma bij het nemen van de juiste maatregelen is dat het bedrijf negenduizend werknemers in dienst heeft. Die werkgelegenheid houdt het gebied in zijn greep. Tata is inmiddels onder maatschappelijke druk en Europese wetgeving (55 procent CO2-reductie) tot het inzicht gekomen dat CO2-opslag niet de juiste weg is. Ze hebben gekozen voor een overgang op aardgas en voor de lange termijn op waterstof. Het is een mooi voorbeeld van hoe je bedrijven mee kunt krijgen. Bij elke gebiedsontwikkeling is het de vraag hoe je bewoners en werknemers betrekt in dergelijke processen. Het is heel ingewikkeld. Er spelen economische én ethische vragen. En het gaat ook om publieke waarden. “Iedereen zou evenveel mogelijkheden moeten hebben om in een gezonde en weldadige omgeving te kunnen wonen en werken. Hiervoor is een sociaal-culturele, op de mens gerichte benadering van gebiedsontwikkeling nodig. De toekomst vraagt om meer dan louter een duurzaamheidsagenda gericht op behoud. Om werkelijk iets te veranderen, gaat het uiteindelijk om systeemveranderingen op het hoogste niveau. Het persoonlijk naar voren treden van bewoners rond Tata Steel en de recente woonprotesten laten zien hoe je als individu de urgentie hiervan kunt helpen agenderen.” Dit artikel is gepubliceerd in Rijnboutt Magazine #13 Werk. Tekst: Jorinde Seijdel Deelnemer gesprek: Jan van Grunsven Fotografie: Ineke Oostveen

“Het tijdperk van productie in de stad is niet voorbij”

09 december 2021

De Belgische stedenbouwkundige Kristiaan Borret pleit al langer voor het behoud van bedrijvigheid in steden, waar onder druk van de oververhitte woningmarkt en gentrificatie werkfuncties verdwijnen. Als stadsbouwmeester van Brussel weet hij het tij te keren en toont hij hoe de maakindustrie kan bijdragen aan de overgang van een lineaire naar een circulaire economie. Welke kansen ziet hij als supervisor van Oostenburg en het Hamerkwartier voor Amsterdam?   In de tijd dat hij als architect werd opgeleid, eind jaren tachtig, liepen de steden leeg, vertelt Kristiaan Borret. “We moesten ontwikkelaars verleiden om in de binnenstad te investeren.” Nu ziet hij de slinger in de andere richting doorslaan. “Steden zijn te succesvol. Ze trekken zo veel bewoners aan dat bepaalde groepen de stad uit ‘geduwd’ worden, terwijl wonen tevens bedrijvigheid verdringt.” Het handelscentrum dat de stad van oorsprong is, verdwijnt. “Deze ontwikkeling moeten we corrigeren,” zegt Borret. En ontwerpers kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren, door met ontwerpend onderzoek inzicht te geven in de problematiek en circulaire bedrijfsmodellen te vertalen naar nieuwe ruimtelijke modellen. Maar ook door mee te denken over financiële randvoorwaarden en functiemenging gestalte te geven, in buurten en gebouwen. “Arbeid staat aan de basis van een ‘werkende’ stad,” zegt Borret over de noodzaak om het onderwerp op de agenda te krijgen. “Neem de loodgieter, die zul je altijd nodig hebben voor reparaties. Het stedelijk systeem gaat haperen als zulke basisnoden niet aanwezig zijn. Daaruit vloeit voort dat de stad betaalbare woonruimte én een kleine opslagplaats aan die loodgieter moet bieden.” Duurzame mobiliteit Werk is een essentieel onderdeel van een toekomstgerichte, circulaire stad waarin we gebruikmaken van duurzame mobiliteit, legt hij verder uit. “Ooit is de productie naar buiten de stad verplaatst vanwege de grote omvang van werkplaatsen en vervuilende fabrieken. Maar veel productiemethoden zijn inmiddels veranderd. De drukkerij was vroeger een heel bedrijf, waar gewerkt werd met schadelijke stoffen. Nu kun je kleinschalig en milieuproof op locatie drukken en 3D-printen, waarbij dankzij meer lokale gerichtheid het aantal vervoersbewegingen wordt teruggebracht.” Eenzelfde ontwikkeling ziet hij bij bierbrouwerijen. “De grote brouwerijen zijn uit de stad getrokken, nieuwe brouwerijtjes willen juist lokaal werken, ook vanuit de duurzaamheidsgedachte. Het absurde is dat langs de Kanaalzone in Brussel een grote brouwerij jaren leegstond, tot er uiteindelijk een hotelfunctie voor werd gevonden. Een jaar later kwamen twee brouwerijen aanzetten, op zoek naar een nieuwe plek! Het is een mooi voorbeeld van hoe we de (her)positionering van bedrijvigheid visionair kunnen benaderen. Feit is dat the next economy perfect integreerbaar is in de stad. Het zou jammer zijn als bedrijfjes niet in de stad terechtkunnen omdat stedenbouwkundigen vergeten om ruimte te maken. Laten we dus niet denken dat het tijdperk van productie in de stad voorbij is, maar plaats vrijhouden voor nieuwe vormen van bedrijvigheid.” Terwijl steden als Rotterdam en Amsterdam bedrijvigheid richting de randen schuiven, om de achtergebleven pakhuizen te verbouwen tot lofts en koffiebars, stapt de Brusselse stadsbouwmeester van het geijkte gentrificatie-pad af. Onder zijn regie wordt de Kanaalzone getransformeerd tot een gemengd woon-werkgebied. Op een zichtlocatie aan het Vergotedok verrees het door TETRA architecten ontworpen Bouwmaterialendorp, een door een commercieel bedrijf beheerd ‘milieuplein’ voor het sorteren van bouwmaterialen. Het toont aan hoe de maakindustrie kan bijdragen aan de overgang van een lineaire naar een circulaire economie. Dat het Bouwmaterialendorp op de cover van het laatste Architectuurboek Vlaanderen stond, getuigt volgens Borret van een “omslag in het denken” over de positie van werk in de stad. “Dat is de eerste stap die we moeten zetten.” Hij heeft in Brussel veel architectuurwedstrijden georganiseerd, “want je hebt ook oplossingen nodig”. “Het is goed om te zien dat architecten zich daarin geïnteresseerd tonen, en belangrijke bureaus zich met dit soort opdrachten afficheren.” Als voorbeeld noemt hij de brouwerij Brussels Beer Project, die OFFICE Kersten Geers David Van Severen ontwerpt. Werk én wonen De tweede stap is dat de overheid bepaalde stukken grond voor een lagere prijs dan bij woningbouw op de markt brengt. “Het Bouwmaterialendorp staat daar nu omdat langs het kanaal stukken zijn afgebakend waarin bedrijvigheid blijft. Andere delen van het gebied zijn aangewezen voor functiemenging, met een mix van economische bedrijvigheid en wonen. Het streven naar die combinatie, dat vind ik goed aan de plannen voor het Hamerkwartier in Amsterdam. Een industrieel gebied wordt omgeturnd naar wonen, waaraan nood is, terwijl 20 procent van de grond bestemd blijft voor bedrijvigheid.” Nu is het zaak om die ambitie te borgen en te voorkomen wat bij het project Merwede in Utrecht gebeurde, waar de beoogde 20 procent niet-wonen teruggebracht werd naar 14 procent. En die 14 procent betreft vooral horeca en detailhandel. Borret: “Ik deel de bezorgdheid dat werken er alsnog uit verdwijnt. Ook in Brussel zie je dat kantoren gaandeweg de plannen binnensluipen. Een toetssteen die ik hanteer is deze: een gebouw waar je niet met een busje voor de deur kunt parkeren, is geen bedrijfsgebouw.” Werk draait niet alleen om maken en sleutelen aan de stad; het biedt mensen ook zingeving en een plek in de maatschappij. “Dat sociale aspect is belangrijk, een inclusieve stad is een stad die aan iedereen werk biedt,” zegt Borret. “In Brussel zijn er veel zones met werkloosheid en met mensen die voor hun werk naar buiten de stad moeten pendelen.” Werk bieden aan deze laaggeschoolde groep is belangrijk voor de sociaaleconomische stabiliteit in de wijken. “Daarbij moeten we niet enkel denken aan catering en schoonmaken, we mogen fier zijn op de mensen die met hun handen werken.” Het Bouwmaterialendorp, dat zich met trots aan de stad presenteert, is wat dat betreft symbolisch. “Zoals stadslandbouw laat zien waar ons voedsel vandaan komt, toont dit gebouw waar en hoe dingen gemaakt worden, en dat ambacht een fatsoenlijke plaats in de stad verdient.” In Nederland wordt geëxperimenteerd met huurprijsdifferentiatie en zogenoemde plintregisseurs, die erop toezien dat de beoogde functiemenging blijft. Naast agenderen, planologische ingrepen en ontwerpoplossingen, ziet Borret dat als een bruikbaar instrument om werk in de stad te houden. “Zoals we sociale woningbouw kennen, moeten we ook sociale bedrijfsgebouwen maken, en specifieke bedrijven aantrekken die we financieel ondersteunen.” De Nederlandse woningnood, die eraan bijdraagt dat bedrijvigheid uit de stad verdwijnt, is volgens hem een financieel probleem, geen ruimtelijke kwestie. Woningen zijn daarbij verworden tot een financieel product. “In België is wonen kleinschaliger en meer individueel georganiseerd.” Een ander flagrant verschil tussen Brussel en Amsterdam is het bouwtempo. “Bij ons gaat alles heel traag, met als voordeel dat je kunt bijsturen, testen en leren van projecten. Jullie bouwen snel, complete woonwijken; dat is zeer indrukwekkend. Nu is het zaak om bedrijvigheid daarbinnen een plek te geven en een interessante verschijningsvorm te creëren. Dat is de uitdaging voor het Hamerkwartier: maak goede architectuur die bewijst dat de combinatie mogelijk is.” Met dank aan corona Heeft de coronapandemie zijn kijk op de werkende stad veranderd? Borret: “Voor de kantoren van de Europese Unie in Brussel is 25 procent krimp voorspeld. Dat is tragisch voor de bezitters van die gebouwen, maar voor de stad een geschenk. Als we die kantoren omturnen naar appartementen, zijn er minder nieuwe woningen nodig zodat er ruimte blijft voor werken. Tegelijk ontstaat functiemenging in deze monofunctionele kantoorwijken.” Het tekort aan mondmaskers dat tijdens de eerste coronagolf ontstond, noemt hij “een eyeopener”. “We zien nu in dat we niet alles naar China moeten verplaatsen.” Toen de supermarkten door het hamsteren lege schappen hadden, zagen we het voordeel van de buurtbakker. Zonder openbaar vervoer werd de fietsenmaker ineens belangrijk. “We begrijpen het belang van een stad waarin we producten van dichtbij halen. Ik ben positief daarover,” zegt Borret. “Nu moeten we waarmaken wat we begrepen hebben. Want voor je het weet zijn we terug bij business as usual.” Dit artikel is gepubliceerd in Rijnboutt Magazine #13 Werk. Tekst: Kirsten Hannema Deelnemer gesprek: Richard Koek Portret Kristiaan Borret: Frederik Hamelynck Foto Bouwmaterialendorp in de haven van Brussel door TETRA architecten: Filip Dujardin

Volgende stap voor karakteristieke en creatieve stadsbuurt Backer+Rueb in Breda

24 november 2021

De realisatie van het creatieve district Backer+Rueb komt steeds dichterbij. Niet alleen is vorige week de anterieure overeenkomst getekend door gemeente Breda en gebiedsontwikkelaar Amvest, ook is onlangs een uitgebreide ontwikkelingsvisie gepresenteerd in de vorm van een boek. Backer+Rueb wordt een bruisende stedelijke buurt met volop ruimte voor werken, horeca aan de kade en andere publieke voorzieningen.   In opdracht van Amvest en in samenwerking met de gemeente Breda heeft Rijnboutt het stedenbouwkundig plan ontworpen en het beeldkwaliteitplan opgesteld. Karres en Brands is verantwoordelijk voor de visie op de openbare ruimte. Met onze gezamenlijke plannen wordt Backer+Rueb onderdeel van het Creative District van Breda. De hele buurt ademt het industriële verleden en wordt gekleurd door kunst, cultuur en creativiteit. Het krijgt kenmerkende zachte, groene binnengebieden en stevige, meer publieke randen. Bijzondere historie In de jaren ’60 van de vorige eeuw was Backer en Rueb een levendig fabriekscomplex en één van de grootste werkgevers van de stad. Meer dan 1400 werknemers maakten er stoommachines, roltrappen en paternosterliften, ketels en allerhande andere machines. Van het destijds imposante bedrijfscomplex resteren nog enkele kenmerkende hallen. Met de herbestemming wordt het gebied weer volledig tot bloei gebracht. Van industrieel erfgoed tot nieuwbouw Backer+Rueb wordt een veelzijdige buurt van circa 500 woningen waarvan de bestaande fabrieksbebouwing de basis vormt. Het Backer en Rueb-kantoor en de hallen zijn de identiteitsdragers van het gebied en worden ook onderdeel van de publieke ruimte. De gebouwen worden opgewaardeerd tot creatieve uitwisselingsplekken door toevoegingen, doorsnijdingen en veranderingen. Ook de nieuwbouw draagt kenmerken van de industriële bebouwing, met bijzondere dakvormen, gebouwcomposities met stapeling van elementen, overstekken en forse maten. De kade aan de haven is een wandelgebied en biedt ruimte aan horeca en terrassen. Over de haven komt een definitieve brug gemaakt die de beide oevers met elkaar verbindt. De stedelijke opzet, het groene karakter en de verwevenheid met de culturele uitingen zorgt voor een levendige en aantrekkelijke nieuwe stadsbuurt. Groen, gezond en stoer In Backer+Rueb wordt het industriële karakter door de inrichting van de openbare ruimte versterkt. Het terrein wordt zo groen mogelijk en autoluw ingericht. Verharding komt alleen daar waar dit noodzakelijk is. Aan de westzijde komt een industrieel openbaar park terwijl de kade langs de haven een stoer karakter krijgt met robuuste inrichtingselementen en bijpassende beplanting. Het groen en water zorgen voor een gezonde leefomgeving en leveren een bijdrage aan klimaatadaptatie. Op weg naar een mooi eindresultaat Na het afronden van het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitplan volgt een nieuwe fase. Karres en Brands werkt de openbare ruimte verder uit. Onze collega Desirée Eggink beoordeelt in haar rol van superviserend stedenbouwkundige de plannen van de architecten en begeleidt hen richting het CRK (commissie ruimtelijke kwaliteit). In deze hoedanigheid adviseert ze of de plannen binnen de kaders van het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan passen. Naar verwachting wordt in 2022 het bestemmingsplan en de eerste omgevingsvergunning aangevraagd. Lees de volledige Ontwikkelingsvisie hieronder:   Meer informatie: www.backerenrueb.nl Visietekening en axo duurzaamheid: Rijnboutt Plantekening: Karres en Brands

De kerk als het huis van de stad

29 oktober 2021

Met de prijsvraag ‘Sublieme Schoonheid | Sublieme Duurzaamheid’ deden de Rijksbouwmeester en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in samenwerking met Architectuur Lokaal eerder dit jaar een oproep voor het verduurzamen van iconische stadskerken. We zijn uitgedaagd om te ontwerpen aan nog niet bestaande oplossingen die bijdragen aan de verduurzaming van deze iconische kerkgebouwen. Samen met Crimson Historians and Urbanists en Arup zijn we als een van de negen teams geselecteerd om een visie te schrijven. Helaas heeft onze visie niet geleid tot het winnend ontwerp. We delen met trots onze bijdrage en ideeën hoe de kerkruimte opnieuw een betekenisvolle plaats kan krijgen in stad en gemeenschap.   Alle teams konden kiezen uit drie urgente thema’s die werden aangereikt. Wij zijn aan de slag gegaan met het thema ‘Binnenruimte: klimaat, gebruik en comfort’. In ons voorstel zien we de kerk als de plaats waar de stad samenkomt. Waar altijd iets te doen is – markten en beurzen, shows en terrassen. De deuren gaan open en het stadsleven stroomt binnen. De grenzen tussen het kerkplein en de kerkvloer vervagen en samen wordt het één programmeerbaar oppervlak. Daarnaast stellen we voor de kerk te openen door een onafhankelijk functionerend glazen volume met een eigen entree toe te voegen, een gebouw-in-een-gebouw alleen van buiten de kerk bereikbaar, waarin diverse binnenactiviteiten een plaats krijgen. Bij de eindpresentatie van de prijsvraag is een magazine gepubliceerd met alle negen voorstellen. Lees hieronder een samenvatting van onze visie:   Over de prijsvraag 37 multidisciplinaire ontwerpteams, bestaande uit professionals uit de ontwerpdiscipline, de duurzaamheid- en de erfgoedexpertise, reageerden op de openbare oproep om de opgave vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. De jury nodigde negen teams uit om een visie op de opgave te ontwikkelen. Vervolgens selecteerde de jury drie teams (één team per ontwerpthema) en vroeg de ontwerpteams om hun visie uit te werken tot een ontwerp. Tijdens Dutch Design Week 2021 zijn de drie winnende ontwerpen gepresenteerd, gemaakt door de teams van COUP, ABT en Braaksma en Roos Architecten. Jury De jury bestond uit Floris Alkemade, Rijksbouwmeester (voorzitter), Susan Lammers, directeur Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Willem Jan de Hek, dominee Protestantse Wijkgemeente Jacobikerk Utrecht, Christien Meindertsma, kunstenaar en ontwerper, Laetitia Ouillet, directeur Strategic Area Energy, TU Eindhoven en Patty Wageman, vertegenwoordiger Grote Kerken Overleg. Lees het volledige magazine Sublieme Schoonheid | Sublieme Duurzaamheid. Ook de negen ingediende visies zijn te downloaden. Schilderij: Pieter Saenredam, Interieur van de St-Bavokerk in Haarlem (1648). Meerdere opties voor een glazen volume: optie 1 (links) gezien van buitenaf, optie 2 (rechts) gezien van binnenuit

Stedelijk wonen in het groen

01 juli 2021

Stedelijk wonen in een bomenrijke, autoluwe en door water omringde duurzame wijk. Dat is wat Rijnboutt beoogt in de Boerhaavewijk in Schalkwijk. Woensdag 23 juni is de bouw gestart van het integrale nieuwbouwproject HAAVE dat bestaat uit een ensemble van drie hoogwaardige nieuwe wooncomplexen. Wij ontwierpen het Singelgebouw, het Parkgebouw en de randvoorwaarden voor het derde blok, Hof van Damiate, dat in een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap wordt uitgegeven. We zijn daarnaast ook verantwoordelijk voor het bijzondere en gevarieerde landschapsontwerp.   De modernistische uitbreidingswijk Schalkwijk in Haarlem Zuid is een typische jaren zestigbuurt die sterk in ontwikkeling is en uitgroeit tot een volwaardig tweede stadshart van Haarlem. Rijnboutt geeft met HAAVE een krachtige impuls aan de Boerhaavewijk. Hiermee wonnen we in 2017 samen met projectontwikkelaar BEMOG de tender van de gemeente Haarlem. Net zo divers als het landschap zijn de woonwensen: daarom realiseren we een gemixte woonbuurt met een grote variatie aan architectuur, woningtypen en woonoppervlaktes. Op het nog braakliggende grasveld tussen de Floris van Adrichemlaan en de Louis Pasteurstraat moeten in totaal 150 woningen verrijzen. In het Parkgebouw komen 47 huurappartementen, in het Singelgebouw 87 wooneenheden met verschillende typologieën: een woongebouw met respectievelijk 52 koopappartementen, achttien eengezinswoningen, veertien huurappartementen en drie specials. De zestien zelfbouwwoningen (in CPO) zijn ontworpen door Gubu architecten. Op de hoek van de Floris van Adrichemlaan en Louis Pasteurstraat komt op de begane grond in het Singelgebouw een commerciële ruimte, Donker Groen realiseert een gemeenschappelijke binnentuin en Rijnboutt creëert grote entreehallen. Deze dienen tevens als multifunctionele ruimtes waar bewoners elkaar ontmoeten en activiteiten kunnen organiseren. “Het sluit aan bij de thema’s van deze tijd: inclusiviteit, collectiviteit en duurzaamheid”, zegt architect partner Mattijs Rijnboutt.   Duurzame ambitie Dat het een duurzame wijk wordt, is een gemeenschappelijke ambitie van Rijnboutt, BEMOG en de gemeente Haarlem. “Daar worden hoge eisen aan gesteld,” weet Mattijs Rijnboutt. “Woningen worden aardgasvrij, beschikken over een warmtepomp, vloerverwarming en met PV-panelen wekken bewoners hun eigen energie op. Daarnaast hebben we gebruik gemaakt van toekomstbestendige bouwmaterialen zoals hout voor de afwerking op de begane grond van de woonblokken. De lichte kleurstelling van de bakstenen gevels met horizontale lijnen en de mooie detaillering van de toegepaste materialen, geven de gebouwen met royale raampartijen en verspringende, deels inpandige balkons, een hedendaagse, warme eigen identiteit als ensemble.” “Ook de half verdiepte parkeergarage met in totaal 130 parkeerplaatsen, geeft veel kwaliteit aan het openbare gebied tussen de woongebouwen”, vertelt de architect verder. Zo krijgt de binnenstraat van HAAVE een kindvriendelijke autoluwe inrichting; bestemmingsverkeer kan slechts in een richting een rondje rijden. Een groot deel van de bewoners beschikt over een eigen fietsenberging en er zijn twee inpandige collectieve fietsenstallingen. De koopappartementen boven de parkeergarage krijgen groene terrassen. Aan de zuidzijde van dit woonblok aan de Floris van Adrichemlaan komt een nieuwe gracht met woningen die de sfeer van Amsterdamse grachtenpanden uitstralen, compleet met trappetjes en een kademuur waarop bewoners bijna met hun voeten in het water kunnen zitten. Hier bloeien straks gleditsia’s met hun gele bladkleur, terwijl aan de straatkant iepen komen die geschikter zijn voor verharde omgevingen. Natuurinclusieve ambitie Vanuit een integrale ontwerpbenadering heeft Rijnboutt de kwaliteit van de buitenruimte weten te waarborgen met natuurinclusiviteit als ambitie. “We hebben veel aandacht besteed aan de overgang van de woningen naar de openbare ruimte en aan het verhogen van de natuurwaarde door zo min mogelijk verharding in de wijk te brengen. Veel groen en water zorgt ook voor sfeer en een gevoel van rust en natuurbeleving in een stedelijke omgeving”, aldus senior landschapsarchitect Marian Enders. Het plangebied is strak vormgeven langs de rechte ruggengraat van de doorgaande Amerikavaart aan de westzijde en de straat aan de oostkant. “Een ‘tapijt’ van rode baksteen klinkers geeft duidelijk de afbakening van deze nieuwe woonwijk aan. Daarop hebben we vier verschillende gebieden gecreëerd waarbij bomenrijen, kruiden en struiken per deelgebied variëren en aansluiten op de strakke uitstraling”, vertelt hij. Een aantal bestaande bomen moest worden gekapt, maar daarvoor is het dubbele aantal bomen – van elzen en iepen tot de ahorn en fruitbomen – teruggekomen. “De privéterrassen aan de westzijde van de koopappartementen in het Singelgebouw sluiten aan op het openbare gebied, aan de ecologische structuur en de brede oevers van de Amerikavaart. Dit hebben we nog aantrekkelijker gemaakt door een half verharde wandelpromenade te creëren die geflankeerd wordt door kruiden en bloemen. Ook komen er gekapte bomen te liggen die vogels en insecten aantrekken. We proberen de kwaliteit van wat er al aan natuur is zoveel mogelijk te behouden”, zegt Enders. “Dat inzicht passen we vaker toe: we laten delen van de natuur z’n gang gaan in plaats van dat we alles willen ontwerpen.” Park met wadi Bewoners van het Parkgebouw hebben uitzicht op het openbare park aan de noordzijde van de nieuwe wijk. Het gemeentelijk park wordt heringericht met onder andere nieuwe paden en beplanting, waarbij de diversiteit van de bestaande bomen wordt gekoesterd. Tussen de woonblokken hebben wij een wadi gecreëerd. Deze bufferings- en infiltratievoorziening verzamelt het hemelwater en zorgt dat het de kans krijgt in de grond te infiltreren. Wanneer de wadi vol is, loopt het water over naar de Amerikavaart. Voetgangers kunnen via blokken die tevens als speelobject dienen, over het water lopen. Er worden elzen aangeplant die goed tegen natte voeten kunnen. “Op deze manier wordt ingespeeld op klimaatveranderingen: een aantrekkelijk woongebied met veel groen is goed voor het microklimaat, door de bomenrijkheid wordt voldoende schaduw gecreëerd en de aanleg van een wadi zorgt ervoor dat het gebied is uitgerust om zware buien aan te kunnen”, weet Enders. “Zo vormt HAAVE een aanwinst voor de stad”, vat Mattijs Rijnboutt het project samen. Tekst: Viveka van de Vliet Visualisaties: Beeldenfabriek

“Opstappen is best verfrissend”

23 juni 2021

Het kwam voor velen als een totale verrassing in het maandagochtendoverleg: het vertrek van algemeen directeur Bart van der Vossen. Vijfentwintig jaar lang was hij een verbindende factor binnen Rijnboutt; nu gaat hij zijn maatschappelijke ambities buiten het kantoor verkennen. Hij laat het bureau met een gerust hart achter: “Ik ben Rijnboutt niet, Rijnboutt is zichzelf.”   Toen hij ging studeren was het een twijfelpunt: medicijnen of bouwkunde? “Ik heb vaak gedacht was ik maar huisarts geworden,” zegt Bart van der Vossen lachend. “Dan wordt je expertise tenminste erkend, althans door de meeste mensen. Als architect moet je voortdurend knokken voor erkenning van het vakmanschap en je positie bevechten. En het lastige is dat architecten nog steeds niet zo goed zijn in lobbyen.” Een blik op zijn staat van dienst als architect, partner en algemeen directeur bij Rijnboutt, wekt de indruk dat het hem toch aardig gelukt is. Ideale opdracht Vijfentwintig jaar Rijnboutt; hoe loop je daar in een uurtje doorheen? Van der Vossen praat liever over processen dan resultaten. Op verzoek noemt hij twee projecten die hem na aan het hart liggen. De eerste is de Ontmoeting in Amstelveen, een complex met een gevarieerde mix van woningen voor 55-plussers en zorg- en welzijnsvoorzieningen voor een breder publiek. Een samenwerking met aannemer De Nijs, midden in de financiële crisis. Van der Vossen: “Dat was de ideale opdracht in een gekke tijd. Toen we gingen pitchen in 2007 kwamen er voor ons twintig mannen in pak de deur uit: een enorm consortium van beleggers en financiers. En toen kwamen wij, Winfred de Nijs en ik. Winfred stond persoonlijk garant met zijn eigen jaarrekening die hij over tafel schoof. We wonnen, en hebben in de uitvoering op geen enkele manier op kwaliteit ingeleverd. Dat was het goede aan de kredietcrisis: alleen de mensen die echt moeite en energie in het realiseren van een project stopten kregen het voor elkaar.” Integrale teams Een “ideaal Rijnboutt-project” van recentere aard is de Kop van Cruquius in Amsterdam: de transformatie van een oud industriegebied naar gevarieerde woonwijk. Rijnboutt raakte er op een argeloze manier bij betrokken, maar dat groeide uit tot iets veel groters: een integrale opdracht van ontwikkelaar Amvest. “We kregen het stedenbouwkundig ontwerp, de gebouwen en het landschapsontwerp van de openbare ruimte en de daktuinen. Dat betekent een multidisciplinaire aanpak in integrale ontwerpteams, helemaal zoals we het graag willen. De gemeente ging vrij rigide om met het ontwikkelkader, dat hebben we ter discussie gesteld. Vervolgens hebben we samen stap voor stap een nieuw raamwerk gemaakt. Het wordt denk ik een heel mooie openbare plek, waar je lekker kunt eten in de avondzon en een minifestival kunt organiseren. En dan is het woonprogramma ook nog heel breed; alles zit erin.” Leermeester Terug naar het begin. Hij belandde in 1996 bij de Architectengroep – de voorloper van bureau Rijnboutt – onder de hoede van Kees Rijnboutt. “Kees was een mooie leermeester, ik heb heel veel van hem geleerd. Na zijn Rijksbouwmeesterschap heeft Kees iets bijzonders gedaan voor het vak. Hij begon workshops gebiedsontwikkeling te organiseren, waarbij hij alle verschillende disciplines die daarbij komen kijken met elkaar aan tafel zette. Dat was vrij nieuw.” Het plantte een zaadje dat uitgroeide tot een overtuiging over het belang van interdisciplinair samenwerken. “Ik had in mijn opleiding nooit met landschapsarchitecten gewerkt; bij Rijnboutt ontmoette ik Peter Lubbers. Ik stond versteld toen die zich frank en vrij met de stedenbouw en architectuur begon te bemoeien, hij ging zonder gêne over de scheidslijnen van de vakgebieden heen. Ik vond dat heel erg inspirerend. Door landschapsarchitecten vanaf de start te laten meewerken in het ontwerpteam, ontstaat meer rijkdom en gelaagdheid in de plannen.” Zinderend Die vruchtbare samenwerking met andere bloedgroepen is een terugkerend thema in het verhaal van Van der Vossen. Hij is blij dat ze bij Rijnboutt landschapsarchitecten, stedenbouwers én architecten in kantoor hebben. Hij is er trots op dat er onder zijn leiding een cultuur is gecreëerd waarin iedereen elkaar scherp houdt en inspireert. Die werkgemeenschap vindt hij het mooiste aan het bureau. Hij beschrijft de opluchting toen ze weer mensen konden aannemen na de financiële crisis: jonge schoolverlaters. “Toen begon Rijnboutt weer te bruisen, het was echt fantastisch om te zien wat voor ontwerpkracht daaruit voortkwam. Alles wat met duurzaamheid en gezond leven te maken heeft is vol op de agenda gezet. Er is nu een waanzinnig levendige en diverse groep mensen die elkaar voortdurend beïnvloeden, die er verschillende ontwerpopvattingen op nahouden en continu bevragen waar we mee bezig zijn. Dat heeft iets moois dynamisch.” Als aanvoerder van die club vond hij het belangrijk om iedereen een stem te geven, ook de nieuwkomers: “Jonge mensen hebben heel veel ideeën, op het moment dat ze die ook mogen ventileren, gaat het zinderen.” Leren luisteren Zonder in managementtaal te vervallen, vertelt Van der Vossen hoe hij een visie op leidinggeven heeft ontwikkeld in de loop der jaren. In de Comenius Leiderschapsleergang die hij volgde aan de Rijksuniversiteit Groningen realiseerde hij zich pas dat hij goed was in het aansturen van professionals. “Die hebben een intrinsieke motivatie om goede dingen te maken. Daarmee hebben ze niet zo veel management nodig, maar wel leiding. Je zou het een soort bescheiden of dienend leiderschap kunnen noemen.” Hij heeft een analytisch oog, ziet wat de kwaliteit van mensen en producten is, laat ze graag zelf beslissen. En hij kan rust in een organisatie brengen. “Ik heb in de jaren bij Rijnboutt heel goed leren luisteren. Mijn grootste valkuil is mijn ongeduld, daar werden bij mijn afscheid nog veel grappen over gemaakt. Ik heb geleerd om langer te wachten, dat levert meer op.” Tegelijkertijd roemde creatief directeur Frederik Vermeesch de gave die Van der Vossen ontwikkeld heeft om vertraagd een mening vormen, waardoor er ruimte ontstaat voor anderen om in te stappen en deel te zijn van het proces. Van der Vossen: “Dat gaat over Socratische gespreksvoering. Je mening uitstellen en zo lang mogelijk vragen blijven stellen om daarmee tot de kern van de zaak te komen. Ontwerpgesprekken moeten een dialoog zijn en géén debat. Anders kom je niet verder.” Stedenbouwer De lol zit voor hem vooral in het complexe proces dat voorafgaat aan de daadwerkelijke realisatie van een gebouw. “Je hebt architecten die een oeuvre opbouwen, die vooral oog hebben voor het eindproduct. Ik beleef meer plezier in het traject ernaartoe.” Collega Jan van Grunsven heeft weleens gezegd dat Van der Vossen eigenlijk meer een stedenbouwer is dan een architect. “Dat vind ik een compliment,” zegt Van der Vossen. “Ik ben ook helemaal geen estheet. Neem nou Zonnehuis Theresia, een woonzorggebouw dat ik heb ontworpen in Ouderkerk aan de Amstel. Dat is geen spectaculair ontwerp, maar wel heel zorgvuldig gemaakt in overleg met de gebruikers. De zorgverleners die daar werken zeggen dat ze het een supergoed gebouw vinden. Dan ben ik tevreden.” Hij gaat graag even kijken of de gebouwen waaraan hij gewerkt heeft goed gebruikt worden, om te checken of wat op papier bedacht is ook echt werkt. Iets wat je volgens hem vaak al kunt zien aan de buitenkant: wat goed onderhouden wordt, zit meestal wel goed. Dood in de pot Twee jaar geleden begon het te knagen. De verantwoordelijkheid voor een kantoor van negentig mensen begon zwaar te voelen. Hij heeft moeite met de verharding en commercialisering van de woningmarkt. Met het feit dat aannemers steeds vaker de uitvoeringstekeningen maken. Dat noemt hij de dood in de pot. “We moeten ervoor waken dat architecten straks alleen nog maar de gevel tekenen, en dat daarachter altijd een standaard woningplattegrond zit.” Hij merkte dat hij zijn werk als supervisor van Over-Amstel en voorzitter van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam en het Ruimtelijke Kwaliteitsteam Waalsprong in Nijmegen leuker begon te vinden dan het werk voor kantoor. Niet alleen omdat hij daar invloed kan uitoefenen op de kwaliteit, maar ook vanwege de bredere scope en de interdisciplinaire samenwerking. “Ontwerpers zijn toch een beetje fanaten. De mix met andere bloedgroepen maakt het rijker.” Ansichtkaart Tijdens de Comenius-leergang analyseerde hij de vraag die hem bezighield: wil ik tot mijn pensioen bij Rijnboutt blijven of wil ik het loslaten? Dat het dat laatste is geworden kwam voor velen als een schok. “Ik vond het wel lastig dat het door corona zo stil was op kantoor. Normaliter had ik iedereen allang bij het koffieapparaat verteld wat er speelde. Ik heb alle medewerkers een ansichtkaart gestuurd met een persoonlijke boodschap.” Op zijn website staat te lezen dat hij zich in de toekomst als directeur of bestuurder wil inzetten voor een maatschappelijke organisatie. Dat betekent niet de sector verlaten, maar er een maatschappelijker invulling aan geven, als directeur van een woningcorporatie of erfgoedinstelling bijvoorbeeld. Maar het kan nog alle kanten op – niet te snel beslissen, weet hij uit ervaring. Een maand na zijn afscheid heeft hij een prima gevoel over zijn vertrek. “Wat ik heel erg aan Rijnboutt ga missen zijn de mensen die me zeer dierbaar zijn. Maar voor de organisatie is het best verfrissend als een leider opstapt. Dat brengt vernieuwing, dat zie je nu al gebeuren. En ik ben Rijnboutt niet, Rijnboutt is zichzelf. Die organisatie stáát gewoon, ze hebben mij helemaal niet nodig.” Tekst: Willemijn de Jonge Foto’s: Ineke Oostveen Visualisatie Kop van Cruquius: Rijnboutt en Zes x Zes

Karianne Vandenbroucke en Marleen van Driel benoemd tot associates

19 april 2021

Per 1 april zijn senior architect erfgoed Karianne Vandenbroucke (l) en senior architect duurzaamheid Marleen van Driel (r) benoemd tot associate. Door de benoeming van de twee associates wil Rijnboutt ruimte maken voor verdere ontwikkeling van de vakdisciplines erfgoed en duurzaamheid. Samen met de partners en collega-associates zetten Karianne en Marleen zich in voor de strategische ontwikkeling en de groei van de portefeuille van ons multidisciplinaire ontwerpbureau.   Karianne Vandenbroucke “De verduurzaming van cultureel corporatiebezit wordt de komende jaren een interessante opgave. De cultuurhistorische waarde zit hem vooral in de dierbaarheid van de wijken en moet daarom op stedenbouwkundig niveau worden opgepakt. De verduurzaming en het up-to-date brengen van het comfort spelen zich juist af op gebouwniveau, in de individuele woning. Het is een seriematige, maar ook een heel persoonlijke opgave en gaat tegelijkertijd over cultuurhistorische en maatschappelijke verduurzaming. Alles komt hier samen en de noodzaak is hoog.” Sinds haar aanstelling bij Rijnboutt in 2016 werkte Karianne onder meer aan Post Utrecht aan de Neude in Utrecht en het voormalige hoofdkantoor van de Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Met haar werk aan deze projecten en de dialoog die ze met het team voert over herbestemming, levert Karianne een belangrijke bijdrage aan de expertise van Rijnboutt op omgang met erfgoed en identiteit. Uit de verschillen en overeenkomsten tussen de herbestemmingsprojecten bij Rijnboutt en haar eerdere ervaring als restauratiearchitect bij Vereniging Hendrick de Keyser haalde zij de inspiratie voor haar boek ‘Mag dit weg’, dat in 2020 verscheen. Karianne zet zich in voor onderwijs op het raakvlak van architectuur en erfgoed. Zo geeft ze gastlezingen aan verschillende onderwijsinstellingen, is ze bestuurslid bij de ErfgoedAcademie en doceert ze sinds januari 2021 aan de TU Delft Bouwkunde bij de sectie Heritage & Design. Marleen van Driel “Niet eerder werd de noodzaak van een duurzaam ruimtegebruik in Nederland zo gevoeld. De gevolgen van klimaatverandering, de energietransitie, de nieuwe woningschaarste, de transformatie naar een circulaire maatschappij, spreken voor zich. Elke bouwopgave is relevant. Als groot, multidisciplinair ontwerpbureau hebben we de kracht en kennis om ons tot deze maatschappelijke urgentie te verhouden. Daar wil ik me met het hele team volledig voor inzetten.” Sinds 2019 neemt Marleen het team van Rijnboutt mee in de mogelijkheden om duurzaam te ontwerpen met de nadruk op kwaliteit, uitvoerbaarheid en verbinding. Zo werkt ze onder meer aan Merwede in Utrecht en presenteerde ze in 2020 een toekomstvisie voor Panorama Lokaal Julianadorp. Naast haar werk aan projecten is Marleen redactielid van Rijnboutt Magazine. In 2020 verscheen de twaalfde editie ‘Een nieuw klimaat. Later is nu’. Marleen doceert sinds enkele jaren aan de TU Delft Bouwkunde voor de ontwerpstudio EXTREME Architecture. Eerder heeft ze bij Benthem Crouwel Architekten ruime ervaring opgedaan met complexe opgaven. Foto’s: Ineke Oostveen

Mens, ga tuinieren

07 april 2021

“En dus scharrel ik deze stille dagen maar wat rond in en om het huis, waarbij een mens kennelijk vanzelf aan het tuinieren slaat.” Zo vatte Volkskrant-columnist Ibtihal Jadib begin mei haar leven in tijden van corona samen, en ongetwijfeld dat van veel mensen in Nederland. Thuiswerkend, etend, lerend, sportend werd de tuin de toevlucht van velen, met recordomzetten voor de tuincentra. De pandemie lijkt daarmee een trend te versnellen die al langer zichtbaar is.   Waar tuinieren eerst als een tijdverdrijf van oudere mensen werd gezien, is het in dit millennium geleidelijk uitgegroeid tot een hype. Niet alleen Michelle Obama liet zich trots tussen haar venkelbollen en courgettes vastleggen, talloze Instagrammers delen inmiddels hun tips en adviezen om het eigen balkon, tuin of vensterbank tot een groene oase of moestuin om te toveren. Door de grote media-aandacht lijkt het soms alsof tuinieren niet veel meer inhoudt dan af en toe water geven. Maar wie ooit zelf geprobeerd heeft om een stukje groen in leven te houden, weet dat niets minder waar is. Er moet bemest, geharkt, gesnoeid, gezaaid en geplant worden – en alles in het goede jaargetijde. Er moet worden gelet op luizen, muizen, slakken en schimmels. Of er is te veel of te weinig water, zon of wind. We lijken er niet vaak bij stil te staan dat tuinieren een zekere kennis en affiniteit vereist, die vandaag de dag helemaal niet vanzelfsprekend is. Een beknopte geschiedenis van de tuinkennis In de agrarische en vroegstedelijke samenleving hoorde tuinieren bij de dagelijkse huishoudelijke taken. Het was dan ook vaak vrouwenwerk en een vaardigheid die vaak van moeder op dochter werd doorgegeven. Naarmate steden groeiden en er zich een rijkere middenklasse vormde die dit soort werk kon uitbesteden, werd de traditionele kennis van tuinieren beperkt tot een groep van professionele tuinmannen, slechts zelden tuinvrouwen. Bovendien werd het in dichtbevolkte steden voor de meerderheid van de werkende bevolking onmogelijk om een eigen tuin te bezitten. In plaats daarvan werden fruit en groente vanuit elders naar de stad gebracht. Tegelijkertijd werd tuinkennis vaker door middel van boeken, en vanaf de late 18e eeuw ook door tijdschriften verspreid, waarmee de mondelinge overdracht van deze kennis binnen het huishouden afnam. Om de ruimtelijke en ideologische afstand tussen mens en natuur te verminderen, legde men vanaf de tweede helft van de 18e eeuw publieke parken of Volksgärten aan, die de stedelingen uitnodigden tot wandelen en reflectie. Van tuinieren was natuurlijk geen sprake in deze ‘schone natuur’. De vanzelfsprekende dagelijkse omgang met groen, die bij tuinieren hoort, zijn wij als samenleving op deze manier in de laatste tweehonderd jaar bijna volledig kwijtgeraakt. De tuin als leerschool Ook al willen wij allemaal groenere steden, een gedegen kennis van tuinonderhoud lijkt wat overbodig voor stedelijke bewoners, die immers zelden een eigen tuin tot hun beschikking hebben. Maar tuinkennis is goed beschouwd niet alleen van waarde voor degene die zelf met de handen in de aarde wroet. Sterker: om jezelf een tuinier te voelen, is een eigen stuk grond misschien niet eens vereist. De Amerikaanse auteur Michael Pollan constateert dat ‘tuinieren’ vooral draait om een specifieke natuurethiek. Volgens hem komt het ‘tuinier zijn’ overeen met het besef dat er in het Antropoceen geen natuur bestaat die niet door de mens is beïnvloed. Wie tuiniert, neemt verantwoordelijkheid voor deze invloed en begint een ‘actief gesprek’ met de natuur. Dit in verschil tot de passief-romantische houding, die kenmerkend is voor de moderne samenleving. Tuinieren betekent niet alleen natuur bewonderen, maar vraagt vooral om een interactie in de vorm van het observeren, begeleiden en bewust omgaan met natuur (uit Michael Pollan, “The Idea of a Garden in: Second Nature: A Gardener’s Education, Atlantic Monthly Press, New York 2003). Het idee dat de mens door zijn werk in de tuin belangrijke lessen kan opdoen is beslist niet nieuw. De 18e-eeuwse filosoof Jean-Jacques Rousseau beschouwde tuinieren als een essentieel onderdeel van de opvoeding. In het begin van de 19e eeuw verschenen in Duitsland de eerste zogenoemde Kindergärten: kleuterscholen waar elk kind een eigen tuinperk kreeg om te cultiveren. Ook de Amsterdamse Schooltuinen, die in 2020 honderd jaar bestonden, passen in deze traditie. Gedurende een jaar krijgen scholieren van groep 6/7 hier toegepaste natuureducatie en hun eigen stukje tuin om te verbouwen. De gemeente heeft de ambitie om dit programma uiteindelijk toegankelijk te maken voor scholieren van alle leeftijden. Kennelijk heeft de tuin als onderwijsomgeving ook vandaag nog een enorm potentieel. Naast ethische lessen, biedt tuinieren ook een aantal praktische inzichten. Wie langere tijd tuiniert, leert over de rol van insecten en micro-organismen in het ecosysteem, over de circulatie van voedingsstoffen, over het belang van een gezonde bodem, maar ook over de nu al zichtbare gevolgen van klimaatverandering, om maar een paar dingen te noemen. Deze kennis zou juist in een tijdperk als het onze, waarin ecologisch verval overal ter wereld de realiteit is, tot de absolute basisopvoeding van ieder mens moeten horen. De verdere uitbreiding van schooltuinprojecten is hiervoor een belangrijke stap. Een stad wordt tenslotte pas echt groen als de hierbij behorende waardes zich ook in de hoofden van zijn bewoners nestelen, en vooral in die van de jongste generatie. Juist een stedelijke samenleving zou door het verdiepen van haar tuinkennis een cruciale stap richting een duurzame toekomst kunnen zetten. Minder ‘schoon’, meer ‘nuttig’: ontwerpen voor een duurzame samenleving De visie van een ‘stad van tuiniers’ vraagt, naast basale tuinierskennis bij de bewoners, ook om een essentiële bijdrage van stedenbouwkundigen en (landschaps-)architecten. Terwijl openbaar groen al sinds de vroegmoderne tijd een belangrijk aandachtspunt in de stedenbouw is, is de traditionele verwachting onder ontwerpers dat het tuinieren uitsluitend achter het eigen hek mag plaatsvinden. In werkelijkheid zijn juist deze grenzen tussen privaat en publiek groen in steden als Amsterdam geleidelijk aan het verdwijnen omdat bewoners zelf voor gevel-, stoep- en boomtuinen zorgen en zo het stadsbeeld mede vormgeven. Deze ontwikkelingen nodigen uit tot een andere inrichting van openbaar groen, waarbij naast de scheiding tussen privaat en publiek groen ook de tegenstelling tussen ‘schone’ en ‘nuttige natuur’ opgeheven wordt. Het concept van het publieke groen als een ruimte die, in tegenstelling tot de tuin, juist niet bedoeld is voor het eigen gebruik, lijkt diep verankerd in onze huidige samenleving en ontwerpcultuur. Wij zien gemeenschappelijke groengebieden vooral als decoratieve achtergrond voor de wandelende, sportende of spelende stedeling. Dit is het resultaat van een historisch proces, waardoor het de mens is afgeleerd om zich publiek groen op een andere manier eigen te maken. Gedurende de 18e en 19e eeuw verschenen er overal in Europa en Noord-Amerika speciale parkwetten die het de bevolking verboden om hout te verzamelen, bloemen te plukken of fruit en noten op te rapen. Om dit gedrag verder in te dammen en de esthetische waardering van natuur te bevorderen, paste men ook de beplanting aan. Het Fairmount park in Philadelphia bijvoorbeeld, kende in zijn oorspronkelijke 19e-eeuwse ontwerp een aantal notenbomen. Eén keer per jaar waren deze bomen het feestelijke middelpunt van de zogenoemde nutting day, een dag waarop alle kinderen uit de stad samenkwamen om de noten in het park te verzamelen. Om een einde te maken aan de economische exploitatie van het park, werden deze bomen uiteindelijk omgehakt. Vandaag de dag zijn we niet verbaasd dat er in het Vondelpark geen fruitbomen staan. Maar zoals de bijdrage over een Haarlemse notenboom elders in dit magazine laat zien, heeft juist de eetbare natuur de potentie om ruimtes op een nieuwe, onverwachte manier te verlevendigen en om nieuwe sociale rituelen te creëren. Om tuinkennis en ‘tuinethiek’ onder stedelingen te bevorderen, zou het openbare groen weer ‘nuttige natuur’ moeten tonen. De groeiende aandacht in de landschapsarchitectuur voor voedselbossen lijkt een stap in de goede richting. Maar het is ook duidelijk dat succesvolle ontwerpen van publiek groen niet meer alleen aan de tekentafel kunnen ontstaan. Neem bijvoorbeeld het project Bloei & Groei, dat in 2018 in de Venserpolder een aantal moestuinen voor vrouwelijke buurtbewoners aanlegde en de vrouwen met behulp van ‘tuincoaches’ in het onderhoud van de tuinen ondersteunt. Gebouwd in de jaren tachtig, behoort de architectuur van de Venserpolder tot de modernistische typologie van compacte woonblokken met veel landschappelijk groen eromheen. Zoals in veel vergelijkbare woningbouwprojecten bleken de groengebieden weinig toegevoegde waarde voor de bewoners te hebben en eerder een oorzaak van sociale problemen te zijn. Door hier voor het eerst ‘nuttige natuur’ aan te leggen, heeft Bloei & Groei een belangrijke bijdrage geleverd aan de sociale cohesie van de wijk. Als de ambitie, naast ecologische, ook sociale duurzaamheid is, zal van ontwerpers een andere betrokkenheid vereist zijn, waaronder een nauwere samenwerking met bewoners, wijkwerkers en non-profit organisaties. Ontwerpen voor gemeenschappelijk groen zullen op een grotere mate van individuele toe-eigening moeten anticiperen, en daarmee de stedeling uitnodigen om als een ware tuinier zijn betrokkenheid bij de natuur de koesteren. Want bekwame tuiniers is wat de stad weer nodig heeft. Dit artikel is geschreven voor Rijnboutt Magazine #12 Een ander klimaat (oktober 2020). Liever een fysiek exemplaar in handen? Mail naar press@rijnboutt.nl Tekst: Antonia Weiss Foto van de Schoolwerktuinen in Amsterdam (1952): Jan Peeterse (AD/DPG Media) Houtsnede van een tuinman (16e eeuw): Hans Weiditz Prent van de Tiergarten in Berlijn (1772): Daniel Nikolaus Chodowiecki (Rijksmuseum)

“De bouwwereld zal een renovatiesector worden”

18 maart 2021

Om de omslag naar een duurzame en circulaire bouwsector voor elkaar te krijgen, moeten architecten en bouwbedrijven afscheid nemen van vertrouwde praktijken. Volgens hoogleraar Derk Loorbach zijn innovatieve technieken en werkwijzen – die nu nog te weinig aandacht krijgen – nodig om traditionele partijen uit hun comfortzone te halen. “De bouwwereld zal een renovatiesector worden, zonder het gebruik van fossiele grondstoffen en ruwe materialen.”   Het Zoomgesprek is nog maar enkele minuten oud als Derk Loorbach, hoogleraar Sociaal-economische Transities aan de Erasmus Universiteit en directeur van onderzoeksbureau Drift, gesprekspartner Marleen van Driel een gewetensvraag stelt. “Hoe komt het dat jij opdrachtgevers en collega’s nog steeds moet overtuigen van de noodzaak om duurzaam te bouwen?” Een goede vraag, vindt architect Van Driel, die binnen Rijnboutt duurzaamheid in haar portefeuille heeft. “Ik heb het gevoel dat we het als vak- en bouwwereld nog niet verinnerlijkt hebben, dat we nog te veel op de automatische piloot ons werk doen. En laten we wel wezen, we zitten in een conservatieve branche, waar financiële modellen de dienst uitmaken. Het voelt als het bijsturen van een groot schip.” Loorbach knikt. “In het transitiemanagement heet dat schip een ‘regime’, en dat regime is als een comfortzone. We zijn gewend geraakt aan hoe we de dingen doen. En die gewenning is diep verankerd: in opleidingen, procedures, aanbestedingsregels, marktstructuren en organisaties. Verandering vereist dat we de comfortzone verlaten.” Stijgende verbazing En dat is lastig, vervolgt Loorbach. “Bij verandering, zeker als die lijkt te zijn opgelegd, schieten we in een behoudende reflex. We zijn routinewezens en transities brengen tal van onzekerheden met zich mee. Een handjevol ondernemers vindt dat misschien leuk, maar de meesten van ons niet.” Aanleiding voor het gesprek met Loorbach – een veelgevraagd spreker op congressen in binnen- en buitenland – was een lezing die hij gaf op een bijeenkomst over stikstofvrij bouwen. Daar hoorde Van Driel hem zeggen dat we ondanks hoge ambities en de toegenomen aandacht voor circulair en anders bouwen maar bar weinig voor elkaar krijgen. “Ik vond het een boeiende en herkenbare analyse,” blikt Van Driel terug. “Het hangt in de lucht en we hebben het er steeds over, maar daadwerkelijk gebeurt er nauwelijks iets.” Loorbach lacht. “Na die lezing kreeg ik het verwijt cynisch te zijn, negatief. Maar ja, als we al veertig jaar praten over gezond bouwen, over energieleverende woningen, over transitieagenda’s, dan kijk je toch met stijgende verbazing naar al die bouwers die onder leiding van Maxime Verhagen (voorzitter van Bouwend Nederland, red.) op het Malieveld protesteren tegen de stikstofregels.” Optimalisatie Die stikstofcrisis laat zien dat het ‘regime’ van de bouwwereld – en de comfortzone waarin bouwbedrijven zich bevinden – niet langer vol te houden is. “Kijk, de bouw heeft zijn wortels in de wederopbouwperiode en sindsdien draait de branche simpel gezegd om het draaien van productie. Maar de omstandigheden zijn veranderd. Het gaat niet langer om het huisvesten van een groeiende bevolking, en bovendien zijn we veel meer waarde gaan hechten aan duurzaamheid. De focus op productie en aantallen heeft zijn langste tijd gehad.” Van Driel merkt op dat we het huidige woningtekort op eenzelfde manier lijken in te vullen. Loorbach: “Zeker, maar waar zijn de aantallen die rondzingen op gebaseerd? Elk kabinet zegt dat er een tekort is en dat er gebouwd moet worden. De hele industrie is gebaat bij bouwen, bouwen, bouwen. Terwijl je de woningvraag ook als een herverdelingsvraagstuk kunt zien. Waarom verplaatsen we de werkgelegenheid niet naar gebieden waar veel gebouwen leegstaan?” Circulaire renovatiesector Natuurlijk blijft het bouwen van woningen de kerntaak, maar de manier waarop zal fundamenteel anders zijn. De bouwwereld zal voornamelijk een renovatiesector worden, waarin circulaire principes leidend zijn. Een sleutelrol is weggelegd voor nieuwe concepten en praktijken die buiten het regime ontstaan. “Dat zijn in beginsel niches, maar die worden langzaamaan volwassen en groeien uit tot kiemen van verandering. Het is de kunst om die niches op het juiste moment te empoweren, door ze te verbinden, door kennisuitwisseling en door experimenten met bouwtechnieken en andere materialen financieel te ondersteunen. Het is van belang dat de overheid een gelijk speelveld creëert. Door aanbestedingsregels aan te passen, door aan bouwprojecten duurzame eisen te stellen en door nieuwe technieken, die vaak duurder zijn, een eerlijke kans te geven.” Als de niches volwassen worden, zo luidt Loorbachs redenering, worden ze vanzelf interessant voor traditionele partijen. “Die zien vroeg of laat in dat bestaande werkwijzen tegen grenzen aanlopen. Die experimentele nichepraktijken, die lange tijd als alternatief en marginaal werden afgedaan, bieden ineens kansen. Er is een markt voor, bedrijven kunnen zich ermee onderscheiden.” Betere samenleving Dan komt de vraag op tafel of transities ook langzaam gaan omdat een zogenoemd ‘vooruitgangsverhaal’ ontbreekt. Leggen we niet te veel de nadruk op wat al die veranderingen ons gaan kosten, in plaats van wat ze ons op de lange termijn kunnen opleveren? Daar lijkt het aldus Loorbach wel op. “In historische transities voert het streven naar betere levensomstandigheden de boventoon: hygiëne in steden, democratische vernieuwing, iedereen een gasaansluiting, noem maar op. Natuurlijk gingen die veranderingen gepaard met strijd en tegenstand, maar dat gevecht draaide wel om het realiseren van een betere samenleving.” “Vechten we daar nu niet meer voor?” wil Marleen van Driel weten. “Het is inmiddels toch wel duidelijk dat op deze voet doorgaan desastreuze gevolgen heeft.” “Jawel,” antwoordt Loorbach, “maar dat kunnen we ons maar moeilijk voorstellen. We hebben het immers zo goed, dat er nauwelijks nog wat te wensen valt. Transities worden geframed als overheidsprojecten, waar kosten-batenanalyses op worden losgelaten. Dan blijkt dat van het gas afgaan best veel geld kost en roepen politieke partijen dat we het dan maar niet moeten doen.” Desondanks ziet Loorbach in de experimenten en initiatieven die buiten de regimes ontstaan een vooruitgangsverhaal waarin de contouren van een nieuw en beter regime stap voor stap zichtbaar worden: circulair, gezond, energieneutraal, natuurinclusief. “De laatste fase is dat innovatieve concepten en praktijken de norm worden. Dus ja, afscheid nemen van intensieve veehouderij, fossiele energie en beton als bouwmateriaal.” Groene elites De coronacrisis laat zien dat we best kunnen veranderen als het moet. Toch is dat vooral op individueel niveau, meent Loorbach. “Ik geloof dat gezonder eten en een dagelijkse wandeling nog wel vol te houden zijn. Maar voor maatschappelijke veranderingen moeten structuren op de schop: hoe zaken georganiseerd zijn, hoe procedures verlopen.” Dat burgers dit zelf kunnen afdwingen, maakt Loorbach mee in zijn thuisstad Rotterdam, waar gepoogd wordt om voetgangers en fietsers meer ruimte te geven. “De gemeente vindt dit ontzettend lastig. Maar wat blijkt: als mensen zelf stoepen claimen of parkeerplekken herinrichten, dwingen ze zo’n structuurverandering af.” Over burgers gesproken, critici menen dat de transitie naar duurzame energie sociale segregatie in de hand werkt, omdat kort gezegd alleen welgestelde mensen de omslag kunnen betalen. Loorbach ontkent dit risico niet, maar roept overheden ook op om het werk van ‘die groene elites’ te koesteren. “Zij kunnen helpen iets in gang te zetten waar straks iedereen van profiteert.” Alternatieve toekomsten In Rotterdam pleitte Loorbach met anderen ervoor om alle bewoners van sociale huurwoningen een nieuwe koelkast en wasmachine te geven, onder meer door met Miele of Siemens circulaire leasecontracten af te sluiten. “De uitstoot van CO2 zal dan enorm dalen, de investeringen heb je er zo uit. Ik begrijp niet dat geen enkele politieke partij hiermee aan de slag gaat.” Ook uit Rotterdam komt het idee voor een stadsdekkend deelsysteem voor elektrische auto’s, scooters en bakfietsen – waar elke inwoner automatisch lid van is. “Technisch kan het, de voordelen zijn enorm: schonere lucht, een voetgangersvriendelijke openbare ruimte, enzovoorts. En toch lukt het niet, omdat de gemeente, ondanks dat ze de kracht van het voorstel ziet, het niet krijgt uitgevoerd, door aanbestedingsregels enzovoort. Terwijl ik denk: over tien jaar is dit systeem er gewoon, maar tot die tijd schaffen mensen nog wel een benzineauto aan.” Dan: “Dat is het hele punt. Zo’n gemeente kan zich maar moeilijk voorstellen dat zo’n rigoureuze verandering echt wel mogelijk is.” Van Driel: “Daar komen ontwerpers om de hoek kijken, want zij zijn – niet in de laatste plaats volgens henzelf – in staat om het onvoorstelbare voorstelbaar te maken.” Loorbach is het daar niet mee oneens, maar plaatst wel een kanttekening. “Het scheppen van alternatieve toekomsten is waardevol, maar ik merk dat vooral de weg ernaartoe bij veel mensen vragen oproept. Hoe komen we daar dan?” Voor Van Driel is dit zeer herkenbaar. “Hoe bereiken we de toekomst die we zelf schetsen?” Volgens Loorbach is het essentieel om er “morgen al” mee te beginnen. “Door het te doen, krijg je mensen mee. Maak pilots of proeftuinen binnen een groter idee. Creëer een omgeving met degenen die zelf ook willen veranderen en probeer niet om anderen ergens van te overtuigen. Vertrouw erop dat ook die uiteindelijk mee zullen gaan.” Hij sluit af met een laatste tip. “Het helpt om in ontwerpscenario’s disrupties als uitgangspunt te nemen. In het geval van een eurocrisis of pandemie snapt iedereen dat zaken anders moeten. De omgekeerde weg helpt ook: we kunnen ons niet voorstellen dat over twintig jaar alles nog steeds is zoals nu.” Dit artikel is geschreven voor Rijnboutt Magazine #12 Een ander klimaat (oktober 2020). Liever een fysiek exemplaar in handen? Stuur dan een mail naar press@rijnboutt.nl Tekst: Mark Hendriks Deelnemer gesprek: Marleen van Driel Fotografie: Ineke Oostveen

“Dit is niet ambities stapelen, het is werken aan de ideale stad”

01 maart 2021

Als een van de eerste steden ter wereld heeft Amsterdam gekozen voor het model van de Donuteconomie. In haar boek Doughnut Economics (2018) rekent de Britse econome Kate Raworth af met traditionele economische modellen die hebben gezorgd voor extreme ongelijkheid, financiële crises en een alarmerende aantasting van ons ecosysteem.   Raworth’s Donutmodel is gebaseerd op de aarde als eindig systeem en heeft een circulair karakter. De binnenste ring visualiseert de ondergrens voor basisvoorzieningen waaronder gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting. De buitenste ring staat voor het ecologisch plafond of wat we van de aarde kunnen vragen. Kort gezegd richt het Donutmodel zich op volwaardige leefomstandigheden voor alle mensen binnen de ecologische draagkracht van de aarde als geheel. Maar hoe zet je zo’n mondiaal model in werking? Het eenvoudige antwoord is: door ergens te beginnen. Amsterdam ging die uitdaging aan en zet inmiddels de eerste stappen. We spraken met Marieke van Doorninck, wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid over hoe Amsterdam eruit gaat zien als Donutstad en wat dit betekent voor de architectuur en ruimtelijke ordening van Amsterdam. Wordt Amsterdam de eerste Donutstad ter wereld? “Met de Strategie Amsterdam Circulair hebben we hiervoor in elk geval een belangrijke stap gezet. Die moet er namelijk voor zorgen dat Amsterdam in 2050 een volledig circulaire stad is. Met het model van de Donuteconomie van Kate Raworth kunnen we dat meer lading geven. Want ‘circulair’ is niet zomaar het nieuwste buzzwoord, het houdt in dat je op een wezenlijk andere manier omgaat met consumeren en produceren. “Het mooie aan de Donuteconomie is dat het een alomvattend raamwerk biedt waarin ecologische en sociale doelen samenkomen. En dat klopt weer helemaal met de signatuur van dit college van burgemeester en wethouders dat duurzaamheid en sociale inclusie als speerpunten heeft gekozen. Maar hoewel het college het model van de Donuteconomie heeft omarmd, zijn we nog niet zover dat we in Amsterdam ons hele beleid volgens de beginselen van de Donut kunnen uitvoeren. De circulaire strategie is het begin. Daarbij heeft de coronacrisis gezorgd voor extra momentum. Het besef dat we de maatschappij anders moesten gaan inrichten, was tijdens de lockdown groter dan ooit. Iedereen ging nadenken over de waarde van dingen. Over de hoeveelheid spullen die we hebben bijvoorbeeld, over het belang van gezondheid en over de manier waarop we effectief stappen kunnen zetten om klimaatverandering tegen te gaan. De teneur was: hé, het kan echt anders en laten we daar dan ook nu mee beginnen. “Het werd duidelijk hoe kwetsbaar de regio Amsterdam eigenlijk is met zijn vrij eenzijdige diensten- en bezoekerseconomie. Een circulaire economie kan Amsterdam weerbaarder en veerkrachtiger maken en is ook minder gevoelig voor de conjunctuur. Daarin staat productie centraal en wordt gewerkt in korte, gesloten ketens waarin grondstoffen telkens worden hergebruikt. Nu zie je dat grondstoffen nog over de hele planeet worden versleept om er met inzet van de goedkoopste arbeid nieuwe producten van te maken, die niet lang daarna weer in de verbrandingsoven belanden. Een circulair model betekent dat we veel intelligenter omgaan met onze grondstoffen, dat vervoersbewegingen worden geminimaliseerd en dat arbeid weer terugkomt in de regio. “Ook gaan we een heel ander soort bedrijvigheid zien, veel meer gericht op herstel en refurbishment. Het mooie aan de circulaire economie vind ik dat die ruimte biedt voor verschillende soorten werk. Je hebt de mensen die heel technisch bezig zijn in bijvoorbeeld start-ups, maar ook de mensen die het handwerk doen. Er moet bedacht worden hoe je producten technisch slim in elkaar zet zodat ze lang meegaan en geschikt zijn voor reparatie en recycling, maar je hebt net zo hard de mensen nodig die reparaties uitvoeren of de producten uit elkaar halen. Daar zit vrij veel werkgelegenheid in. Je kunt hiervoor recyclecentra combineren met ambachtelijke bedrijven. Veel kun je lokaal doen. En de arbeid die niet lokaal maar internationaal wordt verricht, zal in ieder geval duurzaam moeten zijn – zowel in economisch als ecologisch opzicht.   Het Donutmodel richt zich op een combinatie van ecologische en sociale doelen. Hoe krijgt dat vorm in de stedelijke omgeving van Amsterdam? “Hiervoor is de Groenvisie die de gemeente Amsterdam onlangs heeft gepresenteerd een belangrijk instrument. Hoewel deze visie niet specifiek vanuit de Donutgedachte is ontwikkeld, levert ze wel belangrijke bijdragen op zowel sociaal als ecologisch vlak. Het doel van de visie is een stad waar iedereen prettig kan wonen zonder hittestress, met frisse lucht en met voldoende ruimte en groen. Aan de basis ligt een getrapte groenbeleving. Deze loopt op van kleinschalig groen in de vorm van geveltuintjes en plantsoenen naar buurtparken en wijkparken, en via stadsparken naar de groene scheggen op het hoogste schaalniveau. Om dat waardevolle groen rondom de stad intact te kunnen houden terwijl het aantal inwoners van Amsterdam blijft groeien, zal het nodig zijn de stad verder te verdichten. Dat betekent dat we heel goed moeten afwegen voor welke zaken we hier ruimte willen maken. Als je verdichting combineert met groen, betekent dat bijvoorbeeld ook dat je hoger moet gaan bouwen en de auto een andere positie moet geven. Daarnaast is multifunctioneel ruimtegebruik belangrijk, waarbij je kunt denken aan sportvelden op daken. Zo werk je aan een bereikbare en uitnodigende stad die mensen de ruimte biedt. Groen is belangrijk omdat het mensen echt gelukkiger maakt, maar je hebt natuurlijk ook betaalbare huizen nodig, voorzieningen en bereikbaarheid. “Het interessante van de Donuteconomie is dat die zich richt op het idee van brede welvaart. Dan gaat het over heel andere dingen dan extreem veel consumeren of verdienen. Het gaat over een goede basis voor iedereen. En dat betekent werk hebben en een fatsoenlijk dak boven je hoofd, goede sociale contacten en een prettige leefomgeving. Dat willen we in Amsterdam weer centraal stellen.” En toch is vastgoed voor veel partijen nog steeds vooral een manier om geld te verdienen. Hoe kun je dat als stad veranderen? “In een traditionele ‘lineaire’ economie is groei de maatstaf voor welvaart. Dat betekent dat stijgende huizenprijzen worden gezien als een indicator voor succes. Hoe hoger de vastgoedprijzen, hoe groter de welvaart. Maar we moeten ons afvragen wat die welvaart eigenlijk betekent als grote groepen mensen geen betaalbare woning meer kunnen vinden in hun stad. De reden dat de Amsterdamse woningmarkt zo onder druk staat is niet alleen dat we hier te weinig huizen hebben, het komt ook doordat woningen als een ideale belegging worden gezien voor allerlei rondzwervend kapitaal. Er zijn in Amsterdam dure panden die in prijs al vijf keer over de kop zijn gegaan terwijl er nog nooit iemand heeft gewoond. Het is een geldgedreven verhaal dat alleen goed is voor de belegger en ervoor zorgt dat Amsterdam een onbetaalbare stad wordt. “Als gemeente spannen wij ons in voor een gemengde stad, onder meer met de 40-40-20-regel die een programmering van 40 procent gereguleerde huur, 40 procent middenhuur en koop en 20 procent dure huur en koop voorschrijft. Hierbij zie je dat er vooral een probleem is met de middenhuur, een lastig te reguleren segment van de woningbouwproductie. Waar corporaties zorgen voor sociale huurwoningen en de markt voor de duurdere woningen, vallen woningen met een middenhuur tussen wal en schip. Want stel dat je via de grondprijs of op een andere manier er als gemeente voor kunt zorgen dat er goede middenhuurwoningen komen, dan ben je die bij de eerste verkoop meteen weer kwijt. “Wooncoöperaties waarin burgers samenwerken aan een eigen woonproject bieden een interessante manier om die waardeonttrekking een halt toe te roepen. Omdat een coöperatief woonproject niet verkocht wordt, blijft de waarde ervan behouden in de vorm van woningen met een eeuwigdurende middenhuur. Inmiddels heeft wethouder Ivens het actieplan wooncoöperaties in het leven geroepen, met als doel om binnen twintig jaar 10 procent van de Amsterdamse woningbouw gerealiseerd te hebben via wooncoöperaties. Dat klopt eigenlijk heel mooi met de Donut-principes, omdat zo’n woonproject zowel sociale als ruimtelijke impact heeft. Verder geloven we dat je een prettige stad kunt maken door wonen en werken te combineren. Het punt is alleen dat we dat niet meer gewend zijn. Alles wat overlast geeft hebben we in het verleden planologisch van ons afgewerkt, soms zelfs naar andere werelddelen. We moeten dus goed kijken hoe de productieve bedrijvigheid van de circulaire economie zich opnieuw kan verhouden tot wonen. Dat betekent misschien dat je de logistiek moet aanpassen of gaat werken met kleine clusters van bedrijven. Per gebied proberen we de ideale mix te vinden. Waarbij we minimaal 15 procent productieve bedrijvigheid aanhouden om te voorkomen dat het toch weer een beetje kantoorachtig wordt. Afhankelijk van het soort bedrijvigheid kijk je dan of hier gezinswoningen bij passen of misschien studentenwoningen.” Een ander doel is circulariteit in de bouwproductie. Hoe zorg je dat partijen daarmee aan de slag gaan? “Dat kunnen we allereerst – heel simpel – bereiken met regulering. Met het uitschrijven van circulaire tenders zorgen we voor een andere uitvraag naar de markt. Daarbij hanteren we hogere duurzaamheidsdoelstellingen dan van rijkswege gevraagd wordt. En dat is omdat we denken: bouwen in Amsterdam is lastig, dus dat wil je ook in een keer goed doen zodat een gebouw lang mee kan. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat energie in zo’n gebouw zelf moet worden opgewekt. “Als gemeente zeggen wij: dit is de kant die we opgaan en dat wordt over twee jaar niet opeens weer heel anders. Zo bieden we niet alleen houvast voor de lange termijn, maar zorgen we ook voor een level playing field voor alle marktpartijen. We zien hier ook niemand voor weglopen. Sterker nog: marktpartijen blijken juist lol te hebben in die uitdaging van duurzaamheid. Amsterdam kiest ervoor richting te geven en ruimte te bieden maar wil niet voorschrijven hoe het allemaal gebeuren moet. De bouwende partijen zijn veel beter in deze vraagstukken dan wij en komen telkens met verrassende nieuwe oplossingen. Als ik ergens een eerste paal mag slaan of bij een oplevering mag zijn, dan zijn mensen altijd ongelooflijk trots op het behalen van die duurzaamheidsdoelstellingen. “Daarnaast werken wij als gemeente aan een ecosysteem voor de circulaire economie in Amsterdam en dat is ook voor de bouw van groot belang. Het gaat dan bijvoorbeeld om circulaire bouwmarkten waar materialen die vrijkomen bij sloop beschikbaar worden gemaakt voor hergebruik. Dat kunnen deuren en kozijnen zijn maar ook elementen van betonnen constructies. Zo ontstaat een materialenkringloop waarin afval niet meer bestaat. En hoewel dit soort dingen zich afspeelt op het niveau van de Amsterdamse regio, hebben ze een impact op een veel groter schaalniveau. Want wat betekent deze manier van bouwen aan je stad voor de CO2-uitstoot en de luchtkwaliteit, maar bijvoorbeeld ook voor arbeidsomstandigheden elders in de wereld? Think globally, act locally, daar gaat het om.” De ideale stad “Als Amsterdam moeten we onszelf de vraag stellen wat voor stad wij willen zijn en hoe we die stad willen worden. Het Donutmodel gaat over samenwerken en over het delen van kennis en voorzieningen. Daarom nodigen we alle Amsterdammers, bedrijven en ontwikkelaars uit om samen aan de stad te bouwen. Als we elkaars verhalen kennen, kunnen we belangen combineren en ervoor zorgen dat die samen nog veel meer gaan opleveren. Het is belangrijk dat elk nieuw gebouw dat we realiseren Amsterdam en zijn toekomst belichaamt. Dan gaat het om groen, sociale inclusie, verduurzaming en schoonheid en het gaat om de verhalen: waar kom je vandaan, waar ga je naartoe en wat betekent het om hier te leven? Van ontwikkelaars krijgen we vaak te horen dat we ambities aan het stapelen zijn. Dan zeg ik altijd: we zijn bezig met de ideale stad.” Dit artikel is geschreven voor Rijnboutt Magazine #12 Een ander klimaat (oktober 2020). Liever een fysiek exemplaar in handen? Stuur dan een mail naar press@rijnboutt.nl Tekst: Catja Edens Deelnemer gesprek: Richard Koek Fotografie: Ineke Oostveen

Bloemkoolwijken klaar voor de toekomst

26 februari 2021

Hoe kan Julianadorp – een dorp met typische bloemkoolwijken – er over dertig jaar uitzien? Wat is er nog herkenbaar van de stedenbouwkundige visie op deze wijken toen ze in de jaren zeventig werden gebouwd?   Op basis van een open inschrijving werden voor Panorama Lokaal Julianadorp drie finalisten geselecteerd, waaronder Team Rijnboutt. Eind september werd bekend dat Team FABRICations & Mandaworks gewonnen heeft. In dit tweede artikel uit een serie van drie vertellen we graag nog over de inzending van Team Rijnboutt.   In de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog nam de bevolkingsgroei sterk toe en was er grote behoefte aan gezinswoningen. Na de snelle industriële bouwfase van de eerste drie decennia nam de behoefte naar meer variatie en sociale samenhang toe. De zogenoemde ‘bloemkoolwijken’ werden ontwikkeld passend bij de samenleving van dat moment. Julianadorp is zo’n dorp waarvan de structuur de typische kenmerken van een bloemkoolwijk heeft. Een bijzondere locatie met voldoende kwaliteiten, zoals de gunstige ligging tussen de Noordzee in het westen en het Noord-Hollands Kanaal in het oosten. Aan de overige twee zijden is een open polderland met bollenvelden en op vijftien minuten afstand ligt de stad Den Helder. Julianadorp is een enclave in de polder die gekenmerkt wordt door een actieve en betrokken gemeenschap van 15.000 inwoners die, omdat het dorp aan zee ligt, aangevuld wordt met bijna een miljoen bezoekers per jaar. Herkenbaar en gevarieerd Bloemkoolwijken die verspreid over heel Nederland in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werden gebouwd, ontlenen de naam aan de letterlijke uitwerking van een organisatieprincipe: woningen zijn groepsgewijs rond woonerven gesitueerd en liggen als bloemkoolroosjes aan de hiërarchisch geordende hoofdwegen, vergelijkbaar met een stam waar nieuwe takken aan groeien. Woningen kenmerken zich door een gevarieerde architectuur maar vormen samen wel een herkenbaar geheel, net als een bloemkool. Deze wijken zijn ontwikkeld vanuit een duidelijke opvatting over leefbaarheid, saamhorigheid en de menselijke schaal. “Een paternalistische wijkgedachte waarbij alle voorzieningen voor iedereen binnen handbereik zijn”, vertelt Richard Koek, stedenbouwkundige, landschapsarchitect en partner bij Rijnboutt. Ondanks deze mooie sociale opvattingen van toen en het gezin als hoeksteen van de samenleving, begon het eind jaren tachtig te schuren. De katholieke basis van de Nederlandse samenleving brokkelde af. Ook in de vakwereld nam de kritiek op de vorm- en karakterloze wijken toe. De wijkgedachte is ingehaald door de tijd; de samenleving is gevarieerder en wereldser geworden. Alleen al door de toenemende individualisering en vergrijzing van de maatschappij is het aantal één- en tweepersoonshuishoudens sterk toegenomen. Ook Julianadorp kenmerkt zich door relatief veel bewoners in de leeftijd van zestig en zeventig jaar die er toentertijd een betaalbaar huis kochten en er altijd zijn blijven wonen. Er bestaat nu een serieus probleem: de instroom van nieuwe bewoners stagneert. Voor hen is er te weinig nieuw aanbod en zij stellen andere eisen aan wonen en hun omgeving. Want sluipenderwijs was Julianadorp aangepast en dat was niet per se een vooruitgang. Het dorpsgebied werd onsamenhangender, fietspaden, die in de oorspronkelijke opzet geen belangrijk onderdeel van de buurt uitmaakten, werden later kriskras door de wijk aangelegd. Het openbaar groen nam in kwaliteit af en was als drager versnipperd. Mensen verdwaalden, wisten de voordeur niet van de achterdeur te onderscheiden en met schuttingen werd steeds meer aangegeven waar de privétuin eindigde en de gemeentegrond begon. Voorzieningen verdwenen of wisten hun maatschappelijke rol in de wijk niet te behouden. En ook de toename van verharding en lukraak geparkeerde auto’s heeft veel invloed op de ruimtelijke beleving. Terwijl samenhang en gemeenschapszin de oorspronkelijke bedoelingen waren, voelen mensen zich steeds minder veilig of betrokken bij de dorpse samenleving. Ook de relatie tussen de wijken en het polderlandschap is onduidelijk. Er is nauwelijks verbinding tussen de oude dorpskern en de zee en de duinen, en groen en water vormen geen relatie met het omringende landschap. In dit tuindorp overheerst een gevoel van geslotenheid, iets dat in scherp contrast staat met het weidse landschap. Bloemkoolwijk 2.0 De kritiek op de bloemkoolwijken zwol verder aan, evenals de vakinhoudelijke discussie. De bloemkoolwijken raakten in het verdomhoekje en werden eind jaren tachtig doodverklaard. Een nieuw alternatief verrees: de Vinex-wijk. Deze opvolger van de jaren negentig heeft ongeveer hetzelfde programma als een bloemkoolwijk maar dan in een andere jas: de wijken zijn opgezet volgens de eisen van deze tijd, zoals een betere aansluiting met de stad, een heldere ruimtelijke structuur, betere energievoorzieningen en aandacht voor duurzaamheid. Voor verschillende bloemkoolwijken worden initiatieven ontwikkeld. De Haagse Beemden in Breda en Zevenkamp in Rotterdam zijn goede voorbeelden van wijken waarvoor studie is gedaan naar een nieuw stedenbouwkundig plan. “Er wordt weliswaar veel onderzoek gedaan, maar we zitten nog in de pioniersfase en er bestaat weinig vernieuwing”, vindt Richard. Het tempo waarin vernieuwingsplannen worden gemaakt mag wat hem betreft omhoog. Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid “De uitdaging van de toekomst”, zegt hij, “is niet om de bloemkoolwijken af te breken. In potentie bestaan er volop mogelijkheden tot transformeren zodat een woongebied zoals bijvoorbeeld Julianadorp aantrekkelijker wordt voor nieuwe bewoners en tegelijk aansluit bij de energietransitie en de klimaatadaptatie. Het is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van woningcorporaties, gemeenten en de overheid, een maatschappelijke plicht om in te grijpen.” Dat beoogde ook het College van Rijksadviseurs samen met het projectteam Panorama Lokaal met deze prijsvraag. Hiermee wil het de aandacht vestigen op ideeën om zeven van die wijken uit de jaren zeventig en tachtig aan de rand van de stad te revitaliseren en klaar te maken voor de toekomst.  “Voor ons ontwerpers is het een zeer interessante en ook belangrijke opgave om een stedenbouwkundige visie en aanpak uit te werken zoals we hebben gedaan voor Julianadorp. Er liggen voldoende kansen door de uitzonderlijke positie van het dorp te benutten en de relatie met zijn omgeving opnieuw te definiëren”, meent Richard. In die visie is Julianadorp in 2050 een samenhangende en open enclave met collectieve hofjes met tien à twintig woningen in een autoluw gebied met groen en water, met kringlooplandbouw, zorg en recreatie als economische dragers. Een zelfvoorzienend dorp, maar open naar buiten, uitnodigend voor bewoners en bezoekers. Waar bewoners veel meer eigen initiatieven ontwikkelen en er ruimte is voor vernieuwing in wooncultuur. Kortom, een ecocentrisch dorp met een volledig circulair woon-werk-recreatielandschap. “Deze aanpak voor Julianadorp kan model staan voor de aanpak van andere bloemkoolwijken. Samen met bewoners, gemeenten, corporaties en ondernemers kan een passende, doelgerichte aanpak leiden tot nieuw elan voor de wijk, waar nieuwe bewoners met enthousiasme hun huis en samenleving kunnen vinden.” » Lees de visie van Team Rijnboutt in Rijnboutt Magazine #12   Tekst: Viveka van de Vliet Beelden: Rufus de Vries

30 november: online inspiratiesessie Wonen in een ander klimaat

24 november 2020

Maandag 30 november spreekt Maarten Castelijns, architect partner bij Rijnboutt, over het ontwerpen van gebouwen die de leefbaarheid en duurzaamheid van steden beïnvloeden aan de hand van een geslaagd voorbeeld: Up Mountain. ‘Wonen in een ander klimaat’ is de titel van zijn verhaal dat hij tijdens de online Inspiratiesessie ‘Wonen In Amstelveen’ houdt op uitnodiging van Wonen in Nederland.   “Het is een grote uitdaging om binnen de hedendaagse woningopgave gebouwen te ontwerpen en te ontwikkelen, misschien wel vergelijkbaar met naoorlogse wederopbouwperiode. De maatschappelijke belangen zijn immers groot maar ook tegenstrijdig. Aan de ene kant wordt de urgentie om de klimaatcrisis te lijf te gaan steeds groter en groeit het maatschappelijk draagvlak hiervoor. Aan de andere kant hebben we te maken met woningnood, waardoor de roep om steden te verdichten toeneemt terwijl tegelijkertijd het landschap onder druk staat”, vertelt Castelijns hierover. Komende maandag presenteert hij een van de mogelijke strategieën om deze complexe en op het oog tegenstrijdige belangen bij elkaar te brengen, waarbij het accent ligt op een sociale visie op de lange termijn. “Up Mountain is daar een goed voorbeeld van. Bij het ontwerp en de ontwikkeling van het gebouw is de focus gelegd op de huidige en toekomstige gebruiksflexibiliteit, maximale inspraakvrijheid voor de eindgebruiker en een duurzame woonkwaliteit. Up Mountain sluit aan bij de missie van Rijnboutt om de stad beter te maken dan ze was en vormt een stap in de ontwikkeling naar het ontwerpen voor wonen in een ander klimaat.” Bijwonen? De online inspiratiesessie vindt plaats op maandag 30 november van 13.00 – 15.30 uur. Wil je de sessie ook online bijwonen? Dat kan door je aan te melden bij Wonen in Nederland. Het programma is als volgt: 13.00 uur: Ontvangst en welkomstwoord – Werner Bullen, Directeur Wonen In Nederland 13.10 uur: Wonen In Amstelveen 2030 – Marijn Schenk, Directeur NEXT Architects en Stadsbouwmeester Amstelveen 13.35 uur: Wonen in een ander klimaat – Maarten Castelijns, Architect Partner Rijnboutt 14.00 uur: Up Mountain verrijkt Stadshart Amstelveen – Erik Schimmel, Projectontwikkelaar AM 14.20 uur: Digital Dating 14.50 uur: Q&A met de sprekers 15.15 uur: Samen bouwen 15.30 uur: Einde

Rijnboutt Magazine #12 Bronnen

25 oktober 2020

Hieronder een overzicht van de bronnen gebruikt in de artikelen van Rijnboutt Magazine #12 Een ander klimaat. Later is nu. Voorwoord Bernard Hulsman, “We leven in buitengewoon revolutionaire tijden.” Interview met Floris Alkemade, NRC Handelsblad, 16 juni 2020 Interview Marieke van Doorninck – “Dit is niet ambities stapelen, het is werken aan de ideale stad” De Amsterdamse scheggen zijn grote aaneengesloten groengebieden die vanuit het buitengebied, zoals het Gooi en de Kennemerduinen, diep de stad in steken. Voorbeelden zijn de Amstelscheg, de Brettenzone, Waterland, het Amsterdamse Bos en Diemerscheg. Bron: amsterdam.nl Artikel Paul Kingsnorth – De mythe van de vooruitgang Paul Kingsnorth en Dougald Hine, “The Manifesto”, dark-mountain.net “De beschaving voorbij. Paul Kingsnorth”, VPRO Tegenlicht, 16 december 2018 Artikel Kirsten Hannema – De ontbrekende schakel in de kringloopgedachte zijn wíj Het sociologenpanel, “Sociologen: Compensatie lagere inkomens cruciaal voor slagen energietransitie”, socialevraagstukken.nl, 4 juni 2019 “Mensen maken IBA: Joost vertelt over Superlocal”, iba-parkstad.nl, 14 februari 2018 Kirsten Hannema, “Moderne gebouwen in Afrika moeten niet lijken op Westerse wolkenkrabbers. Júíst niet”, de Volkskrant, 2 december 2019 Artikel Antonia Weiss – Mens, ga tuinieren Ibtihal Jadib, “Ik scharrel deze stille dagen maar wat rond in afwachting van een sobere ramadan,” de Volkskrant, 1 mei 2020 Nate Gabriel, “The Work That Parks Do: Towards an Urban Environmentality” in: Social & Cultural Geography 12/21, maart 2011 Panorama Julianadorp Bart Tromp, “De wonderlijke terugkeer van de wijkgedachte”, Het Parool, 29 maart 2007 Interview Matthijs Bouw – Het ontwerpproces als kralenketting: Matthijs Bouw en ONE Architecture The Big U Metropoolregio Amsterdam: “Resilience by Design” (2020), YouTube-kanaal Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, 20 april 2020 Artikel Richard Koek – Mobiliteit en gezondheid voor de toekomst van de stad Het College van Rijksadviseurs hield in 2014 met NL-Fietsland een krachtig pleidooi om de keuze uit alternatieven voor mobiliteit te vergroten. Het recent bijna vastlopen van de wegcapaciteit en railcapaciteit en de toenemende drukte op fietspaden wijst uit dat dat pleidooi nog onverminderd nodig is, wat in het voorjaar van 2020 leidde tot “Naar een schaalsprong op de fiets” van hetzelfde CRa. Dit beleid wordt door steeds meer steden geconcretiseerd; als voorbeeld: Meerjarenplan Fiets 2017-2022, Amsterdam.nl Thalia Verkade, “We gaan steeds sneller, maar komen geen seconde eerder thuis (en dat is een groot probleem)”, De Correspondent, 1 juni 2018 Jos Gadet, “Deze crisis laat zien dat we vol in moeten zetten op de openbare ruimte”, gebiedsontwikkeling.nu, 21 april 2020 “Elektrische deelmobiliteit in stedelijke gebiedsontwikkeling”, agendastad.nl

Groene verbindingen

23 september 2020

In de Reimerswaalbuurt in Amsterdam Osdorp is een deel van de bestaande bebouwing gesloopt om plaats te maken voor eigentijdse nieuwbouwblokken die de reeds gerealiseerde nieuwbouw en de gerenoveerde bebouwing met elkaar verbinden. In juni 2020 werd bekend dat Vink Bouw in samenwerking met Vireo Vastgoed, Hendriks CPO en M3H Architecten de blokken 4 en 5 gaat ontwikkelen. Rijnboutt nam samen met Blauwhoed, Servicewise en Huygen Installatieadviseurs deel aan deze tender en ontwikkelde een plan dat op alle niveaus verbindt. De relatie tussen binnentuinen en omgeving is zorgvuldig vormgegeven, interactie tussen bewoners wordt gestimuleerd en de maatschappelijke functies zorgen voor interactie met de buurt. Bestaande volwassen bomen zijn ingepast en vormen het groene hart van de binnentuinen. Ook gaat veel aandacht uit naar duurzaamheid en natuurinclusiviteit; de blokken zijn energie-positief met een EPC van -0,01.   De Reimerswaalbuurt in Amsterdam Osdorp kenmerkt zich door bouwblokken met daartussen lange groene lijnen. Dat komt ook terug in het door de gemeente opgestelde stedenbouwkundig plan voor de herontwikkeling van de buurt en is ook de basis van ons ontwerp: twee gesloten bouwblokken met een interne groene kwaliteit, met het leggen van verbindingen als centraal thema. Groen van tuin tot dak De prachtige volwassen bomen die na de sloop van de oorspronkelijke bebouwing overeind zijn gebleven, zijn een belangrijke groene drager van de binnenhoven. Deze worden ingericht als collectieve groene tuin en zijn afgestemd op de wensen en behoeftes van de bewoners. Via trappen en brede woongalerijen wordt het groen doorgetrokken tot op het dak, waar ruimte is voor een gezamenlijke moestuin. In elk blok is een poort gemaakt om de blokken te openen en een relatie aan te gaan met de omgeving. De benodigde parkeerplaatsen worden half verdiept aangelegd onder een groen dek, daarmee staan de auto’s uit het zicht, ingebed in het groen. Biodivers en natuurinclusief Het groen op de daken en aan de trappen en galerijen werkt als stepping stone tussen het groen in de omgeving en de binnentuinen, waar verschillende soorten vogels, bijen, vlinders en andere dieren bij elkaar komen. De variatie aan zon- en schaduwtuinen op het niveau van maaiveld, dek, galerijen en langs trappen, maakt dat de biodiversiteit zich goed en snel kan ontwikkelen. Ook de keuze voor beplanting is zodanig dat een zo groot mogelijke variëteit aan fauna wordt aangetrokken. Het ontwerp wordt een verbinding in het groensysteem in Amsterdam Nieuw West, dat daarmee wordt aangevuld en uitgebreid. Klimaatadaptief De tuinen worden ingericht met robuust groen dat voldoende blad heeft, zodat de hittestress wordt tegengegaan. Door het minimaliseren van verharding wordt een goede basis gelegd voor het bergen van regenwater. Bij het bufferen van hemelwater wordt voldaan aan de uitgangspunten van Amsterdam Rainproof. Er is een systeem bedacht waarbij gebruik wordt gemaakt van opvang van regenwater op als extensief groendak ingerichte daken, aan individuele woningen gekoppelde regentonnen en ondergrondse containers. Hiermee kan 98% van de normbui worden gebufferd. Verbinding met de buurt Voor de leefbaarheid op straatniveau is het belangrijk dat een groot deel van de woningen een adres krijgen aan de straat. Alle woningen in de begane grond hebben een eigen entree aan de straatzijde met een in de gevel geïntegreerd bankje. Een lage haag geeft intimiteit aan de buitenruimte voor de woning. Het woonprogramma in de onderste laag is gevarieerd: van begane grondappartementen tot splitlevelwoningen en beneden-bovenwoningen. Naast de individuele entrees zijn er op de noordoosthoek en de zuidwesthoek van elk blok gemeenschappelijke ingangen voor de bovenliggende appartementen. De plint aan de Osdorperbaan heeft een gevarieerd maatschappelijk programma. Naast een gezamenlijke huiskamer voor bewoners is er ruimte voor sporten, een fysiotherapiepraktijk, een vestiging van zorginstelling Cordaan en het ondersteuningspunt voor de Amsterdamse Familieschool. Visualisaties: Erik Stuit

Bewust, duurzaam en kleinschalig leven in de grote stad

23 juli 2020

Op het binnenterrein van het appartementengebouw Harvest aan de Oude Haagweg in het Haagse Loosduinen zijn in opdracht van Van der Vorm Vastgoed Groep 26 kleinschalige modulaire woningen gepland volgens het tiny houses-concept. De vergunning voor fase 1, waarin 11 woningen worden gerealiseerd in een (moes)tuinomgeving, is verleend. Het project is een integraal ontwerp door Rijnboutt waarbij de eenheid tussen landschap en bebouwing centraal staat om een aantrekkelijke, gezonde leefomgeving te realiseren voor de nieuwe bewoners en de bestaande buurt.   “Een Tiny House is een kleine maar volwaardige grondgebonden woning. Een Tiny House is de ideale basis om een bewuster en duurzamer leven te creëren.”   ‘Wonen in het groen’ is de basis geweest voor het ontwerp van de Tiny Houses. De modulaire woningen zijn opgezet in een hofstructuur met een eigen identiteit, maar met verwijzing naar de ‘Haagse hofjes’. In het ontwerp wordt de bestaande moestuin uitgebreid en geïntegreerd in een gemeenschappelijke tuin rondom de Tiny Houses. Het plan draagt op deze manier bij aan Den Haag als groene stad die stadslandbouw stimuleert en sociale cohesie in wijken en buurten verbetert. In de hofjes, waar de entrees van de modulaire woningen zich bevinden, heerst een intieme sfeer. Aan de buitenzijde hebben de woningen een privéterras grenzend aan de gemeenschappelijke tuin. Het inrichtingsplan heeft een duurzame en eenvoudige opzet. Hierbij gaat het met name om het voorzien van een sterke basis en het aanwijzen van bijzondere plekken. Het ontwerp is ontstaan in een participatieproces met omwonenden. Belangrijke pijlers binnen het ontwerp zijn: een goede ontsluiting waardoor ook mindervaliden toegang tot de tuin hebben; het aanplanten van fruitbomen en gemengde fruit dragende heesters; het voorzien van een centrale ontmoetingsplek met mogelijkheid om te zitten en te verblijven; de zonering van het moestuingedeelte dat vrij in te richten is door de tuiniers; het aanleggen van wadi’s voor de opvang van regenwater en het ter plekke infiltreren in de grond. De Tiny Houses zijn volwaardige woningen en voldoen aan het bouwbesluit. Binnen het plan zijn twee verschillende types, met een oppervlakte van respectievelijk 59m2 en 53m2 GO. In samenwerking met aannemer Maat Feeling Home worden in een fabriek de woningen in twee delen, volledig prefab, gemaakt. Vervolgens worden deze over de weg naar de locatie vervoerd en daar vervolgens geassembleerd. De hoge duurzaamheidsambities van de woningen komen tot uiting door het gebruik van een constructie van cross laminated timer (CLT), een warmtepomp, Thermo Ayous geveldelen en zonnepanelen op het dak.

Ode aan historische binnenstad op Sluiseiland Vianen

08 juli 2020

De ontwikkeling van het groene eiland in Vianen tot een bijzonder en duurzaam woongebied krijgt met de realisatie van bouwblok Centraal een gezicht als entree van het zuidelijk deel van het Sluiseiland. De locatie is uniek; rustig wonen op een groen eiland met kenmerkende bomenrijen en geflankeerd door het kanaal en de passantenhaven. Én direct naast het historisch stadscentrum van Vianen met haar voorzieningen. Verschillende architecten hebben ontwerpen gemaakt voor een aantal woonblokken op het langgerekte eiland, welke te gast zijn in het parkachtige landschap. Centraal is begin juli 2020 als tweede blok in de verkoop gebracht.   Centraal is een gemengd bouwblok met appartementen en grondgebonden woningen gelegen midden op het Sluiseiland, vlakbij de brug en aan de Passantenhaven. Het markeert met een gebouw van 5 bouwlagen bestaande uit 15 royale appartementen de entree van het zuidelijk deel van het Sluiseiland. Op de begane grond komt op de hoek met de passantenhaven een (dag)horecavoorziening met terras aan het water en havenfaciliteiten. Aan de andere zijde is de toegang tot de parkeergarage. De 14 grondgebonden woningen omsluiten een intieme, groene collectieve binnentuin met private terrassen. De oostelijk georiënteerde woningen liggen aan de rustige straat met direct uitzicht op het Merwedekanaal met de kenmerkende bomenrij. De westelijk georiënteerde woningen sluiten aan op een brede stoep aan de passantenhaven. Doordat de woningen gedeeltelijk op een half verdiepte parkeergarage zijn gesitueerd, ontstaan er aan de buitenzijde van het blok extra hoge ruimten op de begane grond. Hierdoor wordt de nadruk gelegd op de prachtige omgeving. Tussen het bouwblok en het zuidelijk gelegen CPO woonblok komt een groene speelplek. Samenhangende identiteit Tijdens de stedenbouwkundig plan fase zijn de uitgangspunten bepaald voor de architectuur, zodat de bebouwing op het eiland een eigen samenhangende identiteit krijgt die aansluit op de binnenstad en passend is in de stoere context van het Sluiseiland. De uitgangspunten bieden de architecten vrijheid voor de afzonderlijke ontwerpen. In onderling overleg is bijvoorbeeld een beperkt metselwerk- en kleurpalet bepaald. Rijnboutt heeft nader onderzoek gedaan naar de woonhuizen in de binnenstad om het ontwerp goed aan te laten sluiten op omgeving. Historische binnenstad als inspiratie De architectuur van Centraal is geïnspireerd op de oude binnenstad. De geschakelde panden met elk hun eigen identiteit hebben een abstracte en heldere vormgeving zodat een eigentijds gevelbeeld ontstaat. Goten zijn bijvoorbeeld niet zichtbaar vanaf de straat en de regenpijpen zijn in het metselwerk opgenomen. Elk pand heeft zijn eigen unieke gevelindeling en kleurstelling. Enkele panden worden verrijkt door verbijzonderingen in het metselwerk of door strak gedetailleerde glazen kamers die uit de gevel steken en het buiten naar binnen halen. Duurzaamheid als uitgangspunt Duurzaamheid is integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Alle woningen zijn energieneutraal en zijn optimaal georiënteerd op de zon. De groene binnentuin zorgt in warme periodes voor koelte, regenwater wordt daar vastgehouden en voorziet de beplanting van water. Sinds juli 2017 werkt Rijnboutt in opdracht van Smits Bouwbedrijf aan het stedenbouwkundig en landschapsontwerp van Sluiseiland Vianen. Twee bouwblokken worden nader uitgewerkt door Rijnboutt. Lees meer op www.sluiseiland-vianen.nl.

Plannen toekomstbestendige Van Deysselbuurt bekend

03 juni 2020

De Lodewijk van Deysselbuurt in de westelijke tuinsteden van Amsterdam is dringend toe aan vernieuwing. De buurt heeft de laagste leefbaarheidsscore van Amsterdam, woningen voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd en de openbare ruimte heeft nauwelijks nog gebruikskwaliteit. Rijnboutt ontwerpt in opdracht van Rochdale aan een stedenbouwkundig plan, geënt op de tuinstadgedachte van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP), dat noodzakelijke vernieuwing en verdichting mogelijk maakt. Zo wordt de Van Deysselbuurt een prettige, gemengde en toekomstbestendige Amsterdamse buurt.   In zijn essay ‘De toekomst van Nederland’ benoemt rijksbouwmeester Floris Alkemade de huidige buitenwijken van steden expliciet als het speelveld waar onze toekomst vorm zal krijgen en waar we samen kunnen werken aan steeds urgentere uitdagingen zoals klimaatadaptatie, energietransitie en het creëren van een inclusieve samenleving: “Door erop verder te bouwen, onze buitenwijken gelijkwaardige kwaliteiten te geven als onze binnensteden, door een emancipatie van de periferie.” De Van Deysselbuurt in Amsterdam Nieuw West is zo’n buitenwijk. En de opgave kon niet treffender verwoord worden. Verdichten in stedelijk erfgoed (AUP) De Van Deysselbuurt is een mooi voorbeeld van de buurtopzet volgens de tuinstadgedachte van het AUP. De verkavelingsstructuur van het AUP is dan ook de stedenbouwkundige taal waarbinnen de verdichting plaatsvindt. De verbindingen met de overige buurten (de Lodewijk van Deysselstraat, de Van Moerkerkenstraat en de Burgemeester van Leeuwenlaan) worden als ‘lange lijnen’ behouden en in hun karakteristiek versterkt. Deze lange lijnen definiëren stroken, of velden, die bestaan uit verschillende stempels – een zich repeterende compositie van hoog- en laagbouw. Binnen deze stempels wordt verdicht. In het zuiden, langs de Burgemeester Röellstraat, die wordt omgevormd tot een volwaardige stadslaan, wordt sterk verdicht. Naar het noorden van de buurt toe, waar de buurt grenst aan het park rond het Jan de Louterpad, steeds minder. Herdefiniëren van de openbare ruimte Ook de openbare ruimte en het groen in de Van Deysselbuurt zijn volgens de regels van het AUP geordend en kennen een duidelijke hiërarchie: van privétuin, straatgroen en plantsoen tot park. Dit geeft de buurt zijn huidige, groene karakter – een kwaliteit die in het plan van Rijnboutt wordt behouden. Echter, is het gebruik van het groen sinds het ontwerp en de realisatie van het AUP sterk veranderd, zijn overgangen verrommeld en is, door het stijgende autogebruik, de druk op de openbare ruimte sterk toegenomen. Dit vraagt om een herdefinitie van de openbare ruimte. Het groen wordt toegankelijker, aantrekkelijker en krijgt gebruikswaarde voor verschillende doelgroepen, van jong tot oud; de hiërarchie in de openbare ruimte wordt hersteld en duidelijker leesbaar. Hiertoe worden straatprofielen aangepast en groenstructuren verbeterd. De openbare ruimte wordt geactiveerd door in te zetten op actieve en bewoonde plinten. En hoewel er nog steeds uitgebreid op straat wordt geparkeerd, zal de auto minder dominant zijn in het straatbeeld. Lodewijk van Deysselstraat als dé levensader Centraal in de buurt is én blijft de Lodewijk van Deysselstraat de identiteitsdrager en lokale verdeler van bewoners in de buurt. Door haar kenmerkende en monumentwaardige bebouwing te behouden, zal deze straat ook in de toekomst het verhaal vertellen van de buurt. Dat neemt niet weg dat de Lodewijk van Deysselstraat in haar karakteristieken versterkt wordt. In ruimtelijke zin: de te handhaven gebouwen worden gerenoveerd en krijgen actieve plinten met wonen en voordeuren aan de straat en er worden kleine plantsoenen toegevoegd met o.a. speelplekken voor kinderen in verschillende leeftijdscategorieën. De karakteristieken worden ook in programmatische zin versterkt: de straat zal allerlei buurtgerelateerde voorzieningen faciliteren. Zoals een buurthuis, een co-working café, een buurttheater, een wasbar of een zorgpunt en plekken voor zzp’ers. Integraal verduurzamen Bij een toekomstbestendige buurt is integrale duurzaamheid onmisbaar. Het stedenbouwkundig plan bevat daarom ook duurzaamheidsmaatregelen op het vlak van klimaatadaptatie, energietransitie, circulariteit, mobiliteit, ecologie en sociale duurzaamheid. Bomen, groen en minimale verharding dragen bij om hittestress in de zomer te verminderen, regenpieken op te vangen en water vertraagd af te voeren. De te transformeren bebouwing wordt verduurzaamd als antwoord op de energietransitie. Circulariteit komt tot uitdrukking in de inrichting van de openbare ruimte, in een materialen-paspoort van de nieuwbouw en hergebruik van materialen van de te slopen bebouwing. Ten behoeve van de verdichtingsopgave wordt een specifieke mobiliteitsvisie ontwikkeld: flexibele parkeergarages, deelconcepten en aanleg van laadpalen bieden uitkomst. De ecologische waarde van het groen is, als onderdeel van het groene Amsterdam West en de grote groenstructuren in het stadsdeel, van groot belang. Dit komt tot uiting in natuur inclusief bouwen en in de keuze van beplanting als integraal onderdeel van het ontwerp van de bebouwing en de openbare ruimte. Sociale duurzaamheid is een belangrijke doelstelling van de vernieuwingsplannen. Door het verbeteren van de huidige sociale woningbouwvoorraad en het toevoegen van nieuwe woningtypologieën, wordt de buurt voor de huidige bewoners verbeterd en worden nieuwe doelgroepen aangetrokken. Hiermee wordt de Van Deysselbuurt een gemengde en toekomstbestendige buurt. Participatie en planning Om buurtbewoners en omwonenden in staat te stellen om te reageren op de plannen voor de buurt werden er op 19 mei online bijeenkomsten georganiseerd door Rochdale en de gemeente Amsterdam. De gemeente neemt binnenkort een besluit over het vernieuwingsplan. In de tussentijd werkt Rijnboutt samen met de gemeente Amsterdam en Rochdale aan de verdere uitwerking van de plannen ten behoeve van de investeringsnota. Deze dient vastgesteld te worden door de gemeente. Meer over de plannen op www.deysselbuurt.nl.

Rijnboutt ontwerpt aan Middenzone Gezondheidspark Dordrecht

28 mei 2020

De gemeente Dordrecht heeft de ontwikkeling van de locatie Middenzone Gezondheidspark na een marktselectieprocedure definitief gegund aan Ballast Nedam Development. Ballast Nedam Development werd op basis van prijs en kwaliteit gekozen door de beoordelingscommissie met zijn plan voor dit uniek hoogstedelijk woongebied in landschappelijk groene omgeving naar ontwerp van Rijnboutt.   De Middenzone is het gebied gelegen tussen het Albert Schweitzerziekenhuis en de Sportboulevard. Bij het winnende plan is ingezet op een ontwikkeling waarin preventieve gezondheidszorg centraal staat. De nabijheid van het ziekenhuis en de sportfaciliteiten vormt een natuurlijke aanleiding en sterkt de visie om een gebied te realiseren waarbij gezond leven de rode draad vormt. Het inclusieve plan telt circa 720 woningen in een ruime diversiteit, uiteenlopend van sociale huur, middeldure huur, vrije sector huur als ook koopappartementen in diverse prijscategorieën. Naast het hoogstedelijke woonprogramma bestaat de opgave ook uit het toevoegen van commerciële- en ondersteunende functies in de plinten. Ook wordt de bestaande parkeergarage uitgebreid om in de huidige en toekomstige parkeerbehoefte van deze locatie te kunnen blijven voorzien. De gemeente Dordrecht staat voor een ambitieuze woonopgave waar de Middenzone een belangrijke onderdeel van uitmaakt. Wethouder Piet Sleeking van de Gemeente Dordrecht: “Als gemeente staan we voor een grote bouwopgave van 4000 woningen. Het gaat niet alleen om aantallen, maar ook om kwaliteit en duurzaamheid. De ontwikkeling van Middenzone Gezondheidspark is een belangrijke stap. Het plan van Ballast Nedam Development laat op aansprekende wijze zien dat dit uitstekend ingevuld kan worden op een manier die bijdraagt aan gezonde verstedelijking.” Goede verbindingen met het wegennet en het openbaar vervoer, de ligging aan de parkendriehoek en een omgeving die een aangename groene inrichting zal krijgen, zorgen voor de condities voor deze ontwikkeling. De bebouwing heeft een sterke relatie met de openbare ruimte door middel van levendige plinten en entrees aan de straat. De routing naar de Sportboulevard, het ziekenhuis en de parkeergarage is zorgvuldig ingepast. Door het toepassen van o.a. neststenen in de gevels voor vogels en zoogdieren, zonnepanelen, elektrische deelauto’s en een gemeenschappelijke ruimte voor de bewoners, sluit de Middenzone helemaal aan op de 21e eeuw. Meer informatie op gezondheidsparkdordrecht.nl

Rijnboutt Academy: Welke invloed heeft de BENG op het ontwerp?

10 maart 2020

Vanaf 1 januari 2021 geldt de energieprestatie BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw) 2019 voor alle nieuwbouw als opvolger van de EPC (Energie Prestatie Coëfficiënt). Tegelijkertijd wordt voor nieuw te bouwen woningen een grenswaarde gesteld aan de kans op temperatuuroverschrijding. Welke impact heeft deze nieuwe regelgeving op het ontwerp? Voor een antwoord op die vraag organiseerde Marleen van Driel, Senior Architect Duurzaamheid, i.s.m. Albert Huijssoon van Ingenieursburo Linssen een Rijnboutt Academy over BENG.   Voorheen leidde het aanscherpen van normen met name tot de aanpassing van installaties en het verbeteren van de schil. De BENG heeft daarentegen ook impact op het ontwerp. Vooral op de oriëntatie van een project, de open-dicht verhouding van de gevel en een optimale verhouding van de thermische schil t.o.v. het vloeroppervlak. Primaire ontwerpbeslissingen zijn bepalend om aan de eisen te voldoen. Een intensievere samenwerking met een installatie- of EP-adviseur in het schetsontwerp en voorlopig ontwerp lijkt hierdoor een logisch gevolg. Wat zijn de eisen van de BENG? De gebouwde omgeving is in Nederland bijna goed voor 40% van het energieverbruik en 36% van de CO2-emissies. Het invoeren van de BENG heeft als doel om het energieverbruik en de CO2-emissies te reduceren en om de inzet van hernieuwbare energie te stimuleren. De BENG wordt vastgelegd aan de hand van drie eisen. Aan alle drie de eisen moet worden voldaan. BENG 1. De maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar BENG 2. Het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar BENG 3. Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten BENG 1 gaat over de hoeveelheid energie die nodig is om een gebouw te verwarmen en te koelen. Bepalend is de factor Als/Ag. Hierbij wordt gekeken naar de hoeveelheid oppervlak waardoor het gebouw warmte kan verliezen (bijvoorbeeld via het dak of de gevel). Dit is het verliesoppervlak (Als). Het verliesoppervlak wordt afgezet tegen de hoeveelheid gebruiksoppervlak (Ag) van een gebouw. Hoe minder verliesoppervlak een gebouw heeft, des te compacter het is. In het ontwerp is er een aantal factoren die invloed hebben op deze eis: stedenbouwkundig ontwerp, oriëntatie, compact ontwerp, schil-isolatie, luchtdichtheid en zonwering. Huijssoon laat zien dat het ontwerp een duidelijk verband heeft met de energiebehoefte van een gebouw. ”Dit geldt in het bijzonder voor de vorm, de grootte van de glasopeningen en de oriëntatie. Deze aspecten hebben ook het grootste effect op BENG 1. Het gebruik van een grote glasoppervlakte op het zuiden en minder grote glasoppervlakten op het noorden hebben een positief effect op de energiebehoefte. Het toepassen van loggia’s hebben daarentegen een negatief effect. Dit komt door het vergroten van het verliesoppervlak, waardoor de factor Als/Ag hoger uitvalt.” BENG 2 stelt een eis aan de maximale hoeveelheid energie uit niet-hernieuwbare bronnen. Oplossingen die invloed hebben op deze eis zijn onder andere: efficiënte installaties, ventilatie, warmteafgifte op lage temperatuur, warmwater met korte leidingen, warmte terugwinning en toepassing van hernieuwbare energie. BENG 3 staat voor het percentage hernieuwbare energie van het totale energiegebruik. Elk gebouw moet gebruik maken van hernieuwbare bronnen. Deze kunnen o.a. worden opgewekt door PV-systemen, zonneboilers, warmtepompen, bodemenergie, omgevingswarmte, biomassa, wind, waterkracht en externe warmte- en koude levering (mits hernieuwbaar). En dan is er nog TOjuli Naast de BENG komt er nog een eis: TOjuli. Een indicatiegetal waarmee per oriëntatie van het gebouw inzicht gegeven wordt in het risico op temperatuuroverschrijding in de maand juli. Hoe kleiner dit getal, hoe kleiner het risico van oververhitting. Hoe groter dus de kans dat de woning ook in de zomer comfortabel is. TOjuli is alleen van toepassing op woningen waar geen actieve koeling wordt toegepast. Huijssoon: “Ingrepen die bijdragen aan het beperken van de temperatuuroverschrijding zijn oriëntatie, minder glas, verlagen ZTA-waarde glas, verhogen van de gebouwmassa, isolatiewaarden en ventilatie. Maar er is ook een aandachtspunt: de relatie tussen Beng 1 en 2 en TOjuli voor woningen. Deze eisen kunnen tegenstrijdig zijn. Zo kan een hogere isolatie een gunstig effect hebben op Beng 1 en 2, maar een te hoge TOjuli teweeg brengen.” En? Welke invloed heeft de BENG op het ontwerp? Vanuit het oogpunt van duurzaamheid gaat de regelgeving van de BENG wellicht nog niet ver genoeg. Het is geen enorme verbetering ten opzichte van de EPC. Maar wél vernieuwend is dat de BENG – meer dan de EPC – stimuleert hernieuwbare energie te gebruiken en dat er in regelgeving wordt vastgelegd dat je de energievraag van een gebouw beperkt. Dat heeft invloed op hoe je je gebouw oriënteert en hoe je je gevel ontwerpt. Maar wat betekent de BENG dan voor de ontwerpvrijheid? Is het ontwerpen van een open, transparant gebouw nog wel mogelijk? Of schuilt er het gevaar dat je een eenduidige architectuur krijgt die voldoet aan de normen, maar waar het aan ruimtelijke kwaliteit ontbreekt? Gebruiken we de BENG als invuloefening? Dan zou je kunnen stellen dat ons in de toekomst een land vol Bijlmerflats wacht. Met galerijen met overstek, een 50% open-dicht gevel en op het zuiden georiënteerd. Zien we de BENG als kans? Dan kan de beperkende factor juist inspirerend werken omdat we ons bewuster zijn van de invloed op het klimaat en van de natuurlijke bronnen op ons ontwerp. Uiteindelijk valt of staat het met de juiste rekenmethode, de ambitie van de norm en de creativiteit van de ontwerper. En daar is voor ons een schone taak weggelegd. Rijnboutt en Ingenieursburo Linssen Ingenieursburo Linssen is betrokken bij tal van innovatieve projecten. Ze zijn experts in installatietechniek en denken integraal en creatief van ontwerp tot uitvoering. Rijnboutt en Linssen werkten o.a. samen aan Sapphire in Den Haag en aan het Missiehuis in Driehuis.

Rijnboutt leert over nieuwe omgevingswet

18 februari 2020

“Misschien wel de grootste wetgevingsoperatie sinds de Grondwet van Thorbecke.” Zo leidde Flip ten Cate (directeur Federatie Ruimtelijke Kwaliteit) zijn lezing in tijdens de in-company training over de Nieuwe Omgevingswet bij Rijnboutt. Omdat deze wet op 1 januari 2021 in werking treedt, starten nu langzamerhand de projecten waarvoor een vergunning zal worden aangevraagd onder dit nieuwe stelsel. Wat betekent dat voor die projecten? Wat verandert er voor ons als ontwerper? Hoe informeren we onze opdrachtgever hierover? En hoe bereiden wij ons dit jaar voor om volgend jaar een vergunning in te kunnen dienen?   Om antwoorden te vinden op deze vragen, vroegen wij Berghauser Pont om bij ons in huis een eendaagse cursus te organiseren voor alle medewerkers. Docent Jur van der Velde trapte de dag af op de tribune met een algemene inleiding over het wat, hoe en waarom van de Nieuwe Omgevingswet. Ietwat taaie kost, maar door deze gedegen inleiding konden we in de volgende programmaonderdelen snel de diepte in gaan. Onder leiding van Aart de Boon discussieerde een grote groep ontwerpers – architecten, landschapontwerpers, stedenbouwers en technisch ontwerpers – over de impact van de nieuwe wet op onze dagelijkse ontwerppraktijk. “Niet eerder stond ik voor een groep deelnemers die meteen zo veel kansen zag in de Nieuwe Omgevingswet.” zei Aart achteraf. Het is duidelijk dat Rijnboutt een nieuwe rol zal innemen in het gesprek tussen opdrachtgever, ontwerper en gemeente. In het komende jaar willen we onderzoeken wat die nieuwe rol is en hoe we die gaan invullen. Michael Maminski, Ontwerper Architectuur: “Voor mij als architect aan het begin van mijn carrière, is de Omgevingswet überhaupt nieuwe stof. Ik draag geen baggage mee van het huidige systeem waardoor ik er positief in sta. Wat ik het meest interessant aan de nieuwe Omgevingswet vind, is dat het project ook uitgelegd moet worden met argumenten die zogenaamd minder meetbaar of hard zijn: aspecten als veiligheid, leefbaarheid, klimaat en esthetiek. Ik zie daar een verrijking in van ons vakgebied. Tegelijkertijd is mij ook duidelijk geworden dat de nieuwe procedure een heleboel potentiële manco’s en uitdagingen met zich meebrengt. We moeten het maar gewoon gaan doen, dan zien we wel hoe het gaat.” Claudia Koenen nam de projectcoördinatoren mee in de veranderingen in het vergunningsstelsel. Een ingewikkeld verhaal waarvan men nog niet volledig kan overzien wat er precies verandert en wat gelijk blijft. Onze werkgroep Bouwregelgeving zal daarom het huidige bouwbesluit gaan vergelijken met de opvolger daarvan. De projectcoördinatoren willen uitzoeken wat de voor- en nadelen zijn van de nieuwe knip tussen de technische en de kwalitatieve omgevingsvergunning. Aan het einde van de dag zoomde Flip ten Cate tijdens ons maandelijks Ontwerpoverleg XL in op hoe de Welstandsnota’s en de commissies Ruimtelijke Kwaliteit geborgd zijn in de nieuwe wet. Zo in detail naar één belangrijk onderdeel van de wet kijken, gaf goed inzicht in de werking ervan. Annemiek Wiggers, Assistent Ontwerper Stedenbouw: “Het meest illustratieve voorbeeld van de dag kwam wat mij betreft van Flip ten Cate: “Een snelweg kan wel ruimtelijke kwaliteit hebben – goed ontworpen, functioneel en duurzaam in materiaalgebruik – maar heeft geen omgevingskwaliteit. De erkenning van dat verschil is de absolute meerwaarde van de omgevingswet.” Na een pauze met pizza probeerden we in een gesprek samen te vatten wat de dag ons gebracht had. Een van de speerpunten van de Nieuwe Omgevingswet is de integrale benadering van de opgave. Niet het gebouw of het projectgebied staat centraal, maar de impact van die nieuwe invulling op de kwaliteit van de leefomgeving. Deze houding weerspiegelt precies waar Rijnboutt voor staat. Bij elke opgave kijken we om ons heen en vragen we ons af: “Wat brengt dit project voor de stad, voor zijn omgeving?” We zien het dan ook als een groot voordeel dat kwaliteiten als duurzaamheid, gezondheid en sociale cohesie onder de Nieuwe Omgevingswet kwantitatief meegewogen gaan worden in de beoordeling van een project. De nieuwe wet geeft Rijnboutt de kans om de komende jaren nóg mooiere projecten te realiseren – in de breedste zin van het woord.

Hollandse Meesters: 310 gezonde woningen voor Stadshart Amstelveen

10 februari 2020

Het project “Hollandse Meesters” is gelegen op de kruising van de Meester G. Groen van Prinstererlaan en de Burgemeester Haspelslaan, in de nabijheid van het Stadshart en de Stadstuinen van Amstelveen. Gebiedsontwikkelaar AM heeft Rijnboutt gevraagd een gebouw te ontwerpen dat inspeelt op de huidige en toekomstige woningbehoefte van Amstelveen, met de focus op diversiteit, duurzaamheid, welzijn en collectief gebruik. Op dit moment zijn we bezig met het voorlopig ontwerp, de wens is om in het 3e kwartaal van 2020 de Omgevingsvergunning te kunnen aanvragen. Aanwinst voor de buurt Hollandse Meesters wordt ontworpen als een kleine stadsbuurt gevat in een gebouw, dat behalve voor de bewoners ook voor de directe omgeving nieuwe voorzieningen biedt. In totaal komen er 310 nieuwe woningen, binnen een breed scala van huur- en koopwoningen tussen de 40 en 150 m2, waarvan 65% binnen het middeldure segment. Ook biedt het complex een divers aanbod aan openbare en collectieve functies, zoals een groene binnentuin en een gemeenschappelijke daktuin, huiskamer en werk- en studieruimte. Een deel van de collectieve ruimten wordt gekoppeld aan publieke functies, zodat er in de plint plekken ontstaan waar bewoners en buurtbewoners elkaar ontmoeten. Daarnaast wordt volop ingezet op deelmobiliteit waar bewoners kunnen kiezen uit het gebruik van e-bikes, scooters en elektrische auto’s. Het gebouw staat stevig op de grond door een U-vormig basement van 6 verdiepingen, de in de Hoogbouwvisie gedefinieerde “Amstelveense hoogte”, die verwijst naar de hoogte van de bomen in deze groene stad. De plint van het gebouw krijgt een gevarieerde invulling met openbare en collectieve functies, aangevuld met entreelobby’s voor de woningen en grondgebonden woningen. Hierdoor ontstaat er een levendige sfeer aan de straat, waarbij de relatie publiek – collectief – privé zorgvuldig is afgestemd. Achter deze actieve plint en in de kelder bevindt zich de parkeergarage, voor zowel auto’s, scooters als fietsen. Bovenop het basement staan twee woontorens, met een totale hoogte van respectievelijk 16 en 17 verdiepingen. De woontorens zijn dusdanig vormgegeven en gepositioneerd – breder in de basis en slank op de top – dat de schaduwval een zo min mogelijk nadelig effect heeft op de directe omgeving en op de eigen binnentuin van de Hollandse Meesters. De torens hebben alzijdig een open en transparante gevel, waarachter een grote diversiteit van woningtypes schuil gaat. Welzijn en gezondheid Het overkoepelende thema ‘welzijn en gezondheid’ is in het project Hollandse Meesters leidend bij alle ontwerpbeslissingen. Het gebouw zal worden ontwikkeld aan de hand van de vernieuwde ‘WELL 2.0-richtlijnen’, waarbij er volle aandacht is voor luchtkwaliteit en ventilatie, waterkwaliteit en -gebruik, genereuze mate van daglichttoetreding en buitenruimte, aanbod en stimulans om te bewegen en comfort voor de bewoners. Tenslotte wordt in het project veel aandacht besteed aan duurzaamheid, door middel van een integrale aanpak. Het gebouw biedt extra waterbuffer door middel van waterretentie op de groene daken en onder de binnentuin, welke vertraagd afstroomt naar de bestaande waterloop. De biodiversiteit in en rond het gebouw wordt versterkt door de bestaande naastgelegen groenstructuur door te trekken in de binnentuin. De toepassing van groene daken en voorzieningen zoals vogel- en vleermuiskasten dragen ook bij aan de versterking van de biodiversiteit ter plekke. Door een duurzaam energieconcept voldoet het gebouw ten minste aan de toekomstige BENG-eisen. Er wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van individuele warmte-koude opslag en zonnepanelen.

Rijnboutt ontwerpt duurzame koploper in gebiedstransformatie Amstel III

23 januari 2020

De verouderde kantorenwijk van Amstel III, gelegen tussen de Amsterdam Arena en het AMC, verandert de komende jaren in een levendige stadswijk met ruimte voor werken, wonen en recreëren. Binnen deze grootschalige gebiedsontwikkeling en als onderdeel van het Hessenbergweggebied ontwerpt Rijnboutt in opdracht van Certitudo Capital en in samenwerking met Arup en Pieters Bouwtechniek BV het kantorencomplex Amstel NEXT. Het gebouw heeft een open karakter en voegt zich naar de schaal van de buurtstraat Hettenheuvelweg 26 bestaat uit een kantoorvolume van ca. 13.000 m2 verdeeld over 10 verdiepingen met dakterrassen en een eigen dubbellaagse, ondergrondse parkeergarage. Op de begane grond creëren we een levendige plint met een restaurant en een dubbelhoge, uitnodigende hoofdentree op de hoek van het blok. Het gebouwvolume voegt zich door zijn geleding en de toepassing van meerdere setbacks naar de schaal van de buurtstraat, maar blijft duidelijk als één gebouw herkenbaar. De plastische gevel van bronskleurige vinnen met een wisselend ritme en oriëntatie zorgt voor een dynamisch gevelbeeld. Duurzaam en ambitieus Amstel NEXT streeft naar een klimaatklasse A++ en een BREEAM Excellent certificering. Middels een volledig prefab bouwsysteem van betonnen kolommen, dragende prefab gevels, kanaalplaten zonder druklaag en een verhoogde computervloer wordt ingezet op circulair bouwen en het creëren van een zeer hoge mate van flexibiliteit, zowel bouwkundig als installatietechnisch. Huurderswensen zoals indeling van de vloervelden zijn eenvoudig in te passen en veranderende wensen van huurders tijdens exploitatie zijn eenvoudig door te voeren. Bovendien zijn de bouwmodules uitwisselbaar waardoor het project aangepast kan worden aan de eisen van de tijd. De duurzaamheidsambitie wordt verder gerealiseerd door aan te sluiten op een duurzame warmte- en koudevoorziening, de installatie van zonnepanelen, oplaadpunten voor elektrische auto’s, fietsen en scooters en de mogelijkheid voor het gebruik van deelauto’s. Daarnaast zetten we op ecologisch gebied in op geïntegreerde groenvoorzieningen op de dakterrassen en voorzieningen ten behoeve van waterretentie op maaiveld. Kijk voor meer informatie op www.amstelnext.com

Atelier Van Lieshout als rode draad

16 januari 2019

Interieur nieuwe kantoor Rijnboutt i.s.m. Lensvelt Dit artikel verscheen op de site van Lensvelt. Rijnboutt werkte samen met Fokkema & Partners en Lensvelt aan het opmerkelijke interieur van hun gloednieuwe kantoor aan de Moermanskkade in Amsterdam. Het ontwerpbureau viel meteen voor het uitgesproken meubilair van Atelier Van Lieshout (AVL) uit de collectie van Lensvelt, dat zelfs speciale ‘Boomtafels’ ontwierp. En zo vormt AVL de rode draad door het 1600 m2 grote pand. Rijnboutt wenste maximale aandacht voor comfortabel meubilair voor zowel bezoekers als medewerkers. Projectinrichter Lensvelt dacht mee en leverde meubilair dat aansluit bij de robuuste plek. De stoere AVL Office Chairs, zowel gestoffeerd met zwart leer als met koeienhuid, en de met zwart leer beklede AVL Koker Chairs voor de glazen vergaderruimtes, passen als gegoten. De overwegend zwart-witte tonen vulde Lensvelt aan met een groene en een blauwe ruimte met enkele eigenzinnige eye catchers: de AVL Workbench en AVL Koker Chairs. De AVL Lazy Modernist nodigt samen met de AVL SPR Cathedra Lounger uit om te relaxen, van het weidse uitzicht over het IJ te genieten en inspiratie op de doen. Rijnboutt ontwierp in de lijn van Atelier Van Lieshout, speciale grote polyester tafels met daarin een verzonken plantenbak. De tafels op de werkvloer zijn door de medewerkers van Rijnboutt ‘Boomtafels’ gedoopt. Ook de ronde Piet Hein Eek-krukjes op wieltjes zijn op maat gemaakt. Ze zijn weg te bergen onder de bureaus en worden erbij gepakt bij overleg. ‘Een voordeel als je de tachtig medewerkers verspreid over twee vestigingen samenbrengt in een fonkelnieuw pand, en zelf architect bent: je kunt je ideale kantoor bedenken’, zegt Frederik Vermeesch, een van de vijf architect directeuren. ‘Gezamenlijk met Lensvelt hebben we belangrijke begrippen als samenwerken, transparantie en flexibiliteit op een slimme en originele manier vertaald in het interieur met stilteplekken, warrooms, ontmoetingsruimtes, flexplekken, een open werkvloer, maquettekamer en een bibliotheek.’ Over het kantoor van Rijnboutt Het multidisciplinaire ontwerpbureau op het gebied van architectuur, stedenbouw en landschap huist op de vierde en vijfde verdieping van een pand aan de Moermanskkade in het Westelijk Havengebied. Hier werkt het bureau aan complexe binnenstedelijke opgaven met vaak een mix aan functies als kantoren, woningen en retail. Zoals de herbestemming van het postkantoor aan het Neude in Utrecht, de Catherinasteeg in Leiden, de kop van Cruquius en het Citroën Noordgebouw aan het Olympisch Stadion in Amsterdam, en de flagship stores van Hudson’s Bay in Amsterdam, Tilburg, Breda en Amstelveen. Rijnboutt is participant van het Dutch Green Building Council (DGBC) en is betrokken geweest bij de opstelling van het BREEAM-label voor gebiedsontwikkeling en duurzame stedenbouw. Architecten: Fokkema & Partners, www.fokkema-partners.nl Tekst: Viveka van de Vliet Fotografie: Jan Willem Kaldenbach Duurzaamheid: 

Wie is de nieuwe erfgoedprofessional?

13 november 2018

Albany Business College, New York, begin 20e eeuw. Bron: Flickr Steeds luider klinkt de roep om een ‘nieuwe erfgoedprofessional’ die zich tegenover de ‘oude erfgoedprofessional’ positioneert. Daarvan bestaat een beeld van een norse en starre bouwtechnicus die potentiële herbestemming van monumenten in de weg staat vanwege de conservatieve manier van werken. Deze ‘oude erfgoedprofessional’ denkt sectoraal en wilt het liefst een stolp over al wat oud is. De erfgoedprofessional als alleskunner De nieuwe erfgoedprofessional daarentegen zet erfgoed in als factor voor een herbestemming van een gebouw, of liever zelfs als vector voor de herontwikkeling van steden en landschappen. In artikelen en op congressen en symposia worden de eigenschappen van deze nieuwe erfgoedprofessional besproken. Het blijkt een duizendpoot te zijn: jong van geest, creatief aangelegd en in staat om out of the box te denken. Een flexibele houding is belangrijk, evenals bevlogenheid en doorzettingsvermogen. Hij of zij bezit technisch inzicht in erfgoed en constructieve kennis van nieuw toe te voegen onderdelen. Maar ook inzichten in marktwaarde van huidige én nieuwe toestand, investeringskosten en de slagingskans van stedelijke inpassing van nieuwe functies in de omgeving. Naast deze technische en financiële kennis, zijn de vereiste soft-skills niet te onderschatten: de erfgoedprofessional is een ervaren projectmanager, communicatief vaardig en kan het verhaal van het erfgoed en de herbestemming overtuigend vertellen én verbeelden. Hij of zij is tegelijkertijd in staat goed te luisteren en alle belangengroepen te woord te staan en hun wensen te integreren in het project – van vergunningverlenende instanties tot buurtbewoners. De kennis van wet- en regelgeving is zo diepgaand, dat hij of zij in staat is de grenzen van regels op te zoeken zonder daadwerkelijk gaten in de wet te hoeven gebruiken. En niet te vergeten is hij of zij natuurlijk in staat om de waarde van het erfgoed – tastbaar of immaterieel – juist in te schatten door gedegen kennis van geschiedenis, architectuur en stedenbouw, en deze waarde voortreffelijk af te wegen tegen functionaliteit en wensen ten aanzien van het nieuwe programma. En vergeet duurzaamheid niet! Kortom, er wordt gevraagd om een zeer breed geschoolde generalist. Met specialisten naar een hoog niveau Over deze combinatie van eigenschappen die de nieuwe erfgoedprofessional moet bezitten wordt uitgebreid gesproken. Minder breed is de discussie hoe wij studenten opleiden om tot dergelijke generalistische erfgoedprofessionals? Wat moet een afgestudeerde architect / projectmanager / erfgoeddeskundige / bouwhistoricus / journalist / jurist / bedrijfskundige weten en kunnen om voorbereid te zijn op de praktijk? Als ik voor een herbestemmingsproject met een team rond de tafel zit, verwacht ik dat iedereen rond die tafel kennis en ervaring inbrengt en elkaar zo aanvult. Ik verwacht van projectgenoten kennis en ervaring op een specifiek vakgebied, zodat vanuit hun specialistische kennis een samenwerking op hoog niveau ontstaat. Je kunt alleen een integraal project maken als iedereen een even waardevolle bijdrage levert op zijn of haar eigen vakgebied. Hoe hoger de kwaliteit van die individuele bijdragen, hoe hoger de kwaliteit van het eindresultaat. Dat veronderstelt natuurlijk wel dat iemand in dat team aan die tafel als specialisme projectleiding heeft. Ik heb het dan niet over de wat smal gedefinieerde rol van de projectmanager, die meestal vooral oog heeft voor budget en planning. Ik heb het over een echte teamleider, die zorg draagt voor een goede samenwerking binnen het team en de visie op de opgave en kwaliteit van het eindresultaat voor ogen houdt– waarvan het halen van budget en planning slechts onderdelen zijn. Deze specialist heeft waarschijnlijk meer dan de anderen notie van de inhoud van de verschillende vakgebieden, maar hoeft deze niet te beheersen. De dirigent van een symfonieorkest hoeft niet alle instrumenten te kunnen spelen om te weten hoe ze samen klinken. De dirigent is ook niet alleen bezig met het droog instuderen van een bepaald stuk voor een zekere datum. Hij of zij zorgt er voor dat het samenspel van het orkest een hoger niveau bereikt dan de simpele optelsom van het werk van individuele, zeer kundige musici. Leer studenten een vak In antwoord op de vraag hoe onze studenten op te leiden pleit ik voor meer specialisatie, ofwel: leer studenten een vak. Een brede basis is belangrijk, maar laat studenten ook voldoende de diepte in gaan, zodat ze echt weten waar ze het over hebben en ervaring in het eigen vakgebied opdoen. Leer de student te zien waar zijn of haar kennis ophoudt, wanneer hulp te zoeken en bij wie. Laat de student daarom kennis maken met andere vakgebieden, maar alleen om voldoende notie op te doen van andere vakgebieden om te weten wat deze in potentie bijdragen; niet met de pretentie na deze kennismaking daadwerkelijk verstand te hebben van het andere vakgebied. Leer de student kritisch te luisteren en te kijken, door te vragen en nieuwe informatie op gedegen wijze te verwerken, zonder daarbij de waarde van de eigen bijdrage te verwaarlozen. Geef de student voldoende zelfvertrouwen dat hij of zij gelooft in de kwaliteit van die eigen bijdrage en voldoende moed om wanneer nodig, star vast te houden aan de eigen overtuiging, soms tot op het norse af. Karianne Vandenbroucke is senior ontwerper erfgoed bij Rijnboutt (Amsterdam), opgeleid als ingenieur-architect aan Universiteit Leuven met een Master of Science in Conservation of Monuments and Sites van het Raymond Lemaire International Centre of Conservation. Ze werkte o.a. bij architectenbureau Fritz en Rappange&Partners architecten en als restauratiearchitect bij Vereniging Hendrick de Keyser. Karianne brengt bij Rijnboutt kennis en ervaring in bij het begeleiden en opleiden van medewerkers die te maken hebben met gebouwd erfgoed.

De Club van Rome en de 5 valkuilen van klimaatboodschappen

06 november 2018

50 jaar geleden kwam de zogeheten ‘Club van Rome’ bij elkaar, een internationale milieu-denktank dat op basis van onderzoek van de MIT een analyse maakte en hierover een rapport opstelde. Deze was alarmerend, een catastrofe zou zich binnen enkele decennia aandienen! (English version below) En inderdaad, we ondervinden nu al geruime tijd de gevolgen van de manier waarop we met de aarde omgaan, de plastic soep, klimaatverandering, de gevolgen van gaswinning, etc. Die gevolgen zijn niet zo catastrofaal geëindigd in een wereldoorlog of een wereldvernietigende natuurramp, maar daarmee niet minder desastreus. Opnieuw is er een denktank van wetenschappers, politici en ondernemers bij elkaar gekomen om na te denken over dezelfde vragen als een halve eeuw geleden en ook nu weer een alarmerende boodschap: we kunnen niet door op de manier zoals we nu met de aarde en met de welvaarts- en bevolkingsgroei omgaan. Gek genoeg worden we hier niet eens zo zenuwachtig van ondanks het feit dat de wetenschappelijke rapporten zich opstapelen. Dat ligt volgens de denktank aan de manier waarop de boodschap wordt uitgelegd en de manier waarop deze is geïnterpreteerd: als enorme rampen uitblijven dan zal er wel niks aan de hand zijn. Maar is het probleem niet gewoon de manier waarop we met slecht nieuws omgaan? Kan ‘de mens’ een boodschap op wereldniveau bevatten en vertalen naar zijn eigen cirkel van invloed? Nee, blijkt uit een studie van klimaatpsycholoog Per Espen Stoknes. Er zijn vijf psychologische valkuilen die verklaren waarom de mens niet in staat is om te gaan met lange termijn gevaren zoals bijvoorbeeld klimaatverandering: Distance/ afstand tot het probleem: veranderingen op de noordpool zien en ervaren we niet en de echte problemen lijken nog ver weg in de tijd. De onheilspellende scenario’s leiden tot een reactie dat er niks meer aan te doen valt; Doom/ de angst-boodschap: veel rapporten die het probleem laten zien zijn gebaseerd op een angst en schuld scenario. Onderzoek laat zien dat juist deze manier van boodschappen brengen mensen passief maakt; Dissonance/ tegenstrijdigheid: het klimaatprobleem is tegenstrijdig met onze levensstijl, wat ons hypocriet maakt en dat voelt ongemakkelijk. Als reactie hierop proberen we onze eigen bijdrage aan het probleem te bagatelliseren; Denial/ ontkenning: als gevolg van bovenstaande weten we precies welk nieuws we niet meer willen horen. We worden niet meer verrast door nieuwe feiten en onderbouwingen omdat we ze ook niet willen horen; Identity/ eigenwaarde: hoe meer we aangevallen worden op dat wat onderdeel is van onze huidige manier van leven en dat wat we zijn, hoe meer weerstand er ontstaat als natuurlijke reactie, we voelen ons aangevallen en willen daarom graag het tegendeel bewijzen. De bouw krijgt veelal de kritiek dat het weinig innoverend is en te weinig verantwoordelijkheid neemt als het gaat om de problemen met klimaatverandering, gezondheid en grondstoffentekort. Hier is ook sprake van Dissonance, Denial en Identity. Bovendien wordt de verantwoordelijkheid ook afgeschoven op de consument zelf: zij zouden er niet om vragen, of het geld er niet voor over hebben. De boodschap moet dus anders verteld worden, willen we het publiek maar ook de ontwikkelaars écht bereiken. We hebben een nieuw soort verhaal nodig, verhalen die ons vertellen dat de natuur veerkrachtig is en zich kan herstellen, terug kan naar een gezondere staat, als we het een kans geven om dat te doen. Hoe wij bovenstaande toepassen in de praktijk is door bijvoorbeeld in een gesprek niet het over ‘duurzaamheid’ te hebben, maar over concrete thema’s zoals comfort, optimalisaties in het ontwerp- en installatieconcept, een optiepakket voor gezonde woningen met gezonde afbouwmaterialen, inspelen op gedeelde belangen bijvoorbeeld een soepel proces met de gemeente en op die manier meer aandacht voor groen en klimaatverandering, etc. Wanneer je doorvraagt en achterhaalt waar de interesse ligt, hoe men zelf aankijkt tegen de duurzaamheidsproblemen, kom je tot een gesprek en zijn er openingen voor verbeteringen. Grote stappen tot verandering maak je samen en daarom is de boodschap zo belangrijk. Geïnteresseerd in de psychologie van klimaatverandering? Bekijk hier de TED-talk of lees het boek “What We Think About When We (Try Not to) Think About Global Warming” (2015) door Per Espen Stoknes. English version The Club of Rome and the 5 pitfalls of climate messages by Femke 50 years ago the so-called ‘Club of Rome’ came together, an international environmental think tank that made an analysis based on MIT research and drew up a report on this. This was alarming, a catastrophe would arise within a few decades! And indeed, we have been experiencing for some time now the consequences of the way we deal with the earth, the plastic soup, climate change, the consequences of gas extraction, etc. These consequences have not ended so catastrophically in a world war or a world-destroying natural disaster, but are not less disastrous. Once again a think tank of scientists, politicians and entrepreneurs came together to think about the same questions as half a century ago and again an alarming message arose: we can not continue to live on earth the way we live, with increasing prosperity and population growth. Strangely enough, we are not even so nervous about this, despite the fact that the scientific reports are piling up. According to the think tank, this is due to the way in which the message is explained and the way in which it is interpreted: if enormous disasters do not occur, then probably nothing is really wrong. But is the problem not just the way we deal with bad news? Can ‘man’ fathom a message at this global level and translate it into his own circle of influence? The answer is no, according to a study by climatic psychologist Per Espen Stoknes. There are five psychological pitfalls that explain why humans are unable to deal with long-term dangers such as climate change: 1. Distance to the problem: we do not see and experience changes at the North Pole and the real problems still seem far away in time. The ominous scenarios lead to a reaction that nothing can be done about it; 2. Doom / the fear message: many reports that show the problem are based on a fear and guilt scenario. Research shows that it is precisely this way of messaging that makes people passive; 3. Dissonance / contradiction: the climate problem is contradictory with our lifestyle, which makes us hypocritical and that feels uncomfortable. In response to this, we try to downplay our own contribution to the problem; 4. Denial: as a result of the above, we know exactly which news we no longer want to hear. We are no longer surprised by new facts and substantiation because we do not want to hear them either; 5. Identity / self-worth: the more we are attacked on what is part of our current way of life and what we are, the more resistance there is as a natural reaction, we feel attacked and therefore want to prove the opposite. Construction often receives the criticism that it is not very innovative and takes too little responsibility when it comes to the problems with climate change, health and raw material shortages. Here, Dissonance, Denial and Identity are also at play. Moreover, the responsibility is also shifted to the consumer: they don’t ask for it, or don’t want to spend money on it. The message must therefore be told differently, if we really want to reach the public but also the developers. We need a new kind of story, stories that tell us that nature is resilient and able to recover, can go back to a healthier state, if we give it a chance to do so. How we apply the above in practice is, for example, not talking about ‘sustainability’ in a conversation, but about concrete themes such as comfort, optimisations in the design and installation concept, an option package for healthy homes with healthy finishing materials, responding to shared interests. For example a smooth process with the municipality gives more attention for green and climate change, etc. When you ask customers and partners to find out where the interest lies, your perception of sustainability and the approach of seeing and identifying opportunities in interviews, is where you can make a true difference. That’s why the message is so important. Interested in the psychology of climate change? Watch the TED talk here or read the book “What We Think About When We (Try Not to) Think About Global Warming” (2015) by Per Espen Stoknes.

Plan centrumgebied Hof van Holland geselecteerd

06 juli 2018

De gemeente Nijmegen heeft in een Europese aanbesteding het plan van ontwikkelingscombinatie AM/VanWonen geselecteerd als beste invulling van het centrumgebied Hof van Holland in de Waalsprong. Het consortium wil in Hof van Holland circa 11.500 m2 aan commerciële ruimte (winkels, horeca, dienstverlening), circa 450 woningen en het bijbehorende parkeren realiseren. Voor de woningcorporaties Talis en Portaal worden gezamenlijk 100 woningen in het gebied gebouwd. Wethouder Noël Vergunst: “Hof van Holland wordt het functionele én sociale hart van de Waalsprong, waar winkels, maatschappelijke voorzieningen, wonen, werken en een mooie openbare ruimte worden gecombineerd. Het wordt een plek waar je niet alleen je boodschappen kunt doen, maar waar het ook prettig verblijven is en mensen elkaar kunnen ontmoeten.” Het afgelopen jaar waren in een Europese aanbesteding twee plannen in de race als invulling voor het gebied. Het plan van AM en VanWonen, getiteld ‘Hart van de Waalsprong’, kwam uiteindelijk als beste uit de bus en heeft de voorlopige gunning gekregen. De beoordelingscommissie is erg te spreken over de opzet van het plan, de architectuur en de inpassing in de omgeving. Ook de slimme parkeeroplossingen, de inrichting van de openbare ruimte en de duurzaamheid van het plan scoren hoog. Vergunst: “Voor zover bekend wordt dit het eerste volledig energieneutrale winkelcentrum van Nederland.” Het consortium verwacht begin 2020 te kunnen starten met de bouw. In 2021 zal de eerste fase van het winkelcentrum gereed zijn, in 2024 is naar verwachting het hele plan gereed. Het is de bedoeling dat er een tijdelijke supermarkt wordt gerealiseerd totdat de eerste fase van het winkelcentrum geopend is. Raymon van Miltenburg, directeur AM en Alfred Bolks, algemeen directeur VanWonen: “Wij zijn blij dat de visie die wij uitdragen op het gebied van de inclusieve stad en gedurfde duurzaamheid door de gemeente is omarmd. Hart van de Waalsprong wordt een duurzame, bruisende stadswijk met een uitgesproken eigentijds karakter. Met grondgebonden (stads)woningen, koop- en huurappartementen en sociale huurwoningen is er genoeg diversiteit. De wijk wordt een ‘gemengd stadje’ voor iedereen en krijgt het eerste energie neutrale winkelcentrum van Nederland.” Voorlopige gunning Er is sprake van een voorlopige gunning. De partij die is afgevallen heeft 20 dagen de tijd om bezwaar te maken tegen de beslissing. Daarna wordt de gunning definitief en kan de ontwikkelingscombinatie de grond kopen, de plannen verder uitwerken en de vergunningen gaan aanvragen. Na de zomer wordt een informatieavond voor de bewoners van de Waalsprong georganiseerd waarbij de plannen uitgebreid worden toegelicht. www.hartvandewaalsprong.nl Lees dit persbericht op de website van www.bam.com

Uitreiking NRP Gulden Feniks prijs 2018

27 juni 2018

Op woensdag 27 juni werden, in De Caballero Fabriek in Den Haag, op feestelijke wijze de winnaars bekend gemaakt van de NRP Gulden Feniks 2018. Tijdens de NRP Nationale Renovatie- en Transformatiedag werden de prijzen uitgereikt aan de winnaars in drie categorieën Gebiedstransformatie: De Kloostertuin, Nijmegen Transformatie: Blokhuispoort, Leeuwarden Renovatie: Musis Sacrum, Arnhem Het project Aalmarkt in Leiden door Rijnboutt, samen met MRP Development en de Gemeente Leiden, is genomineerd en eindigt als 2e in de categorie gebiedstransformatie. ‘Catharinasteeg’ genomineerd In de historische binnenstad van Leiden is samen met MRP Development en Gemeente Leiden een grote herbestemming gerealiseerd. In het Aalmarktgebied is op de plek van de oude Van Nelle fabriek een nieuwe winkelstraat gecreëerd. Deze nieuwe straat “Catharinasteeg” vormt samen met de nieuwe Catharinabrug een verbinding tussen de Breestraat en de Haarlemmerstraat. Hiermee is een logische winkelroute gemaakt. In 2009 heeft Rijnboutt een prijsvraag gewonnen die door de gemeente Leiden was uitgeschreven voor de gebiedsontwikkeling van het Aalmarktgebied in de binnenstad. De uitvraag van deze competitie was tweeledig: enerzijds was de opgave om een plan te maken waarin de steeds verder verpauperende rijks- en gemeente monumenten in het gebied zouden worden gered en anderzijds om het mogelijk te maken een aantal grote winkelunits (1500m2+) toe te kunnen voegen aan het kernwinkelgebied. De essentie van het winnende concept van Rijnboutt bestond uit het draaien van de Waaghoofdbrug richting het zogenaamde ‘gat van Van Nelle’ en het maken van een nieuwe verbinding tussen de Aalmarkt en de Breestraat, de Catharinasteeg. Lees meer over het project ‘Catharinasteeg’ Aalmarkt, Leiden >> NRP Gulden Feniks NRP Gulden Feniks is dé prijs ter bevordering en inspiratie voor hergebruik van de bestaande gebouwde omgeving. Uniek aan NRP Gulden Feniks is het exclusieve karakter van een integrale prijs. Niet alleen economische aspecten, innovatie en technische uitvoering worden beoordeeld door de vakkundige jury. Facetten als de culturele waarde, duurzaamheid, functionele kwaliteit en maatschappelijke waarde van uw project wegen even zwaar. Geen enkele andere prijs is zo veelzijdig van opzet. De onafhankelijke stichting NRP (voorheen: Nationaal Renovatie Platform) reikt NRP Gulden Feniks ieder jaar uit aan de beste renovatie- en (gebieds)transformatieprojecten van Nederland.

Enthousiasme bij presentatie plan Sluiseiland Vianen

21 juni 2018

Gemeente Vianen en ontwikkelaar Smit’s Bouwbedrijf uit Beverwijk presenteerde op 19 juni jl. aan een grote groep enthousiaste belangstellenden het nieuwe plan voor Sluiseiland. Tijdens deze bijeenkomst werd naast het ontwerpbestemmingsplan ook een doorkijk gegeven naar het stedebouwkundigplan en de eerste schetsontwerpen van de woningen. Belangstellenden konden hierover in gesprek met een aantal deskundigen op het gebied van stedenbouw, architectuur, landschap en duurzaamheid. Eveneens was er een verder uitgewerkte maquette te zien. De presentiepanelen zijn hier te bekijken. Sluishuis Vanaf juli zal de maquette, het stedebouwkundigplan en de eerste schetsontwerpen te bekijken zijn in het ‘Sluishuis’: het duurzame tiny house dat, naast de rotonde, centraal is geplaatst op het eiland. Het Sluishuis zal naast het plan ook de verzamelplek én het hart van het ‘Waterjaar’ gaan vormen. De Stichting Stuurgroep Vianen Promotie zal hier deels gevestigd zijn. Enerzijds fungeert het huisje dus als bezoekersinformatiecentrum van Sluiseiland en anderzijds als plek voor het promoten van de stad. Het Sluishuis is geopend op donderdag en vrijdag. Lees verder op de website van Sluiseiland Vianen

Transformatie van de kop van Cruquius

15 juni 2018

Rijnboutt werkt sinds 2016 aan het ontwerp voor de kop van Cruquius. Het stedenbouwkundig concept, de inrichting van de openbare ruimte, het ontwerp van drie woongebouwen met parkeergarage, de herbestemming van ‘De Werkmeester’ en de hoge duurzaamheidsambities vormen de basis van deze opgave. In opdracht van Amvest en in samenwerking met Bedaux de Brouwer Architecten is onlangs het voorlopig ontwerp afgerond. Het Cruquiusgebied wordt aan twee zijden begrenst door water; de Entrepothaven aan de westzijde en het Amsterdam-Rijnkanaal aan de oostzijde met op de kop uitzicht op het IJ. Op deze plek is het gevoel van een eiland en de rijke havenindustrie het meest voelbaar. De schaal van het Amsterdam-Rijnkanaal, de harde wind, de voorbijglijdende grote schepen en het magnifieke uitzicht zijn belangrijke uitgangspunten geweest voor het ontwerp. Buro Lubbers heeft in opdracht van Stadsdeel Oost een raamwerk openbare ruimte opgesteld met bijbehorende spelregelkaart. Vervolgens is door Rijnboutt een stedenbouwkundige concept gemaakt waarin een autovrij plein ontstaat georiënteerd op de Entrepothaven. Op het centrale plein krijgt het gebouw ‘De Werkmeester’ een belangrijke rol. Het gebouw wordt verplaatst en krijgt een nieuwe functie als restaurant en ontmoetingsplek voor de buurt. In 1908 vestigde de N.V. Nederlandsche Metaalhandel als één van de eerste in het Cruquiusgebied. Het gebouw ‘De werkmeester’ is ontworpen door Willem Langhout als kantoor met twee woningen. Bureau Monumenten en Archeologie omschrijft het gebouw als beeldbepalend voor de industriële geschiedenis van Cruquius. Rijnboutt onderzoekt de mogelijke aanpassingen en de positie van ‘De Werkmeester’ om het geschikt te maken voor haar nieuwe functie en positie op Cruquius. In het stedenbouwkundig plan ontwerpt Rijnboutt ook de inrichting van de openbare ruimte. Hierbij vormt het industriële karakter van Cruquius en de relatie met het water de basis van het ontwerp. De verblijfskwaliteit van het openbaar gebied wordt verhoogd door het grotendeels autovrij en groen in te richten en te voorzien van speelaanleidingen. Het centrale plein wordt verbonden met de Entrepothaven. Het nautisch karakter van het plein wordt versterkt door het verlagen van het plein richting het water en het toevoegen van een boardwalk. In het gebied worden vier nieuwe woongebouwen ontworpen: Houtsma Noord en Zuid, Metaalpark en Candido als werktitel vernoemd naar de voormalige gebruikers van de percelen. Candido wordt ontworpen door Bedaux de Brouwer Architecten, de overige drie gebouwen door Rijnboutt. In totaal zijn er in de vier woongebouwen ca. 340 woningen, commerciële ruimten in de plint en inpandige/ondergrondse parkeergarages voor fietsen en auto’s. De woongebouwen hebben een gedifferentieerd woningbouwprogramma en zijn ontworpen met zogenaamde ‘groene oases’, binnentuinen die zorgen voor geborgenheid in de wijdsheid van deze locatie. Alle disciplines van Rijnboutt -architectuur, stedenbouw, landschap, duurzaamheid en erfgoed- werken samen aan het ontwerp van de kop van Cruquius. Voor de gehele planvorming heeft Rijnboutt een ‘duurzame kansenkaart’ gemaakt waarin alle disciplines zijn vertegenwoordigd. De integrale benadering zorgt voor een duurzame gebiedsontwikkeling van Cruquius, een opgave waar wij met veel plezier aan werken. Bekijk hier de woonblokken op Cruquius

Officiele opening Rijkskantoor De Knoop in Utrecht

17 mei 2018

Op 17 mei 2018 wordt Rijkskantoor de Knoop officieel geopend. Sinds 1 februari van dit jaar is het gebouw in gebruik genomen als kantoorpand en vergadercentrum. Rijnboutt was verantwoordelijk voor de stedenbouwkundige inpassing en het ontwerp van de buitenruimte. Het gebouw is ontworpen door Cepezed en Fokkema en Partners (interieur). Transformatie voormalige Knoopkazerne De locatie van de voormalige Knoopkazerne maakt onderdeel uit van het masterplan voor de vernieuwing van het centrum rondom Utrecht Centraal (CU 2030) en is door het consortium R Creators (een samenwerkingsverband tussen Strukton, Facilicom en Ballast Nedam) herontwikkeld. Met het oog op duurzaamheid ligt de aandacht niet alleen op het reduceren van energiegebruik en materiaalgebruik, maar ook op maximale flexibiliteit en investeren in een aangename werk- en verblijfsomgeving zodat het gebouw en de dienstverlening toekomstbestendig zijn. Met het nieuwe rijkskantoor de Knoop is de eerste fase van de transformatie van de voormalige Knoopkazerne afgerond. Veel aandacht is besteed aan een hoogwaardige buitenruimte met dezelfde kwaliteit als gebouw en interieur. Het Knoopplein Het Knoopplein, gelegen tussen het Rijkskantoor en het busstation, is te beschouwen als het verlengstuk van De Knoop. Niveauverschillen zorgen voor geborgenheid en beplanting zorgt voor beschutting en sfeer. De natuursteenvloer is van hetzelfde materiaal als het Forum en Stadsplateau, zodat het hele gebied rond het station een uniforme uitstraling krijgt. Het plein ligt op vierenhalve meter hoogte ten opzichte van de Croeselaan en is te bereiken via een royale trappartij tussen het rijkskantoor en The Green House. Vanaf het Knoopplein kun je via een tijdelijke brug doorlopen naar het Forum voor een directe verbinding met het station en de Moreelsebrug naar de binnenstad. Oorspronkelijk stond het realiseren van het Knoopplein pas over vijftien jaar op de agenda, en zou de buitenruimte tot die tijd als bouwterrein dienen voor de te ontwikkelen omliggende gebouwen. Er is besloten hier niet op te wachten, omdat de buitenruimte in de verbinding met de stad en het station een belangrijke schakel is. Bovendien heeft het een grote toegevoegde waarde om al bij het opleveren van het eerste gebouw gebruik te kunnen maken van het plein. Een verbeterde bouwlogistiek voor de volgende fases heeft het mogelijk gemaakt om Knoopplein en (tijdelijk) horecapaviljoen The Green House tegelijk met de Knoop te realiseren. Lees meer over dit project op de projectpagina Transformatie Knoopkazerne, Utrecht

Het spin-off effect van BREEAM

22 februari 2018

Duurzaamheid gaat over veel meer dan een goede BREEAM-score, maar we zien BREEAM daarbij wel als een goed sturend middel. Rijnboutt heeft ervaring met verschillende BREEAM-trajecten zoals Nieuwbouw & Renovatie, In Use en Gebied. Onze inhouse duurzaamheidsspecialist heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de In Use richtlijn voor de functie ‘onderwijs’ en we waren betrokken bij het opstellen van het BREEAM-label voor gebiedsontwikkeling en duurzame stedenbouw. Op dit moment kijken we mee met de conceptversie voor de nieuwe richtlijnen voor ‘Nieuwbouw’ en ‘Renovatie en (her)inrichting’. Rijnboutt is participant van de Dutch Green Building Council (DGBC) en heeft vijf BREEAM-experts in dienst: Femke Kamp, Jaap Hoving, Sylvia Rode, Richard Koek en Mattijs Rijnboutt. Voor het verkrijgen van een BREEAM-certificaat is een proactieve houding en kennis nodig. Voor een BREEAM-proces is het belangrijk heldere afspraken en een duidelijke planning te maken, de maatregelen in het ontwerp te integreren en een compleet en zorgvuldig dossier op te bouwen. Maar er is natuurlijk meer nodig om duurzaamheid te kunnen garanderen. Het gaat ook om enthousiasme en het verschil maken zonder greenwashing. Intrinsieke duurzaamheid gaat verder dan technische maatregelen. Alleen als het project ook echt antwoord geeft op de vraag, als het goed in elkaar zit, dan bewijst het gebouw zijn duurzame waarde. Functies en gebruikers veranderen, maar het gebouw moet langer mee en moet ook veerkracht hebben om met veranderende mensen en wensen om te gaan. Duurzaamheid gaat juist over die langere termijn. Een goed ontwerp is goed te onderhouden, te beheren en vooral goed te gebruiken. Duurzaamheidscontract In het geval van een renovatieproject start het BREEAM-traject anders dan bij een nieuwbouwtraject ook al wordt dezelfde beoordelingsrichtlijn gehanteerd. Het bestaande gebouw geeft kaders en randvoorwaarden mee. Wij beginnen zo’n proces met onderzoeken van zowel de technische kaders als de karakteristieken van het gebouw. Door middel van goed vooronderzoek krijgen we inzicht in alle kansen en bedreigingen. Deze kennis nemen we, samen met het PvE en de BREEAM-quickscan, mee bij het opstellen van een zelfassessment. Het zelfassessment vormt net als het PvE een contractstuk waar we ons aan houden als ontwerpteam. BREEAM begint met ambitie Meer nog dan bij gebouwen speelt bij gebiedsontwikkeling vooral het onderzoeken van de duurzame kansen een rol. BREEAM vraagt als bewijslast om beleidsstukken en onderzoeksrapporten die aantonen dat weloverwogen keuzes worden gemaakt. Waar sommigen dit zien als papieren rompslomp, zien wij op andere projecten dat dit juist leidt tot een spin off voor andere (vervolg) projecten zoals bijvoorbeeld bij de gebiedsontwikkeling Dordtse Kil IV waar Rijnboutt het stedenbouwkundig-, beeldkwaliteit- en inrichtingsplan voor heeft ontworpen. De gemeente heeft op basis van de duurzame doelstellingen in dit plan beleid opgesteld om in 2050 als gemeente energieneutraal te zijn. Lees hier het artikel hierover.

Rijkskantoor de Knoop klaar voor gebruik

01 februari 2018

De bouw van rijkskantoor de Knoop is klaar. Het beschikbaarheidscertificaat werd op 31 januari in Utrecht ondertekend. Hiermee is de bouwfase afgerond en start de ‘exploitatiefase’. Verschillende rijksdiensten kunnen nu hun intrek nemen in het nieuwe kantoor bij het centraal station in Utrecht. Het consortium R Creators (een samenwerkingsverband tussen Strukton, Facilicom en Ballast Nedam) verbouwde de voormalig Knoopkazerne in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf tot een modern rijkskantoor ter vervanging van verouderde kantoren in de regio. De herontwikkeling was een combinatie van renovatie, uitbreiding en sloop van bestaande locaties met als uitgangspunt: zo min mogelijk slopen en zoveel mogelijk hergebruiken. Het casco van de voormalige Knoopkazerne is in 2 jaar tijd duurzaam getransformeerd tot rijkskantoor met een vergadercentrum voor ongeveer 1000 bezoekers. Bij de transformatie is gekeken naar vermindering van het verbruik van energie, maar ook naar maximale flexibiliteit zodat het gebouw en de diensten nog lang meekunnen. Duurzaamheid, maar ook samenwerking en dienstverlening wogen daarom zwaar mee bij de aanbesteding in 2015. Duurzaam partnerschap werd zelfs voor het eerst als gunningscriterium gehanteerd. Met het contract voor deze transformatie werd de basis gelegd voor een goede samenwerking in de bouwfase, maar ook tijdens de exploitatiefase van de komende 20 jaar. Projectmanager Peter Eitjes van het Rijksvastgoedbedrijf: “Samenwerking organiseren en cultiveren maakt het verschil in dit project.” Volgens DBFMO-manager Debbie van Noort van R Creators heeft de goede samenwerking geleid tot een hogere kwaliteit van het resultaat. www.rijksvastgoedbedrijf.nl

Opening geheel vernieuwde Hilvertshof in Hilversum

13 juni 2017

Op dinsdag 13 juni 2017 wordt het geheel vernieuwde Hilvertshof geopend. Dan opent ook Primark haar deuren met een store over twee verdiepingen, na H&M en Zara de derde nieuwe trekker. Hilvertshof is gelegen in het hart van het hoofdwinkelcentrum van Hilversum en is opgespannen tussen Zeedijk, Groest en Kerkstraat. Het winkelcentrum is eigendom van Kroonenberg Groep. Vier jaar eerder, in 2013, werd in een presentatie van de eerste plannen aan de winkeliers het toekomstperspectief voor het nieuwe Hilvertshof geschetst: Hilvertshof moest het meest spraakmakende winkelcentrum van het Gooi worden, dat meer bezoekers gaat trekken en dat meerwaarde brengt aan Hilversum. Destijds, bij de opening in 1973, was het winkelcentrum al baanbrekend geweest: een jaar eerder opgeleverd dan Hoog Catharijne in Utrecht was Hilvertshof het eerste geheel overdekte winkelcentrum van Nederland. Nu moesten grote trekkers als Primark, H&M en Zara het collectief van lokale en landelijke winkeliers in Hilvertshof gaan versterken. Parallel aan de duurzaamheidsambitie van de gemeente formuleerde Kroonenberg Groep de wens om het energielabel van het gehele winkelcentrum van D naar A te transformeren. Ook het winkelcircuit en de winkelbeleving moesten worden verbeterd en als extra moest het winkelcentrum gedurende de gehele verbouwing ‘schoon en prettig’ blijven om in te winkelen. Van aanpassing entreegebied naar transformatie winkelcentrum Op verzoek van Kroonenberg Groep had Rijnboutt het winkelcentrum een aantal jaren geleden al aangepakt, een ingreep die zich beperkte tot de gevel aan de Groest. De huidige transformatie is rigoureuzer. “Het begon met de aankoop van twee panden aan de Kerkstraat naast de huidige entree,” aldus Olaf Nieuwenhuis, hoofd projectontwikkeling Kroonenberg Groep in een vraaggesprek op de Provada juli 2014. “Rijnboutt heeft de entree, die relatief klein was, op ons verzoek vergroot. Van lieverlee werd het project steeds omvangrijker: van een aanpassing van het entreegebied werd het een renovatie en nu noemen we het een transformatie: het raakt aan alle winkels, alle vloeren en plafonds. Het gaat om een totale upgrading.” Reorganisatie winkelroute Die upgrading is met de opening van het nieuwe Hilvertshof een feit. Het ontwerp voor de metamorfose van het winkelcentrum richt zich in eerste instantie op de winkelroute, met bijzondere aandacht voor het interieur en de entree aan de belangrijkste winkelader van Hilversum, de Kerkstraat. Het vroegere wat onoverzichtelijke circuit met maar liefst zes ingangen, is met de komst van drie grotere winkelunits vereenvoudigd tot een circuit met drie ingangen, één vanuit elke straat (zeedijk, Groest, Kerkstraat). Elke ingang leidt naar een overdekte passage, de passages komen samen op een intern ‘plein’ waar zich het centrale stijgpunt bevindt, een circuit van roltrappen dat alle verdiepingen met elkaar verbindt: van de winkelverdiepingen op -1, BG en +1 tot de parkeerdekken op +2 en +3. De reorganisatie van de winkelroute maakt het parkeerdek tot een centrale, vierde entree: van boven naar beneden. Met deze vierde entree zorgt het winkelen op aparte lagen niet voor een gebrek aan bezoekers op ‘de tweede laag’, een veel voorkomend probleem in meerlagige winkelcentra. Het publiek van Hilvertshof komt het winkelcentrum niet alleen binnen op de begane grond, maar via het parkeerdek ook op de eerste verdieping. Behalve functioneel is de lagenstructuur ook vanuit de gewenste winkelbeleving aangepast. De eerste winkellaag is voor een deel verdwenen ten gunste van majestueuze, dubbelhoge winkelpassages vanuit de entrees Kerkstraat en Zeedijk. Met het openbreken van de vloeren komt er meer licht en ruimte in het interieur waarbij de eerdere zakelijke en hoekige vormgeving heeft plaatsgemaakt voor elegante curves en ronde vormen met veel glas. ‘Vergroening’ van het winkelcentrum Ook is de energiebalans van het winkelcentrum ingrijpend aangepakt. Met een zogeheten Warmte Koude Installatie wordt de warmte die in de zomer vrijkomt bij het koelen in de bodem opgeslagen, de opgeslagen warmte wordt in de winter weer gebruikt om het winkelcentrum te verwarmen. Voor het winkelcentrum wordt (nagenoeg) geen fossiele brandstoffen meer gebruikt; de door het systeem gebruikte elektrische energie is volledig verduurzaamd (groene stroom). De ‘vergroening’ van het winkelcentrum heeft zijn visuele pendant bij de entree aan de Kerkstraat. Daar is een wandoppervlakte van 95 m2 aangebracht dat is begroeid met 13 verschillende plantensoorten. De situatie in Hilvertshof is uniek omdat de groene wand van binnen naar buiten doorloopt. Rijnboutt heeft hiervoor een specifiek beplantingsplan gemaakt met planten die beide condities goed verdragen. Het betreft overwegend groenblijvende soorten met gevarieerde bladvorm en kleur. Hieraan zijn soorten toegevoegd die van april tot november witte, paarse en blauwe bloemen dragen. Rijnboutt heeft de transformatie van verschillende toonaangevende retaillocaties in Nederland onder handen. Naast Hilvertshof is dat onder meer het vorig jaar met de NRW-prijs bekroonde Gelderlandplein, De Barones in Breda, naast Nowadays en de flagstore van Hudson’s Bay, beide in Amsterdam. De opgave is vaak dezelfde, maar de aanpak wordt steeds bepaald door de locatie. Door scherp te kijken naar wat de situatie vraagt, kan een optimaal functionerend winkelcentrum of winkelgebouw worden gecreëerd, waarbij de architectuur van Rijnboutt beoogt het gemeenschappelijke doel te dienen.

Vier sterren BREEAM-NL gebiedsontwikkeling voor Dordtse Kil IV

01 juni 2017

De gemeente Dordrecht heeft op de Provada 2017 het BREEAM-NL Gebiedsontwikkeling certificaat uitgereikt gekregen voor Dortse Kil IV. Het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan voor het duurzame bedrijventerrein is opgesteld door Rijnboutt in samenwerking met de gemeente Dordrecht en heeft vier sterren (excellent) ontvangen. Landschappelijke inpassing en raamwerk Het stedenbouwkundig raamwerk van Dordtse Kil IV schept de voorwaarden voor het gewenste duurzaamheidsconcept. Het terrein is orthogonaal opgezet, zodat elke vierkante meter efficiënt benut wordt. Vrijwel al het water en groen wordt naar de randen van het gebied gebracht en benut voor de landschappelijke inpassing. De landschappelijke inrichting geeft het logistiek bedrijvenpark een casco met ecologische en recreatieve waarde. In Dordtse Kil IV wordt gestreefd naar intensief ruimtegebruik op de kavels. Duurzame cyclus van water en energie De duurzaamheid in Dordtse Kil IV komt ook naar voren in de watermachine en energiecentrale die het bedrijventerrein is. De grote ruimte op de daken speelt hierin een centrale rol. In het plangebied worden vier windturbines (Kilwind) gebouwd en ten zuiden van het gebied, op de locatie Transberg, ligt er een initiatief voor velden met zonnepanelen. In het proces voor certificering voor Breeam-NL gebied heeft Rijnboutt een bijdrage geleverd aan de bewijslast. Wij feliciteren de gemeente Dordrecht met dit mooie resultaat!

Nowadays Amsterdam genomineerd voor StiB Award 2017

10 mei 2017

Aanleiding voor het project was de economische veroudering van de complexen. De kwaliteit van de panden was dermate laag dat niet kon worden geprofiteerd van de toenemende vraag naar geschikte winkelruimte. Op de hoger gelegen kantooretages dreigde leegstand. Daarnaast deelde eigenaar Bouwinvest de ambitie met de gemeente om de kwaliteit van Damrak te verbeteren. Nowadays is tot sleutelproject benoemd in deze ambitie. De gemeente maakte van het begin af aan deel uit van het projectteam dat elke tweede maandagmiddag vergaderde. Nowadays heeft sterk bijgedragen aan de algehele upgrade van Damrak en Nieuwendijk, een gebied dat een grote kwaliteitsslag heeft gemaakt in de functie van entree van de stad. Het project is geslaagd in de doelstelling flagship stores van internationale retailers te faciliteren, door het gecreëerde aanbod van grote, courante winkelruimten met hoogwaardige gevels en winkelpuien. De winkels bieden door hun omvang en locatie de huurders Zara, JD Sports, Starbucks, C&A en Primark optimale mogelijkheden hun formule en merk te presenteren. Identiteitsdrager van de herontwikkeling vormt het bijzondere kunstwerk Amsterdam Oersoep in de nieuwe Beurspassage, de doorsteek tussen Damrak en Nieuwendijk. Dit kunstwerk krijgt veel media-aandacht en vormt inmiddels een nieuwe attractie voor de stad. De nieuwe passage wordt inmiddels druk bezocht en stimuleert de uitwisseling van bezoekers tussen Damrak en Nieuwendijk. De impact van Nowadays in combinatie met de herprofilering van Damrak op de vastgoedwaarde in het gebied is groot. De markthuren aan het Damrak zijn in de periode vanaf de start van het project in 2011 tot heden verdubbeld. Met de Breeam ontwerpcertificaten Very Good voor de Nowadays-panden is tevens een grote sprong voorwaarts gemaakt op het aspect duurzaamheid. De herontwikkeling werd gerealiseerd door het Utrechtse Top Vastgoed van Frank van Kessel en Patrick van Lammeren. Zij wonnen de tender uitgeschreven door Bouwinvest door het feit dat zij zelf als ontwikkelaars bij het project betrokken zouden zijn. Aandachtspunt was het felle verzet van de buurt tegen veranderingen aan ‘hun’ passage. ‘Er wonen nogal wat advocaten in de omliggende straten. Wij zijn met hun de diepte in gegaan’, vertelt ontwikkelaar Frank van Kessel. Tijdens Provada 2017 worden vastgoedprofessionals opgeroepen een stem op één van de vier projecten uit te brengen in de stand van Syntrus Achmea Real Estate & Finance (hal 12, stand 22) of Vastgoedmarkt (hal 11, stand 11). De weging van de oordelen van de jury en het publiek (in een verhouding 3:1) bepaalt de uiteindelijke winnaar. De winnaar wordt op donderdag 1 juni 2017 om 12.00 uur bekendgemaakt in de Syntrus Achmea-stand. Stemmen kan tot woensdag 31 mei einde beurs. www.vastgoedmarkt.nl

Sustay start met bouw 399 huurwoningen in Leidsche Rijn

09 mei 2017

Begin mei is ontwikkelaar van duurzame en betaalbare huurwoningen Sustay gestart met de bouw van honderden huurappartementen in Utrecht, verdeeld over twee gebouwen, welke deel uitmaken van het nieuwe stadshart Leidsche Rijn Centrum. De appartementencomplexen zijn ontworpen door architectenbureaus DiederenDirrix en Het Ontwerp Team. Alle woningen worden gebouwd door bouwbedrijf De Vries & Verburg. Het complex B@ducated betreft 250 studio’s en is als woonproduct gericht op startende young professionals. Sustay houdt dit project zelf in belegging. Het andere project, genaamd Reykjavik, betreft 149 huurappartementen. Deze vrije sector appartementen met 2 of 3 kamers, variërend van 40 m2 tot 90 m2, voorzien net als B@ducated volledig in het segment waar de stad Utrecht heel veel behoefte aan heeft. Het gebouw Reykjavik is via Syntrus Achmea Real Estate and Finance als eindbelegging gekocht door het pensioenfonds voor de Metaalelektro (PME). Menno Schapendonk, directie van Sustay, licht enthousiast toe: “Er is enorm veel vraag rondom de stad Utrecht naar betaalbare vrije sector huurwoningen voor één- en tweepersoonshuishoudens. Daarnaast wordt Leidsche Rijn Centrum het tweede stadscentrum van Utrecht en heeft deze strategische locatie een snelle verbinding met het oude stadscentrum. Sustay is geweldig trots als ‘new kid on the block’ een invulling te kunnen geven aan betaalbaar wonen.” Giel van Wijk, projectmanager van Sustay, vertelt: “Het worden gebouwen met allure voor jonge bewoners, voorzien van alle faciliteiten en voorzieningen in de omgeving die je je kunt wensen. Dit woningtype is schaars in de stad en zal verpakt worden in mooi ontworpen gevels, voorzien zijn van halfverdiept parkeren en grote binnentuinen. Qua duurzaamheid worden onder andere zaken als autodelen, elektrisch laden en een zonnedak geïntegreerd in de ontwikkeling. Daarnaast zal de binnentuin in participatie met de toekomstige bewoners uitgewerkt worden. Binnen Sustay spelen we met het leuke idee om op het gebied van meubilair en inrichting van de binnentuin een prijsvraag te organiseren. We geloven namelijk erg in co-creatie.” Stadshart Leidsche Rijn Centrum heeft alle winkels en voorzieningen voorhanden, een direct verzorgingsgebied van zo’n 450.000 mensen en is gesitueerd op een knooppunt van spoor-, bus-, auto- en fietsverbindingen. De strategische werklocaties Papendorp en Lage Weide en het nieuwe Antoniusziekenhuis en bioscoop Cinemec liggen om de hoek. Half juni zal op een locatie nabij een innovatief event plaatsvinden waar genodigden op zeer vernieuwende wijze middels virtual reality vooruit kunnen blikken op de totstandkoming van B@ducated. In een paar minuten wordt anderhalf jaar spectaculair vooruit geblikt. Daarnaast zal Sustay deze dag nog een andere verassing onthullen. De daadwerkelijke oplevering van beide gebouwen staat gepland op najaar 2018. www.sustay.nl

Eerste nieuwe woningen in Vlaardingse Rivierzone in de startblokken

06 februari 2017

De realisatie van 26 eengezinswoningen aan de Galgkade staat in de startblokken. Het Consortium Rivierzone Vlaardingen (CRV) wil hier in totaal 141 eengezinswoningen realiseren. De gemeente verleende op 19 januari 2017 de omgevingsvergunning aan de ontwikkelaar voor de bouw van de eerste 26 woningen van het project Nieuw Sluis rond het station Vlaardingen Centrum. Nieuw Sluis bestaat uit de deelgebieden Galgkade, Spoor & Sluis en Parallelweg. Wethouder Hans Versluijs: “Eindelijk is het zover. Na vele jaren van voorbereidingen kunnen dit jaar nog de eerste nieuwe woningen in de Rivierzone gebouwd worden. Dit is een prachtige mijlpaal.” Het deelgebied Galgkade ligt aan de Deltaweg en de Galgkade, een belangrijke verbindingsweg in Vlaardingen. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning is onder andere de invloed van het weggeluid van de Deltaweg/Galgkade op de woningen onderzocht en in het bouwplan opgelost. Ook is extra aandacht besteed aan duurzaamheidsmaatregelen, waardoor de nieuw te bouwen woningen zeer energiezuinig zijn (EPC=0). Zodra de bouwvergunning onherroepelijk is geworden, kan de bouw van de 26 eengezinswoningen aan de Galgkade starten. De bouwstart is naar verwachting in september 2017. De eerste woningen kunnen dan in het eerste kwartaal van 2018 opgeleverd worden. De 26 woningen zijn inmiddels in verkoop. Meer informatie staat op de website www.rivierzone.com. Wonen dichtbij water Vanaf 1998 werkt de gemeente aan plannen om de gehele Rivierzone een impuls te geven. Het totale gebied ligt prachtig langs de Nieuwe Maas, maar in het verleden zijn vooral de industrie en de havens hier tot bloei gekomen. De aanpak van de Rivierzone is gericht op opwaardering en uitbreiding van bedrijfsterreinen, met in het gebied rondom de Koningin Wilhelminahaven, de Buitenhaven en de Westhavenkade ruimte om nieuwe woningen te bouwen. Voor het Stationsgebied Centrum is woningbouw opgenomen in het in 2010 onherroepelijk geworden bestemmingsplan. De gemeente heeft in januari 2015 een overeenkomst met CVR gesloten over woningbouw in het zogenaamde Kerngebied van de Rivierzone, met de nadruk op het Stationsgebied Centrum – inmiddels Nieuw Sluis genoemd – en het Schiereiland van de Koningin Wilhelminahaven, dat de naam Eiland van Speijk heeft gekregen. De toekomstige bewoners van Eiland van Speijk krijgen een woning met uitzicht op de rivier of de kades en de bewoners van Nieuw Sluis gaan wonen vlakbij het nieuwe metrostation Vlaardingen Centrum en aan de Delflandsedijk. Actieplan Wonen in uitvoering De ontwikkeling van het Kerngebied van de Rivierzone maakt deel uit van het Actieplan Wonen, de woonvisie tot 2030 van de gemeente en de woningcorporaties om van Vlaardingen een steeds aantrekkelijker woonstad te maken. Historische grond Het is zeer waarschijnlijk dat de nieuwe woningen binnen een gebied liggen waar zich in 1018 de Slag bij Vlaardingen heeft afgespeeld. Uit historische bronnen blijkt dat de keizer van het toenmalige Duitse Rijk in juli 1018 een vloot met soldaten stuurde naar de nederzetting Flardinga, zoals Vlaardingen in die vroege middeleeuwen heette. De keizer wilde de eigengereide graaf Dirk III tot de orde roepen die zonder zijn toestemming langsvarende schepen tol liet betalen. Geheel onverwacht echter versloegen de manschappen van Dirk III het keizerlijke leger. Door de overwinning verwierf de graaf meer zelfstandigheid en groeide Vlaardingen uit tot de belangrijkste plaats van het graafschap dat rond 1100 Holland ging heten. De toekomstige bewoners van Nieuw Sluis gaan 1.000 jaar later op deze historische grond wonen. Precies in het jaar – 2018 – dat Vlaardingen de Slag bij Vlaardingen en het ontstaan van Holland in Vlaardingen viert en herdenkt, worden de eerste 26 woningen opgeleverd. www.vlaardingen.nl

Van Bijlmerbajes naar stadswijk: vijf consortia door naar de volgende ronde

01 februari 2017

Vijf consortia mogen hun visie uitwerken over het ontwikkelen van een nieuwe stadswijk op het terrein van de huidige Bijlmerbajes in Amsterdam. Zij krijgen tot 1 juni 2017 de tijd om hun definitieve plan te maken en een bod op het terrein doen. In september 2017 wordt bekend wie het terrein mag kopen en ontwikkelen tot stadswijk. De leidende bedrijven in de vijf consortia zijn (in alfabetische volgorde): ABC Planontwikkeling, Arnhem AM, Utrecht Luchtplaats en Wonam, Amsterdam Roundhill Capital en Rijnboutt, Amsterdam Vastint, Amsterdam Het terrein van de Bijlmerbajes is eigendom van het Rijk. De gemeente Amsterdam heeft een nota van uitgangspunten vastgesteld over de toekomst van het gebied. Daarin is de kwaliteit van het plan van de koper voor de nieuwe wijk belangrijk. Daarnaast moet de verkoop voor het Rijk op zijn minst 60 miljoen euro opleveren. Een selectiecommissie van het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Amsterdam beslissen welk consortium wint. Dat wordt een afweging waarbij de inhoud van het plan en de verkoopprijs een rol spelen. De uiteindelijke koper kan van het terrein (7,5 hectare) een nieuwe stadswijk maken. Er is ruimte voor 135.000 m2 vloeroppervlak bebouwing, waarvan minstens 70 procent uit woningen zal bestaan. Te denken valt aan zo’n duizend woningen of meer. Een duurzame stadwijk met wonen, werken, educatie en recreatie In de plannen van alle vijf de consortia is sprake van een centrale as van noord naar zuid, met dwarsverbindingen daarop en verbindingen naar de rest van Amsterdam. De woningen zijn gevarieerd: sociale huur, huur in de vrije sector en koop. Er komen woningen voor gezinnen en voor kleine huishoudens. Daarnaast voorzien alle plannen in mogelijkheden voor bedrijvigheid, educatie, recreatie en horeca. In alle plannen zijn groenvoorzieningen (parken en tuinen) en waterpartijen (singels, grachten of vijvers) opgenomen. Ook is in alle plannen duurzaamheid een belangrijk punt: bijvoorbeeld minimaal energieverbruik, eigen energieopwekking in de wijk, milieuvriendelijke afvalverwerking, hergebruik van sloopmateriaal en het gebruik van duurzame bouwmaterialen met de mogelijkheid van hergebruik op lange termijn (circulair bouwen). In alle plannen wordt de nieuwe stadswijk autoluw, met parkeervoorzieningen onder de grond, halfverdiept of aan de rand van de wijk. Fietsen, lopen en openbaar vervoer staan voorop. In alle plannen blijft het huidige hoofdgebouw van de Bijlmerbajes staan, na een grondige transformatie. In twee van de plannen krijgt ook één van de huidige gevangenistorens een nieuwe functie. In één plan blijven alle zes bestaande gevangenistorens staan en krijgen die nieuwe bestemmingen. Details blijven geheim De vijf consortia zijn in concurrentie met elkaar en de commerciële belangen zijn groot. Het Rijksvastgoedbedrijf, de gemeente Amsterdam en de vijf consortia geven daarom geen verdere details over de vijf plannen. www.rijksvastgoedbedrijf.nl

Constructie maakt ruimte voor wonen – Bellavista Den Haag

31 januari 2017

Met het toevoegen van twee verdiepingen en het aanhangen van witte balkons, is de Thorbecketoren veranderd in woontoren Bellavista. De constructieve kern is ingrijpend aangepast en voor de balkons is een onzichtbare ophanging ontworpen. De esthetische kwaliteit van de Haagse woontoren Bellavista is hoog. Dat is een voortzetting van de kwaliteit die de strenge Thorbecketoren vóór de transformatie ook al had, zij het dat die wel als gedateerd beschouwd werd. Het bestaande, zestien verdiepingen hoge kantoorgebouw werd in 1968 gebouwd naar een ontwerp van architect Piet Zanstra. Voor die tijd was het een modern kantoorgebouw met sterke horizontale accenten middels borstweringen van grindbeton en even hoge raamstroken. De belangrijkste huurder was de GGD, maar die is al vele jaren geleden vertrokken. Projectarchitect Frederik Vermeesch van architectenbureau Rijnboutt heeft met het toevoegen van de door de opdrachtgever gevraagde buitenruimtes, niet alleen de woonkwaliteit van de gerealiseerde appartementen flink verhoogd, maar ook het uiterlijk van het gebouw aanzienlijk veranderd. De horizontale dominantie is doorbroken door de boven elkaar gelegen rijen balkons. Zij maken het met twee verdiepingen opgetopte gebouw slank en elegant. Temeer omdat het in de loop der jaren grauw geworden grindbeton van de borstweringen nu plaats heeft gemaakt voor sprankelend wit beton. Voor de transformatie is het gebouw tot op het betonskelet gestript. Er is steigerloos gebouwd. Voor de plaatsing van de nieuwe gevelelementen is gebruikgemaakt van een in het hart van het gebouw geplaatste bouwkraan. Granulaat van Noors wit marmer Er is lang gezocht naar de juiste materialisatie en detaillering van de gevel, waarbij het werk van Piet Zanstra respectvol en minutieus bestudeerd werd. Voor het beton van de nieuwe gevel (balkonelementen en borstweringen) is gekozen voor een granulaat van Noors wit marmer. Na het ontkisten van de prefab elementen zijn de zichtzijden gestraald met inert grit en/of gebouchardeerd. Samen met het grijsbruin (brun sablé) gepoedercoat aluminium van de gevelkozijnen en het transparante glas van de balkonbalustrades, krijgt het gebouw een aanzien dat de nieuwe naam Bellavista rechtvaardigt, ofschoon die naam natuurlijk ook betrekking heeft op het fenomenale uitzicht (op het centrum van Den Haag, de duinen en de Noordzee) vanaf de hogere verdiepingen. Balkonophanging Voor de bijna twee meter uitstekende balkons (nuttige belasting 250 kg/m2) was de verankering een constructieve uitdaging, vertelt Sylvia Rode. Zij is als senior projectcoördinator bij Rijnboutt nauw betrokken geweest bij de engineering en uitvoering van het project. Rode: “Er is uiteindelijk voor gekozen om het borstweringsdeel onder de balkons één geheel te laten vormen met de balkonplaat. De L-vorm die daardoor ontstaat, gaat het kantelen van het balkon voor een belangrijk deel tegen.” Voor de verankering van de balkons (en overige betonnen gevelelementen) is advies gevraagd aan verankeringsspecialist Kuijpers Uitvoering & Advies. In samenspraak met Decomo die de gevelelementen produceert en John van Spanje, projectleider bij aannemer Akor, is een slimme ophangconstructie bedacht. Die constructie bestaat uit stalen consoles die aan de vloerrand zijn bevestigd en met stalen strippen en lijmankers aan de bovenzijde van de vloer zijn verankerd. In de prefab balkons zijn draadeinden M30 opgenomen, waarmee de balkons aan de consoles zijn bevestigd. De consoleconstructie en het aangestorte borstweringsvlak onder het balkon voorkomen wegkantelen van de balkonplaat. Stabiliteitskern Bij de ontwikkeling van de plattegronden van de appartementen bleek de betonnen stabiliteitskern in het gebouw een groot obstakel. Uitgangspunt was het realiseren van acht appartementen van circa 80 m2 per verdieping voor de 3e tot en met 12e verdieping. De hogere verdiepingen hebben grotere woningen, variërend van 98 tot 130 m2. De in de lengterichting van het gebouw lopende kern met twee trappenhuizen, vier liften en sanitaire ruimten liet rondom ruimte vrij voor een gang en kantoorvertrekken, maar die ruimte was onvoldoende voor een bruikbaar appartement. Bovendien zaten de deuropeningen op de verkeerde plaatsen en voldeed de vrije hoogte niet aan de huidige normen. Aannemer Akor kwam met het verlossende Eureka-moment. Rode: “Het besluit om de stabiele kern deels te slopen en zo meer en ook beter bruikbare woonruimtes te creëren, was een cruciale beslissing, maar vroeg om constructieve vindingrijkheid.” Stijve schijven Om de stabiliteit te garanderen moesten nieuwe, stijve elementen in het gebouw aangebracht worden. Op voordracht van Akor heeft constructeur Jos Welberts van Adviesbureau Tielemans daarvoor een plan ontwikkeld. Ter vervanging van de kern zijn op iedere verdieping vier 35 of 26 cm dikke in het werk gestorte betonschijven gemaakt, die tevens woningscheidende wanden zijn. Welberts: “De schijven staan op andere plaatsen dan de oorspronkelijke stabiele kern en dientengevolge was ook de afdracht van belastingen, waaronder de windbelasting, op de betonkolommen en de daaronder liggende bestaande paalfundering gewijzigd. Uitvoerig onderzoek naar de kwaliteiten van de bestaande draagkrachten leidde onder meer tot het opdikken van de onderste betonkolommen.” Bijkomend op te lossen probleem was dat de woningscheidende en dus stijfheid brengende wanden op de bovenste verdiepingen op een andere plaats stonden. Dit is opgelost met aanvullende trekbandwapening die in gefreesde sleuven in de betonvloeren is aangebracht. Om in dit complexe, constructieve traject toch een soepel lopende en vooral ook veilige planning te kunnen hanteren, waarin de volgorde van slopen en bouwen zeer kritisch is, heeft Welberts een uitvoerige handleiding gemaakt voor de aannemer. Duurzaam en energiezuinig gebouw Bellavista is niet alleen een luxe woontoren op een bijzondere locatie met fenomenale uitzichten rondom, het is ook een duurzaam en energiezuinig gebouw. Zo wordt er gebruikgemaakt van stadsverwarming, balansventilatie en ledverlichting in de gemeenschappelijke ruimten. Maar uiteraard is ook het hergebruik van het gebouw een teken van duurzaamheid. Het verwijderen van de op het dak staande installatietechniek en de overcapaciteit van het draagvermogen maakten de optopping met twee extra verdiepingen mogelijk. Voor architectenbureau Rijnboutt is het project nog niet afgerond. Na de oplevering van Bellavista zal het winkelcentrum worden aangepakt en de parkeervoorziening worden uitgebreid. Het duurzame hergebruik van het nu achttien verdiepingen hoge gebouw is daarmee een aanzet tot een uitgebreidere gebiedsverbetering. Bouwwereld.nl Bekijk hier het hele artikel

Officiële opening Bellavista

31 augustus 2016

Het Haagse icoon, de Thorbecketoren op het winkelcentrum De Savornin Lohmanplein, heeft een tweede leven gekregen als moderne woontoren met 116 appartementen. Dit is ontworpen door Rijnboutt in opdracht van Urban Interest. Het gebouw is van binnen en van buiten volledig vernieuwd. De oude grijze gevel is inmiddels fris wit met veel glas en voorzien van ruime balkons. Wie hier woont heeft een fenomenaal uitzicht. Daarom heeft dit gebouw de passende naam Bellavista gekregen. Het complex bestaat uit een kantoortoren, een appartementenflat en een winkelcentrum met parkeerdek. In de eerste fase van de herontwikkeling wordt de kantoortoren (Thorbecketoren) getransformeerd tot woontoren ‘Bellavista’. Waarbij de Thorbecketoren met 2 verdiepingen verhoogd wordt. Op de begane grond t/m 2e verdieping blijft functie kantoor/ winkel gehandhaafd. Het ontwerp wordt vandaag – 31 augustus – toegelicht door Frederik Vermeesch tijdens de officiële opening van dit transformatieproject. Geschiedenis Al vanaf de eerste tekeningen voor de uitbreiding van Den Haag is op het De Savornin Lohmanplein een markant gebouw gepland. Maar het duurde tot eind jaren 60 tot hier ook daadwerkelijk werd gebouwd. Architect Piet Zanstra (1905-2003) ontwikkelde uiteindelijk een multifunctioneel woon-, werk- en winkelcomplex in Amerikaanse stijl. Het complex was zeer modern voor haar tijd, en de Thorbecketoren kreeg een zeer krachtige – bijna brute – uitstraling. De toren heeft jarenlang dienst gedaan als kantoor van de GGD, maar staat inmiddels leeg. Met duurzaamheid als uitgangspunt is gezocht naar een manier om het gebouw in zijn geheel her te gebruiken. De duurzaamheid is terug te zien in het energielabel van de woningen: Energielabel A. De plint van het complex bevat een winkelcentrum dat sinds de jaren ’70 goed bezocht wordt. Eind jaren ’90 onderging het een ingrijpende renovatie waarbij het geheel werd overdekt. Het is de intentie om het winkelcentrum binnenkort opnieuw uit te breiden en te vernieuwen. De transformatie is gebaseerd op de bestaande structuur. Architect Frederik Vermeesch heeft, om aan te sluiten op het oorspronkelijke ontwerp, gelijksoortige materialen toegepast in een meer verfijnde geleding die past bij een woongebouw. De belangrijkste en opvallendste toevoegingen zijn de balkons en twee nieuwe woonverdiepingen op de toren. Hierdoor wordt het gebouw slanker en gaat tegelijkertijd de woonkwaliteit en flexibiliteit omhoog. Over Bellavista

Transformatie Thorbecke-kantoortoren naar woontoren Bellavista

22 juni 2016

In december 2014 startte wethouder Joris Wijsmuller de ontmanteling van de gevel van de Thorbecke-kantoortoren aan het De Savornin Lohmanplein in Den Haag. Het is het begin van een ingrijpende renovatie. Van het kantoorpand uit 1968 wordt een woontoren gemaakt en het winkelcentrum wordt uitgebreid en gerenoveerd. Eigenaar Urban Interest gaf Rijnboutt opdracht om de kantoortoren op deze plek te transformeren tot een woongebouw. De locatie leent zich daar perfect voor: goede verbindingen en voorzieningen, ruime parkeermogelijkheden, een locatie dichtbij de zee én de binnenstad. Het robuuste gebouw maakt de transformatie bovendien goed mogelijk. De Thorbecketoren is onderdeel van een multifunctioneel, modernistisch complex uit 1968, een ontwerp van architect Piet Zanstra (1905-2003). Op een plint van winkels staat een compositie van drie volumes: de Treubflat (woningen, 8 lagen), de Thorbecketoren (kantoren, 16 lagen) en een restaurantpaviljoen. Bovenop de winkels wordt geparkeerd. Ontwerp Bij het ontwerp voor de woontoren is het oorspronkelijke concept gerespecteerd. ‘We hebben inspiratie opgedaan door Zanstra’s oeuvre heel goed te bestuderen. Een kleinere woontoren van hem staat aan de Conradkade in Den Haag. De verfijning die je daar ziet, hebben wij in ons ontwerp voor de Thorbecketoren ook doorgevoerd. De toren behoudt de krachtige uitstraling, maar verzoent die met de verfijning en kwaliteit die wonen vereist.’ De transformatie is gebaseerd op de bestaande gebouwstructuur. De belangrijkste en opvallendste toevoeging zijn de balkons. Deze zijn zo vormgegeven dat de toren verticaal wordt geleed. Hierdoor wordt het gebouw slanker en minder lomp. Bovendien ontstaat er een verfijning in de kenmerkende horizontale stroken. Bij de renovatie is de gevel geheel vervangen. Om aan te sluiten op het ontwerp van Zanstra zijn gelijksoortige materialen toegepast. Details en kozijnen zijn uitgevoerd in aluminium in een warme antracietkleur, de borstweringen in gestraald architectonisch beton in een lichte kleur. ‘Omdat de borstweringen geen onderdeel zijn van de hoofddraagconstructie, kunnen we ze vervangen. Dankzij de overcapaciteit in de draagkracht kunnen we de ruime, karakteristieke balkons maken. Diezelfde overcapaciteit maakte het mogelijk twee bouwlagen bovenop het gebouw toe te voegen.’ Vanuit de woningen is het uitzicht fenomenaal: de ene zijde kijkt uit op de Noordzee, aan de andere kant hebben de toekomstige bewoners een spectaculair zicht op het Haagse stadsgebied. Dit aspect komt tot uitdrukking in de gekozen naam: Bellavista. Programma In totaal zijn er 116 luxe afgewerkte huurappartementen in het gebouw (vanaf de derde verdieping). Het woningaantal per laag varieert van zes tot acht. De begane grond van de toren houdt zijn functie, de eerste en tweede verdieping krijgen een commerciële functie, waarbij de eerste verdieping vanuit het parkeerdek kan worden ontsloten. Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt. De woontoren heeft straks een energielabel A. Oplevering van de woningen vindt plaats vanaf augustus 2016. Na de oplevering van de woontoren zal ook het winkelcentrum een uitbreiding en vernieuwing ondergaan. De kenmerkende opzet blijft daarbij behouden, maar onduidelijke ruimtes en achterkanten worden weggenomen. Het complex zal na de vernieuwing nog meer een stedelijk bouwblok zijn, met aan alle zijden entrees en uitnodigende gevels. De vernieuwing van het winkelcentrum zal in de zomer van 2017 gereed zijn.

BREEAM drie sterren ontwerpcertificaat voor Catharinasteeg

09 juni 2016

MRP Development ontving een BREEAM-NL drie sterren ontwerpcertificaat voor de Catherinasteeg in Leiden. Het certificaat werd uitgereikt tijdens de Provada, op de stand van Duurzaam Gebouwd. “Het is ons gelukt om de hoge duurzaamheidseisen toe te passen in een unieke binnenstedelijke ontwikkeling, met een combinatie van monumenten en nieuwbouw”, vertelt development manager Remco van der Heijden van MRP. “Dat bereik je alleen door gedurende het hele ontwerpproces het behoud van monumentale waarden en een zo hoog mogelijke duurzaamheidsscore zorgvuldig te integreren.” http://www.duurzaamgebouwd.nl/projecten/20160609-breeam-drie-sterren-ontwerpcertificaat-voor-catharinasteeg

BREEAM-NL certificaat ‘Very Good’ behaald voor ontwerp Damrak 70

04 maart 2016

Het ontwerp voor Damrak 70, onderdeel van het grootschalige herontwikkelingsproject Nowadays aan het Damrak en de Nieuwendijk in Amsterdam, heeft het BREEAM-NL Nieuwbouw Ontwerpcertificaat Very Good behaald. Eigenaar Bouwinvest had voorafgaand aan de start van het project een hoog ambitieniveau op het gebied van duurzaamheid neergelegd bij de ontwikkelaars Top Vastgoed en FiMek. Eerder ontving Nieuwendijk 196 het Breeam-NL Very Good Ontwerpcertificaat. Duurzaamheidsmaatregelen voor het ontwerp Damrak 70 Onder begeleiding van BREEAM-NL- Nieuwbouw Expert Peutz heeft het ontwerpteam tal van duurzaamheidsmaatregelen in het ontwerp geïntegreerd. Zo worden op het dak zonnepanelen geplaatst en wordt primair gebruik gemaakt van LED verlichting. Lees de volledige publicatie over het Breeam NL ontwerpcertificaat op de website van Fimek en het artikel op de website van Bouwinvest.

Voornemen gunning pps rijkskantoor de Knoop Utrecht aan R Creators

01 juni 2015

Het Rijksvastgoedbedrijf heeft het voornemen om R Creators aan te wijzen als geselecteerde inschrijver voor het pps-project rijkskantoor de Knoop Utrecht. De voormalige Knoopkazerne Utrecht wordt herontwikkeld tot efficiënt en aantrekkelijk rijkskantoor met vergadercentrum en gastwerkplekken. De definitieve gunning is gepland op 23 juni 2015. Duurzaam partnerschap en gastheerschap Naast de gebruikelijke gunningcriteria voor een gebouw zijn in dit project duurzaam partnerschap en gastheerschap als gunningcriteria toegevoegd. Daarbij ligt voor het rijkskantoor de Knoop voor wat betreft duurzaamheid de focus niet alleen op het reduceren van energieverbruik en materiaalgebruik, maar ook op maximale flexibiliteit zodat het gebouw en de dienstverlening toekomstbestendig zijn. Compacte rijksdienst De overheid werkt aan een compacte rijksdienst en dat heeft consequenties voor de rijkshuisvesting. Het te ontwikkelen rijkskantoor de Knoop past in deze ontwikkeling. De Knoop gaat dienst doen als verzamelkantoor en is geschikt voor meerdere rijksoverheidsorganisaties. Door realisatie van de Knoop wordt in de regio Utrecht een forse besparing op de rijkshuisvesting bereikt. Maatschappelijke ontwikkelingen zorgen ervoor dat het werk van ambtenaren verandert, waardoor er behoefte is aan een andere werkomgeving. De Knoop ondersteunt het plaats- en tijdsonafhankelijk werken en biedt faciliteiten voor ontmoetingen, netwerken, overleggen en samenwerken. Rijkskantoor de Knoop biedt bovenal een gezonde, comfortabele en veilige werkomgeving. Het gebied rondom Utrecht Centraal waar de voormalige Knoopkazerne ligt maakt onderdeel uit van het masterplan Utrecht voor de vernieuwing van het centrum (CU 2030). Publiek Private Samenwerking (pps) R Creators heeft conform de Europese aanbestedingsregelgeving een inschrijving gedaan die, na een intensief beoordelingstraject op kwaliteitsaspecten, economisch als het meest voordelig is geselecteerd. Het rijkskantoor De Knoop wordt ontworpen, gerealiseerd en beheerd via een Publiek Private Samenwerking (pps) met een DBFMO-contract met een netto contante waarde van meer dan 100 miljoen euro. Dit betekent dat R Creators verantwoordelijk is voor het ontwerp, bouw, financiering en onderhoud van het nieuwe gebouw, alsook een deel van de facilitaire dienstverlening. De opdracht kent na ingebruikname van het gebouw een exploitatiefase van 20 jaar. Rijkskantoor “De Knoop” opent in het voorjaar van 2018 haar deuren. Consortium Opdrachtnemer is de vennootschap R Creators B.V. met als aandeelhouders Strukton Integrale Projecten (80%) en Facilicom PPS Contracten (20%). De uitvoerende partijen van R Creators zijn Strukton Worksphere, Ballast Nedam en Facilicom Bedrijfsdiensten. Het ontwerp dat het consortium R Creators heeft aangeboden is van de hand van de architecten Cepezed (gebouw), Fokkema en Partners (interieur) en Rijnboutt (stedenbouwkundige inpassing). Zie website Strukton Zie website Rijksvastgoedbedrijf

Start uitvoering stedenbouwkundig plan Aalmarkt / Catharinasteeg

27 maart 2015

Nieuwe winkels en woningen in monumentale panden In april begint in Leiden de transformatie van de omgeving van de Aalmarkt tot een levendig winkel- en verblijfsgebied. De gemeente Leiden en a.s.r. vastgoed ontwikkeling hebben hiertoe onlangs de koopovereenkomst getekend. Naar ontwerp van Rijnboutt wordt dit gebied, in het hart van de stad, grondig aangepakt. Met respect voor de monumenten komen er nieuwe woningen en winkelruimte bij. De oplevering staat gepland voor de tweede helft van 2016. Het Aalmarktproject is bedoeld om het winkelgebied in de Leidse binnenstad te vergroten en te versterken. ‘Op uitdrukkelijk verzoek van de gemeente Leiden komen hier grotere winkels,’ licht architect Kees Rijnboutt toe. ‘Er zijn veel kleine historische pandjes in Leiden. Winkelformules die graag in grote panden zitten, kunnen hier geen plek vinden. Met dit project voegen wij iets toe wat er nog niet was. Dat is goed voor het vestigingsklimaat en de economie.’ Sinds de zomer van 2009 heeft Rijnboutt in samenwerking met a.s.r. vastgoed ontwikkeling en de gemeente Leiden intensief gewerkt aan het stedenbouwkundig plan, het beeldkwaliteitsplan en het architectonisch ontwerp van het Aalmarktgebied en het Stadsgehoorzaalblok. Binnenkort begint de uitvoering van deze plannen, waardoor een echt winkelcircuit ontstaat dat de Leidse binnenstad een enorme boost zal geven. Oud en nieuw Het gaat om grote nieuwe winkelunits van circa 300 tot 3.000m², en 21 sfeervolle appartementen. Het ontwerp van Rijnboutt combineert bestaande monumentale panden met nieuwbouw. Deze ontmoeting van oud en nieuw zorgt voor een bijzondere, aantrekkelijke sfeer. Qua vormgeving, massaopbouw en materialisatie sluit het complex aan op de fijnmazige structuur van de Leidse binnenstad. Het monumentale karakter van de bestaande gebouwen blijft behouden. ‘Het gaat om acht gemeentelijke en acht rijksmonumenten,’ zegt Kees Rijnboutt. ‘Dat plaatste ons voor een grote uitdaging: hoe kun je dan toch bestaande winkelpanden vergroten?’ De gevonden oplossing heeft iets weg van een chirurgische ingreep. In het Stadsgehoorzaalblok worden enkele monumentale panden respectvol samengevoegd, waardoor grotere winkelunits ontstaan. ‘Die complexiteit maakt dit project zo fascinerend,’ zegt Wally Glashouwer, projectleider namens Rijnboutt. ‘Het aanhelen van nieuwbouw met bestaande monumentale panden is een uitdagende ontwerpopgave. Het is ook technisch ingewikkeld, onder meer door hoogteverschillen in het terrein en door de aanleg van een kelder te midden van de historische bebouwing.’ Nieuwe straat, andere brug Door een doorbraak in het Stadsgehoorzaalblok ter hoogte van het gat van Van Nelle wordt de verbinding tussen de Haarlemmerstraat en de Breestraat sterker. Deze compleet nieuwe winkelstraat, de Catharinasteeg, gaat samen met de nieuwe Catharinabrug en het naastgelegen Waagblok zorgen voor een sterke verbetering van het winkelcircuit. Ook komt er een nieuwe stadstuin, het Catharinahof. Deze unieke binnentuin (met een monumentale boom) zal een verrassend verblijfs -en rustpunt vormen in de drukke binnenstad van Leiden.In de Catharinasteeg komt een mix van grote en middelgrote winkelruimten (in totaal 5.700 m2), met daarboven appartementen. Leiden krijgt er dus een nieuwe straat bij, maar ook een andere brug. Glashouwer vindt vooral deze ingreep typerend voor deze complexe operatie in dichtbebouwd stedelijk gebied: ‘Het is passen en meten. Die brug schuiven we een klein stukje op. Waarom? Omdat het winkelend publiek zo precies een goede en logische toegang krijgt tot de nieuwe winkelstraat.’ ‘Behoud en herbestemming van monumentale gebouwen vormen per definitie een duurzame ingreep,’ zegt Rijnboutt. Maar de duurzaamheidsambities aan de Aalmarkt gaan verder dan het geven van nieuw leven aan oude gebouwen. Opdrachtgever a.s.r. vastgoed ontwikkeling wil een BREEAM-duurzaamheidsscore van drie sterren. Zie ook Persbericht a.s.r. vastgoed ontwikkeling

Leeg kantoor aan De Savornin Lohmanplein wordt fraaie woontoren

10 december 2014

Rijnboutt ontwerpt transformatie aan De Savornin Lohmanplein, Den Haag Vandaag (10 december 2014) start de Haagse wethouder Joris Wijsmuller de ontmanteling van de gevel van de Thorbecke-kantoortoren aan het De Savornin Lohmanplein in Den Haag. Het is het begin van een ingrijpende renovatie. Van het kantoorpand uit 1968 wordt een woontoren gemaakt, naar ontwerp van de architecten van Rijnboutt. Bewoners hebben straks een schitterend uitzicht op de zee en de stad. Nederland heeft de grootste kantorenleegstand in Europa. Volgens cijfers van makelaar DTZ Zadelhoff stond medio 2014 ongeveer 7,8 miljoen m2 leeg, dat is 15,7% van de totale kantorenvoorraad. Taskforces en expertteams proberen al jaren een oplossing te vinden voor dit probleem. Transformatie van lege kantoren naar woningen is een veelgenoemde optie. Dat is lang niet altijd eenvoudig. Veel kantoorpanden staan op weinig aantrekkelijke locaties. Ook levert de transformatie vaak bouwkundige problemen op. Waar zo’n transformatie wél slaagt, is vaak sprake van een goede locatie, een kansrijk gebouw, een ondernemende eigenaar/ontwikkelaar en een architect met gevoel voor de mogelijkheden. Die combinatie is aanwezig op het De Savornin Lohmanplein in Den Haag. Eigenaar Urban Interest gaf opdracht om de kantoortoren op deze plek te transformeren tot een woongebouw. De locatie leent zich daar perfect voor: goede verbindingen en voorzieningen, ruime parkeermogelijkheden, een locatie dichtbij de zee én de binnenstad. Het robuuste gebouw maakt de transformatie bovendien goed mogelijk. Toren De Thorbecketoren is onderdeel van een multifunctioneel, modernistisch complex uit 1968, een ontwerp van architect Piet Zanstra (1905-2003). Op een plint van winkels staat een compositie van drie volumes: de Treubflat (woningen, 8 lagen), de Thorbecketoren (kantoren, 16 lagen) en een restaurantpaviljoen. Bovenop de winkels wordt geparkeerd. Bij het ontwerp voor de woontoren wordt het oorspronkelijke concept gerespecteerd, zegt architect Frederik Vermeesch. ‘We hebben inspiratie opgedaan door Zanstra’s oeuvre heel goed te bestuderen. Een kleinere woontoren van hem staat aan de Conradkade in Den Haag. De verfijning die je daar ziet, hebben wij in ons ontwerp voor de Thorbecketoren ook doorgevoerd. De toren behoudt de krachtige uitstraling, maar verzoent die met de verfijning en kwaliteit die wonen tegenwoordig vereist.’ De transformatie is gebaseerd op de bestaande gebouwstructuur. De belangrijkste en opvallendste toevoeging zijn de balkons. Deze zijn zo vormgegeven dat de toren verticaal wordt geleed. Hierdoor wordt het gebouw slanker en minder lomp. Tegelijkertijd gaan de woonkwaliteit en flexibiliteit omhoog. Bovendien ontstaat er een verfijning in de kenmerkende horizontale stroken. Renovatie Bij de renovatie wordt de huidige gevel geheel vervangen. Om aan te sluiten op het ontwerp van Zanstra zullen gelijksoortige materialen worden toegepast. Details en kozijnen worden uitgevoerd in aluminium (gepoedercoat in een warme antracietkleur), de borstweringen in gestraald architectonisch beton in een lichte kleur. Het gebouw verdraagt die ingrepen moeiteloos, licht Vermeesch toe. ‘Omdat de borstweringen geen onderdeel zijn van de hoofddraagconstructie, kunnen we ze vervangen. Dankzij de overcapaciteit in de draagkracht kunnen we de ruime, karakteristieke balkons maken. Diezelfde overcapaciteit maakt het mogelijk twee bouwlagen bovenop het gebouw toe te voegen. Opeens heb je dan een fraaie woontoren met een prachtig uitzicht.’ Vanuit de woningen moet het uitzicht straks fenomenaal zijn: de ene zijde kijkt uit op de Noordzee, aan de andere kant hebben de toekomstige bewoners een spectaculair zicht op het Haagse stadscentrum. Dit aspect komt tot uitdrukking in de nieuwe naam: Bellavista. 116 luxe appartementen In totaal komen er 116 luxe afgewerkte huurappartementen in het gebouw (vanaf de derde verdieping). Het woningaantal per laag varieert van zes tot acht. De begane grond van de toren houdt zijn functie, de eerste en tweede verdieping krijgen een commerciële functie, waarbij de eerste verdieping vanuit het parkeerdek kan worden ontsloten. Duurzaamheid is steeds een belangrijk uitgangspunt. Het gebouw wordt in zijn geheel hergebruikt. Verder worden dubbel glas, zonnepanelen en energiezuinige LED-verlichting toegepast. De woontoren heeft straks een energielabel A. Na de symbolische handeling van wethouder Wijsmuller zal de ontmanteling van de oude gevel plaatsvinden in het eerste kwartaal van 2015. Daarna wordt het pand gerenoveerd. Vanaf maart 2015 kunnen geïnteresseerden zich inschrijven voor huur van de appartementen. Naar verwachting is de oplevering in 2016. Urban Interest heeft ook plannen voor herontwikkeling van het winkelcentrum.

BREEAM NL- Nieuwbouw Ontwerpcertificaat ‘Very Good’ voor Nieuwendijk 196

23 november 2014

Het ontwerp voor Nieuwendijk 196, onderdeel van de grootschalige herontwikkelingsoperatie Nowadays aan Damrak en Nieuwendijk in Amsterdam, heeft het BREEAM NL- Nieuwbouw Ontwerpcertificaat Very Good behaald. Onder begeleiding van BREEAM-NL- Nieuwbouw Expert Peutz heeft het ontwerpteam tal van duurzaamheidsmaatregelen in het ontwerp geïntegreerd. Zo worden op het dak zonnepanelen geplaatst en wordt primair gebruik gemaakt van LED verlichting. Gekozen is voor energiezuinige roltrappen en liften en het merendeel van de bestaande constructie, palen, fundering, begane grondvloer en buitenmuren, blijven gehandhaafd. Ook aanneemcombinatie Dura Vermeer – De Nijs heeft haar kennis en kunde op het gebied van duurzaam bouwen ingebracht. De bouwplaats voldoet aan de gedragscode Bewuste Bouwers, waardoor ook tijdens de bouw aandacht is voor het beperken en scheiden van afval, het reduceren van energie en water, veiligheid en het voorkomen van overlast voor de buurt. BREEAM NL- Oplevercertificaat nadat Huurders het pand in gebruik hebben In overleg met de huurders wordt gestreefd een breed pakket aan duurzaamheidsmaatregelen te treffen in de inrichting en exploitatie van de winkels. Door toepassing van hoogfrequente verlichting, waterbesparende toiletten en duurzame installaties wordt bijvoorbeeld besparing op energieverbruik bereikt. Het oplevercertificaat voor Nieuwendijk 196 wordt afgegeven nadat de huurders de winkelruimten in exploitatie hebben genomen. Naar verwachting is dit het tweede kwartaal van 2015. BREEAM certificering voor Nowadays Het gebouw aan de Nieuwendijk maakt deel uit van het project Nowadays, de herontwikkeling van de Nieuwendijk 196 en de complexen aan het Damrak 70 en 80. De toekomstige huurders voor deze panden zijn onder andere Primark, Starbucks, C&A en Zara. In totaal beslaat de herontwikkeling ruim 27.500 m² winkelruimte. Het is daarmee één van de grootste binnenstedelijke winkelprojecten van Nederland. Voor de herontwikkeling van Damrak 70 en 80 is Bouwinvest voornemens in januari 2015 een zelfde BREEAM –NL Nieuwbouw ontwerpcertificaat te behalen. BREEAM onderdeel van duurzaamheidstrategie in Bouwinvest Retail Fund De BREEAM certificering van de Nieuwendijk is onderdeel van de duurzaamheidstrategie van het Bouwinvest Retail Fund. Investeren in duurzaamheid creëert waarde op de lange termijn. Enerzijds stijgt het gebouw in waarde en anderzijds draagt het bij aan de tevredenheid van de huurders, beide belangrijke zaken voor Bouwinvest. Het Bouwinvest Retail Fund ontving onlangs de Green Star status van GRESB. GRESB is een onafhankelijke, wetenschappelijke benchmark die het duurzaamheidbeleid van vastgoedfondsen en –portefeuilles wereldwijd beoordeelt.

Nieuw winkelpand vol licht aan de Nieuwendijk

04 november 2013

PERSBERICHT: Sleutelproject voor versterking Amsterdamse binnenstad Amsterdam krijgt er aan de Nieuwendijk een opmerkelijk nieuw winkelpand bij. Op nummer 196, in het hart van de stad, verrijst naar ontwerp van Rijnboutt architecten een transparant winkelwarenhuis met zo’n 5.100 vierkante meter, verdeeld over drie lagen. Samen met de transformatie van het C&A-gebouw, Damrak 70, is het een sleutelproject voor de versterking van de Amsterdamse binnenstad. Op 4 november beginnen de werkzaamheden. Het huidige gebouw Nieuwendijk 196 is gebouwd in de jaren tachtig. Via een luchtbrug is het verbonden met C&A op Damrak 70. Op straatniveau huisvest het kleine winkels, met daarboven kantoren die tot medio 2013 werden gehuurd door de Rijksgebouwendienst. Dit gedateerde pand gaat grotendeels tegen de vlakte. Alleen de funderingen en de zijgevels blijven behouden. Binnen dat kader wordt alles nieuw. Het nieuwe winkelgebouw krijgt een hoge, transparante gevel met veel glas, dat daglicht tot ver in de grote winkelruimten binnenlaat. De vrije hoogte op de begane grond is 5,10 meter, op de etages 4,80 meter. De grote winkelpuien passen goed in het historisch ontstane beeld van de Nieuwendijk, met 395.000 passanten per week een van de drukste winkelstraten van Nederland. Aan de Gravenstraat – om de hoek – is plek voor één tot twee kleine winkelunits. Bij de nieuwbouw grijpt Rijnboutt terug op twee voorgangers van het huidige pand. Architect Frederik Vermeesch: ‘Rond 1860 stond op deze plek Magazijn Keizershof, een manufacturenzaak met een gevel die allengs in de breedte groeide, doordat er steeds weer nieuwe panden werden bijgetrokken. In 1902 werd dat pand vervangen door een chic winkelwarenhuis met staal, glas en natuursteen, met een brede transparante gevel. Ook elders in Nederland en Europa zie je in die tijd dit type winkelwarenhuizen verschijnen.’ Het ontwerp van Rijnboutt voor Nieuwendijk 196 is volgens Vermeesch een nieuwe schakel in de cultuurhistorie van deze plek. ‘Het gebouw respecteert het verleden op een eigentijdse manier. Het is in opzet en uitvoering helemaal van deze tijd, maar in zijn referentie weerspiegelt het de ontwikkelingsgeschiedenis van de Nieuwendijk.’ Het respect zit ‘m onder andere in de nieuwe gevel met de bijzondere geleding. Vermeesch: ‘De Nieuwendijk is smal. Je ziet de gevel nooit frontaal, zoals hij wordt afgebeeld op een tekening; je benadert hem lateraal, al wandelend. Daarop is ons ontwerp gebaseerd.’ De gevel bevat veel reliëf, een referentie aan de negentiende-eeuwse winkelarchitectuur met zijn rijk gedetailleerde etalages en uitkragende uitstalkasten. Al wandelend word je er als het ware naartoe getrokken. Met zijn grote, vrij indeelbare winkeloppervlakten sluit het ontwerp tegelijk aan op de hedendaagse wensen van internationale retailers. Zij zoeken juist naar grote winkelruimten, bij voorkeur op A1-locaties zoals deze, nog eens extra aantrekkelijk door de plek in de historische binnenstad en de goede bereikbaarheid. Damrak 70/Nieuwendijk 196 is een van de grootste retailontwikkelingen van dit decennium in Nederland. Eigenaar Bouwinvest en projectontwikkelaar Top Vastgoed voegen met dit project in 2015 bijna 27.500 m2 nieuwe winkelruimte aan Amsterdam toe, een flinke economische impuls voor dit deel van de stad. Het leeuwendeel van de vierkante meters komt in het verbouwde C&A-gebouw aan het Damrak, waarvoor Rijnboutt samen met de Amerikaanse architect Robert Stern optreedt. De herontwikkeling zal naar verwachting ruim een jaar duren. Bij de verbouwing is veel aandacht voor duurzaamheid: de ambitie is voor beide panden minimaal de BREEAM-rating ‘good’ te halen. Het project past naadloos in het portfolio van Rijnboutt. Het bureau voelt zich bij uitstek thuis in het spanningsveld tussen de randvoorwaarden die een historische omgeving stelt én de eisen van 21e-eeuwse gebruikers. Rijnboutt heeft inmiddels een onbetwiste reputatie op het gebied van duurzame herbestemming van vastgoed en binnenstedelijke gebiedsontwikkeling.

Aalmarkt gaat volgende fase in!

11 maart 2013

Op 31 januari is voor het Stadsgehoorzaalblok de omgevingsvergunningsaanvraag door ASR Vastgoed Ontwikkeling ingediend. Met deze aanvraag is de volgende fase van het Aalmarkt project ingeluid. Inmiddels is ook de omgevingsvergunning van het Haarlemmerstraatblok vergund. Het Aalmarktproject bestaat uit vier delen. Met de herontwikkeling van het Waagblok (Kentie en Partners Architekten), het Haarlemmerstraatblok, het Stadsgehoorzaalblok (Rijnboutt) en de openbare ruimte (gemeente Leiden) wordt het winkelgebied in de Leidse binnenstad vergroot en daarmee ook versterkt. Rijnboutt heeft sinds de zomer van 2009 in samenwerking met ASR Vastgoed Ontwikkeling en de gemeente intensief gewerkt aan het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitsplan van het Aalmarktgebied en de architectonische uitwerking van het Haarlemmerstraatblok en het Stadsgehoorzaalblok. Het Stadsgehoorzaalblok heeft een omvang van 5.700 m² bruto vloeroppervlak en bestaat uit winkelunits van verschillende omvang, horeca en 15 woningen. In het ontwerp worden bestaande monumentale panden, met behoud van het monumentale karakter, samengevoegd en gecombineerd met nieuwbouw. Door de combinatie van historische en moderne architectuur ontstaat er een heel bijzondere en aantrekkelijke sfeer. In zijn vormgeving, massa opbouw en materialisatie sluit het complex aan op de fijnmazige structuur van de binnenstad. Door middel van een doorbraak en tevens nieuwe winkelstraat in het Stadsgehoorzaalblok wordt de verbinding tussen de Haarlemmerstraat en de Breestraat versterkt. Deze nieuwe winkelstraat, de Catharinasteeg, gaat samen met de nieuwe Catharinabrug zorgen voor een verbetering van het winkelcircuit. Naast de ontwikkelingen rondom het Stadsgehoorzaalblok is de gemeente ook volop bezig met de nieuwe Catharinabrug en de herinrichting van de openbare ruimte. Wethouder Pieter van Woensel (ruimtelijke ordening en binnenstad) op de site van gemeente Leiden: “Na 25 jaar komt ook dit deel van de Aalmarkt tot ontwikkeling. Het is heel bijzonder dat we in het monumentale hart van onze stad met behoud van historische uitstraling zulke grote winkels kunnen maken. Ik kan niet wachten tot er steigers staan. Het is echt een impuls voor onze Leidse binnenstad.” Directeur Charles Scholten van ASR Vastgoed Ontwikkeling: “We zijn bijzonder trots om een bijdrage te kunnen leveren aan de verhoging van de kwaliteit van de Leidse binnenstad voor bewoners, gebruikers en bezoekers. Het Aalmarktproject laat nadrukkelijk onze liefde voor de stad zien. Respect voor de monumenten en duurzaamheidsprestaties staan daarbij voorop. De verwachting is dat, na het verkrijgen van de bouwvergunning, de bouw in de tweede helft van 2013 kan starten.” * *bron: gemeente Leiden

The Bank winnaar FGH Vastgoedprijs 2012

05 november 2012

Jury roemt door Kroonenberg Groep getoond respect voor de ziel van het gebouw. Kroonenberg Groep heeft met The Bank in Amsterdam de FGH Vastgoedprijs 2012 gewonnen. Deze ingrijpende herontwikkeling van het voormalige hoofdkantoor van ABN AMRO heeft volgens de jury een zeer fraai gebouw van internationale allure opgeleverd, dat niet alleen voorziet in de behoeften van zijn gebruikers, maar ook het centrumgebied van Amsterdam een krachtige kwaliteitsimpuls geeft. De winnaar van de FGH Vastgoedprijs 2012 werd op maandag 5 november 2012 bekendgemaakt in de Jaarbeurs in Utrecht. De onafhankelijke vakjury, onder voorzitterschap van de Utrechtse burgemeester Aleid Wolfsen, roemt in haar rapportage het grote respect voor de ziel van het gebouw dat uit het project spreekt. “Vanuit de wens het best mogelijke resultaat te bereiken, is gekozen voor een zeer gedurfde en tegelijkertijd bijzonder tijdrovende aanpak, waaraan vervolgens ook te allen tijde is vastgehouden. Zelfs in weerwil van het snel veranderende economische en financiële klimaat.” Ontwikkelaar en architect hebben de plannen in nauwe en intensieve samenwerking verfijnd en geraffineerd uitgewerkt, aldus de jury. Zoals zij ook gaande het bouwproces regelmatig hebben bijgestuurd als de vereiste hoge kwaliteit van het beoogde resultaat in het geding dreigde te komen. “De zorgvuldigheid waarmee te werk is gegaan in combinatie met het getoonde lef om soms ingrijpende keuzes te maken, heeft een schitterend eindresultaat opgeleverd. Dat daaraan vervolgens een uitgekiende marketingstrategie is gekoppeld om The Bank ook commercieel een succes te laten worden, geeft alleen maar aanleiding tot een nog hogere waardering van het totaal.” Gedurfd ondernemerschap Naast The Bank waren er voor deze twaalfde editie van de FGH Vastgoedprijs nog drie projecten genomineerd. Het is opvallend dat bij al deze projecten degelijk vakmanschap is gecombineerd met gedurfd ondernemerschap, aldus de jury. Bij het Amsterdamse City Theater moest de kwaliteit van het ondernemerschap maximaal worden aangesproken om de ondervonden tegenslagen te overwinnen, zonder dat de projecteconomie geweld werd aangedaan. In het geval van Creative Valley in Utrecht waren het de visie en vasthoudendheid van de ontwikkelaar die ervoor gezorgd hebben dat er een uniek kantoor is ontwikkeld, waar zowel de creativiteit als het nieuwe werken een hoge vlucht kan nemen. En het feit dat de ontwikkeling van De Wolfsberg in Deurne na jaren van gebakkelei toch weer werd vlot getrokken, én zelfs tot een zeer geslaagd resultaat heeft geleid, geeft aan hoezeer vastgoedontwikkeling toch ook een kwestie van mensenwerk is. Betrokkenheid De deelnemende projecten vormen volgens Peter Keur, directievoorzitter van FGH Bank, het bewijs dat de tijden in de vastgoedsector definitief zijn veranderd. “Partijen geven blijk van grote betrokkenheid en een aanhoudend streven naar hoge kwaliteit, vanuit het besef dat de beste garantie voor een goed rendement niet alleen is gelegen in de tevredenheid van de opdrachtgever, maar vooral ook in de beleving van de eindgebruiker.” FGH Bank vindt het juist nu de vastgoedsector economisch en financieel in zwaar weer verkeert belangrijk door te gaan met de FGH Vastgoedprijs. Peter Keur: “Niet alleen omdat de sector op zijn tijd wel eens een opsteker kan gebruiken, maar vooral omdat de deelnemers laten zien hoe vindingrijkheid en innovatiekracht vastgoed uit het dal kunnen trekken. Gezien de hoge kwaliteit van de nu genomineerde projecten is er wat ons betreft reden om met vertrouwen naar de toekomst te kijken.” De FGH Vastgoedprijs beloont onderscheidende initiatieven in de vastgoedmarkt. De prijs is een erkenning voor initiatiefnemers die bij de realisatie van vastgoedprojecten getuigen van durf, visie en ondernemerschap. Daarnaast beoordeelt de jury in hoeverre het initiatief een gezonde projecteconomie laat zien en een verantwoord projectrisico heeft. Tot slot spelen ook criteria als architectuur, duurzaamheid en maatschappelijke impact een rol. Bron: FGH Prijs  

Nieuwe winkels in historische panden

15 september 2012

Hoge duurzaamheidsscore bij gebiedsontwikkeling Aalmarkt Leiden. De omgeving van de Aalmarkt in Leiden ondergaat de komende jaren een opmerkelijke metamorfose. In het hart van de binnenstad wordt een gebied met meer dan vijftien monumenten grootschalig aangepakt en getransformeerd tot een levendig winkel- en verblijfsgebied. Respect voor de monumenten en hoge duurzaamheidsprestaties staan daarbij voorop. Op 19 september geeft Rijnboutt, bureau voor architectuur, stedenbouw, landschap en strategie, samen met opdrachtgever ASR een presentatie over de plannen. De gemeente Leiden vindt dat de stad aan ondernemers te weinig grote winkeleenheden heeft te bieden. Dat is niet goed voor het vestigingsklimaat en de lokale economie. Koopkracht lekt weg naar andere gemeenten. Om dat te veranderen, ondertekenden ASR Vastgoed Ontwikkeling en de gemeente Leiden in april 2011 een overeenkomst over de omgeving van de Aalmarkt in de binnenstad. Rijnboutt maakte in opdracht van ASR het stedenbouwkundig plan voor het gebied. ‘Wij stonden daarbij voor de taak om winkelpanden te vergroten, wat in een historische omgeving met veel monumenten een grote uitdaging is,’ zegt architect Kees Rijnboutt. De gevonden oplossing heeft de precisie van acupunctuur. In het Haarlemmerstraatblok bijvoorbeeld worden vijf historische panden zorgvuldig verbouwd tot een nieuwe winkel van 1.800m² over vier verdiepingen. Van de bestaande panden blijven drie gevels behouden. Het complex sluit straks door zijn vormgeving, massaopbouw en materialisatie naadloos aan op de fijnmazige structuur van de binnenstad. In het nabijgelegen Stadsgehoorzaalblok worden enkele monumentale panden respectvol samengevoegd, waardoor grotere winkelunits ontstaan. Naast deze herbestemming van oude panden is in het Aalmarkt-plan ook ruimte voor nieuwbouw. Duurzaam ‘Behoud en herbestemming van monumentale gebouwen is per definitie een duurzame ingreep,’ zegt Kees Rijnboutt. Het bureau heeft inmiddels een flinke track record op dit gebied. Al eind jaren tachtig kreeg het WoltersNoordhoff-complex in Groningen naar ontwerp van Rijnboutt een andere bestemming. Het bureau is koploper in duurzame herbestemming van vastgoed en binnenstedelijke gebiedsontwikkeling, twee werkvelden die juist de laatste jaren snel terrein winnen. De duurzaamheidsambities rond de Aalmarkt gaan echter verder dan het geven van nieuw leven aan oude gebouwen. Opdrachtgever ASR wil een BREEAM-duurzaamheidsscore van drie sterren realiseren. BREEAM, de meest complete methodiek voor het meten van de duurzaamheidsprestaties van gebouwen, is ontwikkeld door de Britse Building Research Establishment (BRE) en in Nederland geïmplementeerd door de Dutch Green Building Council, waarin Rijnboutt participeert. Oplossingen Om de hoge ambitie waar te maken, heeft Rijnboutt in nauwe samenwerking met zijn adviseurs een aantal oplossingen bedacht. Medewerker Michael James Lucas: ‘In de nieuwbouw worden straks zoveel mogelijk prefab-elementen gebruikt. Zo besparen we op bouwmateriaal.’ Daarnaast wordt gebruik gemaakt van warmte-koudeopslag. ‘Airconditioning in de winkels is daardoor niet nodig. Nog mooier: de grote hoeveelheid warmte die de winkels creëren, wordt gebruikt voor verwarming van vijftien nieuwe woningen in het gebied.’ Per saldo gebruikt het woon-winkelgebied straks geen gas voor de verwarming. Hierdoor is een gasaansluiting voor de woningen niet nodig. De mogelijkheden om de monumentale panden beter te isoleren zijn door Rijnboutt uitgebreid onderzocht. De energieprestaties worden verbeterd zonder dat dit de fysieke conditie van de soms eeuwenoude gebouwen in gevaar brengt. De panden krijgen bovendien monumentenglas, waardoor van buitenaf zo goed als geen verschil is te zien met de huidige situatie. Professionals uit de monumentenwereld volgen het project met grote belangstelling. Op deze schaal is een dergelijke ingreep in een kwetsbaar historisch gebied namelijk nog nergens in Nederland gedaan. Monumentenexperts en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn met name geïnteresseerd in de mogelijkheden van dit ‘goede huwelijk tussen nieuwe functies en oude gebouwen’, zoals Kees Rijnboutt het uitdrukt. Het Aalmarkt-plan kan een voorbeeld zijn voor steden met een vergelijkbare opgave, zoals Haarlem, Utrecht en Dordrecht. Over 19 september Op 19 september 2012 zet Leiden Aalmarkt de deuren open voor bezoekers. Met een presentatie, een maquette en een bezoek aan het plangebied wordt toegelicht wat hier gaat veranderen en waarom. Het programma: 15.00 uur ontvangst; 15.30 uur presentatie ambities BREEAM door Paul Dielissen (ASR); 16.00 uur presentatie stedenbouwkundig concept door Kees Rijnboutt; 17.00 uur bezoek maquette en locatie. Meer informatie:.

Breeam Excellent op Beukenhorst Zuid

23 april 2012

Het ontwerp van het nieuwe kantoor van FOX Vakanties, op businesspark Park 20|20 in Hoofddorp, is op 22 maart beloond met een BREEAM-NL Excellent (vier sterren) ontwerpcertificaat. Dit is het eerste certificaat voor een project in het businesspark in Beukenhorst-Zuid in Hoofddorp. Het ontwerpteam van het project ontving het certificaat uit handen van Jaap Gillis, bestuursvoorzitter van de Dutch Green Building Council (DGBC) en COO Redevco. Park 20|20 ambieert comfortabeler, productiever en inspirerend werken. Het vaak kostenbesparende duurzaamheidsaspect geeft Park 20|20 een concurrerende voorsprong. Recyclebare bouwmaterialen die passen binnen de ambities van het C2C-concept, zonne- en windenergie, waterzuivering en energie uit afval en geavanceerde techniek met behulp van warmte- en koudeopslag vormen bij Park 20|20 een stevige basis waarbij continu wordt gezocht naar de meest duurzame oplossingen in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het plan voorziet in ca. 89.000 m2 kantoor, ca. 1.400 parkeerplaatsen en 3.700 m2 facilitaire voorzieningen. zie:website park 20|20.

Hermitage Shopping Zaandam / De Tsaar Nieuw Rustenburg

16 december 2010

Het centrum en het stationsgebied van Zaandam worden ingrijpend vernieuwd. Voor een gebied van circa honderd hectare is een ontwerp gemaakt voor een stadscentrum, een knooppunt in de sociale en economische ontwikkeling van het gebied. Om de vernieuwing vorm te geven is door Sjoerd Soeters een masterplan ontwikkeld, Inverdan. Het plan van Soeters vormt een herinterpretatie van de ontstaansgeschiedenis van Zaanstad. Terwijl vroeger de rivier de Zaan de ader was van de Zaanse economie en samenhang creëerde tussen de Zaanse dorpen, hebben nu de provinciale weg en het spoor die rol overgenomen. Behalve het verbeteren van de stedelijke samenhang en de openbare ruimte is de aansluiting op de ‘genius loci’ van de Zaanstreek een essentieel onderdeel van het masterplan. De nieuwe bebouwing zal in kleur en stijl aansluiten bij de typisch Zaanse houtbouw en industriële gemetselde gebouwen langs de Zaan. Het concept Hermitage Shopping Zaandam / De Tsaar Nieuw Rustenburg ligt op een strategische plek in dit masterplan: de verbinding tussen de nieuwe grootschalige ontwikkelingen rond het station en de kleinschaligheid van de achterliggende Russische buurt. De voornaamste ruimtelijke opgave voor de locatie Rustenburg was om een complex te ontwerpen dat zou kunnen bemiddelen tussen de grote en de kleine schaal, en tussen de nieuwe en bestaande bebouwing. Leidend bij de ontwikkeling van het concept is de opvatting geweest om het nieuwe complex niet te beschouwen als één gebouw, maar als een stuk stad samengesteld uit een rijk ensemble van verschillende gebouwen, waarin een gevarieerd stedelijk programma wordt gehuisvest. Om het idee van ‘een nieuw stuk stad’ zo krachtig mogelijk neer te zetten zijn de samenstellende gebouwen, zoals vaak in de stad het geval is, zo argeloos mogelijk naast elkaar geplaatst. Ieder gebouw is ontworpen met een eigen handschrift en architectonische expressie. Verschillen in gebouwhoogtes, materialen en kleuren etc. zijn ingezet om de contrasten tussen de gebouwen zo groot mogelijk te maken. De gebouwen zijn georganiseerd in een gesloten bouwblok. De ‘buik’ van het bouwblok is gevuld met een aantal grotere winkelformules, zoals Saturn en Albert Heijn. De grote winkelunits zijn rondom ‘afgezoomd’ met kleinere winkels, en aan de zuid- en westzijde met woningen. Boven op de winkels is een daktuin aangelegd, waar rondom gewoond wordt. Het totale programma van de gebouwen samen bestaat uit ruim 11.000 m² winkels, een bioscoop met 6 zalen (circa 1220 stoelen), 113 appartementen en 930 parkeerplaatsen. De winkels, de bioscoop en de parkeergarage hebben de gezamenlijke naam Hermitage Shopping Zaandam gekregen, en de verschillende woongebouwen heten gezamenlijk De Tsaar Nieuw Rustenburg. Het ontwerp van de gebouwen De ‘genius loci’ van Zaandam -de gemetselde fabrieksgebouwen uit de negentiende eeuw langs de Zaan en het traditionele Zaanse houten huis-, is vertrekpunt geweest bij de architectonische uitwerking van de gebouwen. Deze is ook uitvoerig geanalyseerd en beschreven in het Beeldkwaliteitplan behorend bij het masterplan. In het ontwerp zijn vijf (clusters van) gebouwen gerealiseerd. Vier hiervan zijn ontworpen als een hedendaagse uitwerking van de taal van de genius loci. Het vijfde gebouw heeft echter bewust een andere uitdrukkingsvorm gekregen. Op deze manier wordt een nieuwe laag aan de ontstaansgeschiedenis van de stad toegevoegd. Parkeergarage Onder het gehele complex is een ondergrondse parkeergarage in drie lagen gerealiseerd met 930 parkeerplaatsen. De Q-park Hermitage parkeergarage vormt de belangrijkste parkeervoorziening voor het nieuwe stadscentrum. Voor veel mensen zal een bezoek aan de binnenstad van Zaandam beginnen in deze parkeergarage. De parkeergarage kent een ruime en overzichtelijke opzet en een hoogwaardig afwerking, die een gastvrije uitstraling heeft. In de parkeergarage is een publiek stijgpunt opgenomen dat is vormgegeven als een ‘waterval’ van roltrappen tussen de parkeer- en winkelniveaus. Alle appartementen in het complex zijn via liften en trappenhuizen direct bereikbaar vanuit de parkeergarage. Daktuin Op het dak van de winkels ligt een daktuin, waar de verschillende woongebouwen omheen staan. In de intensief bebouwde omgeving vormt de tuin een rustmoment. Naast het uitzicht op de tuin vanuit de woningen kan de tuin ook gebruikt worden door de bewoners. De brede grindpaden en het gras kunnen gebruikt worden om te spelen, te zitten of in de zon te liggen. Het ontwerp van de tuin is gemaakt door landschapsarchitect Michael van Gessel. Kleurgebruik Bijzondere aandacht in het project is besteed aan de toepassing van kleur. Voor het gebruik van kleur aan het exterieur van de gebouwen is de genius loci leidend geweest. In het interieur van de woongebouwen en de parkeergarage is kleur toegepast om de identiteit van de verschillende bouwdelen te versterken en de oriëntatie voor bezoekers te vergemakkelijken. Ieder stijgpunt en entreehal heeft zijn eigen kleur gekregen. Duurzaamheid In het project is een Warmte en Koude opslaginstallatie (WKO) toegepast voor de klimaatbeheersing van de commerciële ruimten als ook voor de woningen. Hiervoor is één gezamenlijke installatie toegepast. Op deze manier kan op een zuinige manier voorzien worden in de energiebehoefte. Bijkomend voordeel is dat gedurende de zomer het mogelijk is om de woningen te koelen middels dit systeem. In de parkeergarage zijn 32 oplaadstations voor elektrische auto’s geïnstalleerd, waarmee de parkeergarage het grootste oplaadstation van Nederland wordt. De gemeente Zaanstad zal hiervan 30 stations in gebruik nemen en 2 zijn er voor publiek gebruik. Hiermee wordt ingespeeld op een maatschappelijke behoefte en wordt vooruit gelopen op het wagenpark van de toekomst.

Rozemarijn de Jong

architect en duurzaamheidsspecialist

Jurriën Boon

senior architect en erfgoedspecialist